Home ‘Het milieuprobleem is onmodern’
Mens en natuur

‘Het milieuprobleem is onmodern’

Door Huub van Baar op 05 maart 2013

03-2003 Filosofie magazine Lees het magazine
Milieuproblemen zijn niet op te lossen door moderne technologie. Elke technologische oplossing schept nieuwe problemen. Daarom is de milieucrisis ook een crisis van het geloof in de technologie en de maakbaarheid van de wereld – een crisis van de moderne mens.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Zeven filosofen waagden zich de afgelopen vijf jaar aan het schrijven van een boek over de milieuproblematiek. Die inzet is niet direct terug te vinden in het boek: het is geen boek geworden over milieufilosofie en – politiek, maar over de natuur: over de romantische eenheid van mens en natuur, over de natuur als ontsnappingsmogelijkheid aan het stadse leven en – het meest overtuigend – over de weerstand van de natuur.

Trekken de auteurs zich doelbewust terug uit de politiek? Of is de distantie tot de concrete problemen zelf onderdeel van het probleem? Beide opties zijn in de bundel vertegenwoordigd. Maar de auteurs die neigen tot het terugtrekken uit de politiek blijven in gebreke: ze verklaren niet waarom de milieuproblemen uit hun blikveld zijn verdwenen. Voor hen resten twee keuzes. Ze laten de bestaande orde voor wat die is – vrolijk of niet – , of verzanden in nostalgie.

Deze verschillen blijken nog niet zolang de auteurs het eens zijn. Zo delen ze de opvatting dat de natuur radicaal is geïnstrumentaliseerd, wel het sterkst in het industriële tijdperk waarin de natuur slechts als een productiemiddel werd opgevat. Maar ook in onze post-industriële samenleving waarin natuurbehoud en milieubeleid expliciete maatschappelijke thema’s zijn geworden, domineert de opvatting dat we het vervuilde milieu kunnen transformeren tot een schoner milieu, dus dat we de natuur naar onze hand kunnen zetten. De natuur heeft volgens alle auteurs dan ook ‘haar eigen gewicht verloren’.
 

Nostalgie

Wat te doen? Daarover verschillen de auteurs meer van mening dan ze toegeven. Roothaan, aan de ene kant, verduidelijkt hoe door Descartes enerzijds de trend is gezet om de natuur te objectiveren tot het materiaal van ons denken en handelen, maar hoe anderzijds de natuur op onverwachte momenten in zijn filosofie terugkeert. De beroemde stoof waarin hij zijn methodische twijfelkunst beoefende, allerlei verwijzingen naar rust, comfort en warmte in zijn werk, alsmede het onderscheid dat hij maakt tussen het denkende subject en de concrete mens, wijzen er volgens haar op dat ‘lichamelijke beelden zich altijd in het denken opdringen’. Roothaan laat het in haar tekstuele analyse echter bij de constatering van deze (post)moderne conditie, waarin de dubbelzinnigheid van onze natuurervaring hooguit wordt blootgelegd.

Lemaire, aan de andere kant, wil deze conditie niet slechts constateren en bekritiseren. Hij wil er de herwaardering van de ervaring van de sublieme natuur, zoals die al tot uitdrukking kwam in de achttiende-eeuwse filosofie, tegenover stellen. Alle nuanceringen in zijn tekst ten spijt, hij ontkomt niet aan nostalgie. Zo doet hij een oproep de ‘stad en studeerkamer’ te verlaten: ‘laten we (…) een berg beklimmen en ons hoofd tijdelijk verheffen boven het gedruis van de mensenwereld.’
 

Weerstand

De meest overtuigende bijdragen zijn van Coolen en Munnik, omdat zij, anders dan de meeste andere auteurs, aannemelijk weten te maken waarom de milieuproblematiek geheel en al met de moderne conditie van mens en maatschappij verweven is. Lossen we namelijk de milieuproblemen, die zelf een gevolg van de moderne wetenschappelijke en technologische ontwikkeling zijn, met meer en nieuwe moderne technologische middelen op, dan genereren die op hun beurt weer milieuproblemen: de slang bijt zich in haar eigen staart. Het milieuprobleem is, zoals Munnik stelt, een vervuild en onmodern probleem, omdat het zich met de middelen van de moderniteit niet laat oplossen.

Coolen en Munnik beschouwen de milieuproblematiek eerder als een uitdrukking van de crisis waarin de moderne mens zich bevindt, en daarmee als een metafysisch probleem, dat aan het oplossende vermogen van de moderne rationaliteit ontsnapt. Daaruit blijkt volgens Coolen dat de zin die wij aan onze levens willen geven, niet slechts door ons of onze creaties geconstrueerd kan worden. Sterker nog: we zijn geïntrigeerd door zin die we niet zelf kunnen produceren. En waar is in deze opvatting ‘het eigen gewicht van de natuur’ gebleven? Die zin die we niet zelf kunnen produceren, kan tot stand komen in de weerstand die de natuur ons biedt.

Het eigen gewicht van de dingen, red. Maarten Coolen en Koo van der Wal, uitg. Damon, Budel 2002, 220 blz., € 16,90