Home Niet-westerse filosofie Bertrand Russell over ‘het probleem van China’
Niet-westerse filosofie

Bertrand Russell over ‘het probleem van China’

Toen de Britse filosoof Bertrand Russell een jaar lesgaf in China, raakte hij diep onder de indruk van het land. Vooral het vermogen van de bevolking om gelukkig te zijn raakte hem. Wel maakte hij zich zorgen over de groeiende invloed van het Westen. Is het China gelukt om zijn eigenheid ten opzichte van het Westen te bewaren?

Door Laura Weeda op 18 mei 2022

Bertrand Russell over ‘het probleem van China’

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

‘Ik ging naar China om les te geven, maar ontdekte al snel dat ik meer van China kon leren dan andersom,’ schrijft Bertrand Russell (1872-1970) in zijn boek The problem of China (1922), dat precies honderd jaar geleden verscheen. Direct na de Eerste Wereldoorlog reisde de Britse filosoof en historicus naar China in de overtuiging dat ‘er iets mis is’ met de westerse beschaving en dat China kon ‘helpen ons te doen inzien wat dat is’. In zijn boek verkent hij de manieren waarop China en het Westen van elkaar kunnen leren, en verdiept hij zich in de Chinese cultuur en geschiedenis. We moeten onszelf volgens Russell ‘niet langer beschouwen als missionarissen van een superieure beschaving, of, erger nog, als mensen die het recht hebben om de Chinezen uit te buiten, te onderdrukken en op te lichten omdat ze een inferieur ras zouden zijn.’ Hij voorspelt dat China wel eens een land zou kunnen zijn waarmee in de toekomst rekening moet worden gehouden: ‘Er komen twee eeuwen aan waarin de problemen van China ieders problemen zijn. En daarvoor is begrip belangrijk, ook als er geen heldere antwoorden zijn.’

Honderd jaar later lezen we met betrekking tot China over censuur, onderdrukking, massatoerisme en corona. In zijn nieuwe avondshow noemde Arjen Lubach China herhaaldelijk een ‘stom land’. The New York Times berichtte onlangs dat expats in China geld van de overheid ontvangen om positieve filmpjes en berichten op sociale kanalen te plaatsen. ‘China is de nieuwe supermisbruiker van de mondiale sociale media,’ aldus het Amerikaanse dagblad. ‘Het doel is daarbij niet om een debat te winnen, maar om chaos en achterdocht te zaaien, tot er van echte waarheid geen sprake meer is’ – een bekend klinkende strategie. Op het verweer van de expats in kwestie, die er vaak al jaren wonen en zeggen tegenwicht te willen bieden aan de steeds negatievere westerse beeldvorming, stelt NYT eenduidig; ‘Ook al zien deze influencers zichzelf niet als onderdeel van een propagandacampagne, ze worden door Beijing wel zo gebruikt.’

‘Het probleem van China’, waaraan Russell in de titel refereert, is hoe China de onvermijdelijke inmenging met het Westen praktisch en intellectueel kan benutten, zonder door hen te worden opgeslokt. Wat is er van zijn hoopvolle queeste geworden?

‘Beef gehoorzaam!’

‘U, o koning, van ons gescheiden door zoveel zeeën, heeft niettemin, gedreven door uw nederige verlangen om deel te nemen aan de vruchten van onze beschaving, een verzoekschrift laten afleveren (…) Om uw toewijding te tonen, biedt u bovendien de producten van uw land aan. Ik heb uw geschrift gelezen: de uiterst oprechte bewoordingen waarin het is gegoten, onthullen een respectvolle nederigheid van uw kant die zeer prijzenswaardig is.’

Dit schreef keizer Chien Lung van de Manchu-dynastie in 1793 aan een Engelse diplomaat die de verdere mogelijkheden van handel met China wilde onderzoeken. Vervolgens legt hij uit, ‘op de geduldige toon waarop je een opdringerig kind toespreekt’, aldus Russell, waarom hij onmogelijk aan diens verlangens tegemoet kan komen. De landen zijn te verschillend om elkaar te begrijpen. Het enige wat er voor de Chinese keizer toe doet is of hij zijn land goed regeert, en wat Engeland dan ook te bieden heeft is daarvoor van geen enkele meerwaarde. De brief wordt besloten met: ‘Beef gehoorzaam en toon geen nalatigheid!’

Alleen als je deze brief niet absurd vindt, heb je enig begrip van China, verkondigt Russell. China is een land van tradities, dat eerder uitblinkt in stabiliteit dan in vooruitgang; waar veel landen in decennia denken, denkt China in eeuwen. Hij noemt de drie meest onderscheidende eigenschappen van China. 1. Een Chinees karakter vertegenwoordigt een idee in plaats van een klank, zoals in alfabetische talen. De taal en cultuur zouden daardoor minder gevoelig zijn voor verandering, modeverschijnselen en tijdsgeest. 2. Waar het confucianisme mensen opdraagt bescheiden, kalm en waardig te zijn, is het westerse mensbeeld sinds de Franse Revolutie romantisch en individualistisch. Het confucianisme zorgde er bovendien voor dat opstanden minder bloedig waren; patriottisme is volgens deze leer veel minder belangrijk dan respect voor ouderen en de familie. Waar Brutus zijn twee oudste zoons laat onthoofden wegens verraad, zou een Chinese vader zijn zoon altijd in bescherming nemen. ‘De belangrijkste methode om de belangen van een natie te dienen is moord; de belangrijkste methode om je familie te bevoorrechten zijn corruptie en samenzweringen’, vat Russell samen. 3. In het keizerlijke China moest je om ambtenaar te worden een nauwkeurig wetenschappelijk essay schrijven over de confucianistische leer. Zelfs dictator Mao Zedong, wiens doel het was elk spoor van traditie te vernietigen, toonde trots zijn bekwaamheid als kalligraaf. Dankzij dit systeem stond leren zeer hoog in het vaandel en was aristocratie bijvoorbeeld niet erfelijk. Maar datzelfde systeem liet geen enkele ruimte voor originaliteit of vrijgevochten ideeën. Het gebied waarop China dan ook lange tijd achterbleef op het Westen, was de wetenschap.

Goede leerling

De wetenschap kwam in het Westen onder andere van pas voor de ‘act of killing’, beschrijft Russell. De Engelsen namen geen genoegen met Lungs antwoord, en vanaf de eerste oorlog in 1840 wordt China het ene na het andere verdrag met het Westen opgedrongen. ‘China produceerde alles wat nodig was voor het geluk van de inwoners, en de handel waartoe ze (…) gedwongen werden bracht hen niets dan goederen waar ze beter zonder konden,’ aldus Russell. Lange tijd was de enige invloed van buitenaf het oorspronkelijk Indiase boeddhisme geweest, dat zonder meer naast het confucianisme werd geaccepteerd; de meer metafysische leer vormde een aanvulling op de praktische dogma’s van Confucius.

In haar boek Kingdom of Characters. The Language Revolution That Made China Modern (2022) beschrijft Jing Tsu, literatuurwetenschapper en cultuurhistoricus van het moderne China, de diepe crisis waarin het land eind negentiende eeuw verkeerde: na bloedige opstanden, waarin ‘roofzuchtige buitenlandse mogendheden grepen wat ze konden van een arm, uitgeput, verdeeld continent,’ viel de laatste keizerlijke dynastie. De traditionele behoefte aan kennis van de Chinezen richtte zich niet langer enkel op de klassieke literatuur. Vooral onder jongeren ontstond een ‘hartstochtelijk verlangen om westerse kennis te verwerven, die gepaard ging met een levendig besef van westerse gebreken’, aldus Russell. Amerika was het grootste voorbeeld. Steeds meer jongeren trokken erheen om te studeren, gesubsidieerd door de schadevergoeding die de VS van China ontvingen voor de antiwesterse Bokseropstand tussen 1899 en 1902. ‘Onze regering is Amerikaans; onze grondwet is Amerikaans; velen van ons voelen zich Amerikaan’, kenmerkt Tsu de sfeer onder deze studenten, die terugkeerden als journalist, docent of politicus.

Geheel in lijn met de Chinese overtuiging dat een kopie in niets onderdoet voor het origineel, hoeft een leerling niet onder te doen voor zijn leraar. Griekenland leerde van Egypte, Rome van Griekenland enzovoort, somt Russell op. Kortom: China bewees een zeer goede leerling van het Westen te zijn.

Te westers

‘Het probleem met het moderne China is niet zozeer dat het niet van het Westen heeft geleerd, maar dat het te veel heeft geleerd, een proces waarbij het een en ander verloren is gegaan,’ schrijft Saiyin Sun, die als sinologe lesgeeft aan de Tsinghua-universiteit in Beijing en zelf bijna uit haar post werd gezet omdat ze ervan werd beschuldigd ‘als sympathisant van het Westen te zijn ingebed in de Chinese academische wereld’. Na Mao’s zogenaamde modeniseringsbeleid is het land – tevens door snelle industrialisatie – zo ver van zijn traditionele zelf afgedreven dat het in zekere zin meer ‘westers’ is geworden dan het Westen zelf, aldus Sun: ‘Om weer meer zichzelf te worden kan ook China veel van het oude China leren.’

Tsu beschrijft in Kingdom of Characters het indrukwekkende tempo waarin – eveneens onder Mao – na duizenden jaren stilstand alsnog een taalhervorming plaatsvond. Zo was in de jaren zeventig al meer dan zeventig procent van alle in China verspreide gedrukte informatie omgezet in loden letters, vertelt ze met Amerikaans enthousiasme. Volgens Hal Brands en Michael Beckley, auteurs van het boek Danger Zone. The Coming Conflict with China, kampt het land inmiddels met oprakende hulpbronnen, grootschalige vergrijzing, de terugkeer naar het totalitarisme onder Xi Jinping en een reputatie die, mede door grootschalige mensenrechtenschendingen, ‘het diepste punt heeft bereikt sinds het bloedbad op het Tiananmenplein in 1989.’ Juist deze tanende macht is volgens de auteurs gevaarlijk; landen die invloed verliezen zouden des te oorlogszuchtiger worden. ‘Met andere woorden, veiligheidsriemen vast,’ besluiten ze hun grondige analyse. Hier is geen sprake van verwantschap, laat staan van een poging tot begrip: het doel is de eigen positie te bepalen.

Geluk

Tijdens zijn verblijf in China was Russell nog het allermeest onder de indruk van het vermogen van de bewoners om gelukkig te zijn. Het is de vraag of dit geluksvermogen nog altijd even groot is – hoge zelfmoordcijfers en de opkomst van een filosofie als mō yú (‘vis aanraken’, een Chinees synoniem voor luieren op werk), waarmee met name Chinese millennials protesteren tegen de ratrace van de samenleving, doen vermoeden van niet. Ook het westerse vermogen om gelukkig te zijn is er niet op vooruit gegaan. ‘Wij in het Westen maken een fetisj van “vooruitgang”; de ethische dekmantel van het verlangen de oorzaak van verandering te zijn,’ stelt Russell. ‘De vraag of machines de wereld werkelijk hebben verbeterd, komt ons dwaas voor: ze hebben grote veranderingen teweeggebracht, en dus grote “vooruitgang”.’ Hij beschrijft de succesvolle jonge Amerikaan die zo hard werkt dat hij tegen de tijd dat hij zijn miljoenen heeft verdiend, aan dyspepsie lijdt en slechts toeschouwer kan zijn op de feesten die hij voor zijn gasten organiseert, zich troostend met de gedachte dat hij tenminste invloed heeft op de politiek.

Russells angsten en voorspellingen zijn deels uitgekomen, maar niet zijn hoop. Terwijl het China uit zijn tijd niet langer bestaat, is aan het Westen weinig veranderd – behalve dat maagklachten inmiddels goed te behandelen zijn. Hij zou ongetwijfeld gedesillusioneerd zijn door de ontwikkelingen een eeuw later, maar zich als hartstochtelijk voorstander van een betere wereld vast ook beroepen op de universele wijsheid dat het voor leren nooit te laat is.