‘Van alle mensen is Kafka het meest onzeker over zijn menselijkheid,’ laat J.M. Coetzee zijn personage Elizabeth Costello zeggen. We zien meteen waar Franz Kafka (1883-1924) zich ophoudt: aan gene zijde van de mensheid, aan de betere zijde ervan, half engel, half mens, half schrijver, half heilige. Dat is ook te danken aan zijn vriend Max Brod, die zich om zijn nalatenschap bekommerde. In de herfst van 1917 gaat Kafka naar het gehucht Zürau, tegenwoordig Sirem in Tsjechië. Hij weet dat hij tuberculose heeft en krijgt er bezoek van Felice Bauer.
Kafka heeft Felice Bauer in de jaren daarvoor voornamelijk per brief verleid en heeft haar ook weer per brief op afstand gehouden. Ze zijn verloofd geweest en de verloving is verbroken; in 1914 vond in een hotel in Berlijn vanwege het verbreken van die verloving het ‘proces’ tegen Kafka plaats. Maar het contact suddert voort, ze verloven zich zelfs nog een keer en er komt een moment waarop Bauer Kafka opzoekt in Zürau. Als ze weer vertrokken is, schrijft Kafka haar vanuit dit gehucht volgens de schrijver Elias Canetti zijn ‘pijnlijkste’ brief, tevens de op een na laatste. Hij maakt het eens te meer uit, hij verklaart dat hij ‘een leugenachtig mens’ is en dat zijn ziekte weinig anders voorstelt dan zijn ‘algemene bankroet’. Hij beweert dat Bauer zijn Menschengericht is. Zij is het menselijk oordeel, iets minder eeuwig dan dat van God, maar niet minder hard.
Kafka’s biograaf Reiner Stach heeft begrip voor de kwalificatie van Canetti. Na al die brieven, na al die pogingen tot liefde, na die wederzijdse kwelling, komt er geen woord van dank, geen poging tot troost uit de pen van Kafka. Met name dat woord ‘Mensengericht’ zit Stach dwars, want een rechter, aldus Stach, raak je niet aan, je leeft niet met hem.
Ik zou ter nuancering van Stach willen beweren dat iedereen die weleens in een liefdesrelatie heeft gezeten weet dat die relatie vroeg of laat altijd weer de vorm aanneemt van een rechtbank en dat je beurtelings advocaat, aanklager en rechter speelt. Soms zijn de geliefden het beu zelf voor rechter te spelen en gaan zij naar een relatietherapeut, die veelal faalt omdat hij Kafka niet gelezen heeft of denkt dat Kafka niet van toepassing is.
Kafka was iets op het spoor als het om de bureaucratisering van alles en iedereen gaat, en hij besefte ook dat de liefde een rechtszaak was waarbij het bewijsmateriaal als het ware geproduceerd en verzameld wordt tijdens de pleidooien. Anders gezegd, wie van de schuld verlost wil zijn, dat dwaze verlangen uit de jaren zestig, wil zich ook van de liefde verlossen.
Winnende paard
In Zürau, in dat volgens Stach tamelijk vreselijke gehucht, schreef Kafka zijn meditaties die later door Brod zijn uitgegeven als de ‘Zürauer aforismen’ en die nu in het Nederlands zijn vertaald onder de titel Een kooi ging een vogel zoeken. Aforismen door Martin de Haan. Stach spreekt van ‘een verzameling raadsels’ en twijfelt of deze raadsels nog wel literatuur genoemd mogen worden, daarnaast twijfelt hij of Kafka met het woord ‘aforismen’ gelukkig zou zijn geweest. Ik deel deze twijfels.
De brieven aan bijvoorbeeld Felice Bauer zijn meer literatuur dan deze sfinxachtige teksten die onderling enorm van kwaliteit verschillen. Dat Bauer in veel van Kafka’s brieven eerder aanleiding was om literatuur te scheppen dan werkelijk adressant, is waar en pijnlijk. Nu is liefde altijd wederzijds gebruik van van alles en nog wat, al vermoed ik dat Bauer liever op conventionele wijze in gebruik zou zijn genomen. Toch concludeert Stach dat Kafka juist in Zürau alles wil: het geluk, inzicht, slagen, rechtvaardiging van het geluk. Juist als hij zijn geliefde schrijft dat zijn ziekte niet meer is dan het bewijs voor zijn totale faillissement wil hij alles, alleen wel zonder geliefde.
In een van zijn meditaties in de bundel schrijft Kafka: ‘Kies in de strijd tussen jou en de wereld de kant van de wereld.’ Ik begrijp dat zo: kies ondanks alles toch voor het winnende paard, maar weet dat jij het winnende paard niet zal zijn. Van daaruit kun je verder, vanuit die positie kun je weer alles willen, het geluk en de rechtvaardiging van het geluk.
Even tussendoor …
Meer lezen over filosofie en literatuur? Schrijf je in voor de gratis nieuwsbrief:
Toen ik een vriendin een paar maanden geleden eraan herinnerde dat Kafka had geschreven dat hij niet bij de Joden hoorde omdat hij niet eens bij zichzelf hoorde, en dat zijn positie misschien navolging verdiende, antwoordde zij dat ze zo niet wilde leven, omdat Kafka doodongelukkig was. ‘Dat klopt,’ antwoordde ik, ‘het gaat erom een gelukkige Kafka te worden’. Dat beschouw ik niet alleen als mijn opgave, maar als de opgave van ieder mens.
Een kooi ging eens een vogel zoeken. Aforismen
Franz Kafka
vert. Martin de Haan
Koppernik
120 blz.
€ 18,50

