Home Vrijheid 11 september: ‘Als je eenmaal sceptisch bent, houdt het gewoon op’
Vrijheid

11 september: ‘Als je eenmaal sceptisch bent, houdt het gewoon op’

Door Johan van de Werken op 18 september 2006

08-2006 Filosofie magazine Lees het magazine

Volgens wetenschapsfilosoof Herman de Regt is de status van de ‘feiten’ bij complottheorieën en de official myth over 11 september gelijk. Heropening van het onderzoek is vijf jaar na dato echter problematisch.

Begin september verscheen – temidden van een stortvloed aan andere boeken over 9/11 – de Nederlandse vertaling van The New Pearl Harbor: Disturbing Questions about the Bush Administration and 9/11 van de Amerikaanse filosoof, theoloog en onderzoeker David Ray Griffin. In zijn boek geeft Griffin – lid van de Scholars for 9/11 Truth: een groep academici die pleit voor verder onderzoek naar de gebeurtenissen op en rond 11 september – een opsomming van tegenstrijdigheden, omissies en onwaarschijnlijkheden in de officiële verklaringen van de Amerikaanse overheid en verschillende onderzoekscommissies.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

De prangende vraag die Griffin in zijn boek probeert te beantwoorden is óf de Amerikaanse autoriteiten medeplichtig zijn aan de ramp die zich bij het World Trade Center en het Pentagon voltrok, en zo ja: in welke mate de overheid dan medeplichtig is. Griffin onderscheidt acht oplopende gradaties van medeplichtigheid, variërend van ‘er is een valse verklaring opgesteld’ – bijvoorbeeld om de nationale veiligheid te beschermen, of om de aanslagen te gebruiken om een eigen agenda uit te voeren – tot de mogelijkheid dat het Witte Huis deelnam aan de voorbereidingen voor de aanslagen. Filosofie Magazine legde het manuscript van de Nederlandse vertaling – 11 september. Een onderzoek naar de feiten – voor aan Herman de Regt, als wetenschapsfilosoof verbonden aan de Universiteit van Tilburg.

 
‘Ik heb nooit echt geloofd in complottheorieën’, zegt De Regt. ‘Ik vond het niet te gek voor woorden – want je kunt je er meestal wel iets bij voorstellen – maar wel zeer onwaarschijnlijk. Het boek van Griffin is wel geloofwaardiger dan conspiracy-documentaires als Loose Change. Daar worden zaken gepresenteerd waarvan het niet onredelijk is om je af te vragen: “Zijn die data er wel?” Eén van de interessante aspecten aan deze kwestie is de vraag wat de feiten zijn. Wat zijn nou de feiten? Als iemand beweert dat er bij het Pentagon geen vliegtuigbrokstukken zijn gevonden, stellen samenzweringstheoretici meteen de vraag: “Hoe verklaar je dat?” Terwijl de eerste stap moet zijn: “Wacht even, liggen er inderdaad geen brokstukken?” Daar kom je echter niet uit.’
 
Is de werkelijke gang van zaken op en rond 11 september dan – net als de moord op president John F. Kennedy – een raadsel zonder oplossing? De Regt: ‘Alleen al het feit dat er complottheorieën zijn die door een aantal mensen worden aangehangen, maakt van het oorspronkelijke verslag van wat er is gebeurd “gewoon maar een verhaal”. Omdat er mensen zijn die aanwijzingen zeggen te hebben dat er verschillende zaken niet kloppen, staat de official myth – zoals complottheoretici de officiële verklaringen noemen – in een heel ander daglicht. In principe heb je twee grote theorieën: de complottheorie – in een redelijk gematigde versie – zoals Griffin die beschrijft en het oorspronkelijke verslag, opgebouwd uit de verklaringen van de Amerikaanse overheid en de conclusies uit het 9/11 Commission Report. Die laatste is de incompetentietheorie.’ 
 
Hoe zou een discussie gaan tussen een aanhanger van Griffins ‘medeplichtigheidtheorie’ en iemand die uitgaat van de incompetentietheorie? ‘Al heel snel kom je tot de conclusie dat je er niet uitkomt. De één zegt: “Weet je hoeveel mensen er betrokken moeten zijn bij die samenzwering van jou? Dat houd je nooit onder de pet.” Waarop de ander zegt: “Luister, ik heb al dat empirisch materiaal dat gewoon niet deugt!” Vervolgens ontstaat er een discussie over de status van de “feiten” die beide partijen opwerpen.’ Ter illustratie vertelt De Regt: ‘Er is een beroemde metafoor van een dronken man die na een nachtelijk cafébezoek zijn autosleutels is kwijtgeraakt. Hij staat onder een lantaarnpaal te zoeken en iemand vraagt hem waarom hij alleen dáár zoekt, de sleutels kunnen immers overal liggen… De dronken man antwoordt: “Hier schijnt tenminste licht!” Het idee is dat je geneigd bent alles wat je in het licht van je eigen onderzoek kunt gebruiken te aanvaarden, terwijl je je voor andere “feiten” afsluit. Als we eerlijk zijn is de status van de empirische feiten bij beide theorieën gelijk. We kijken inderdaad vaak alleen dáár waar ons licht schijnt. Uiteindelijk is – zoals ook Griffin bepleit – een nieuw onafhankelijk onderzoek de enige mogelijkheid.’

Staatsveiligheid

Maar dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan, stelt De Regt. ‘Waar beginnen we dan mee? Waar complottheoretici mee beginnen is dat eerst alle informatie die in handen is van de overheid openbaar gemaakt moet worden. Net als bij de moord op Kennedy weten we dat dit voorlopig niet gaat gebeuren. De vraag is dan of de staatsveiligheid écht in het geding is, of dat de overheid de dossiers om andere redenen niet wil vrijgeven. De volgende stap is dan het inventariseren van de feiten waar je zelf toegang toe hebt. Maar het woordje “zelf” is hier irritant. Ik heb namelijk niets on site gezien. Het enige waar je op af kunt gaan zijn de publieke live-opnamen die zenders als CNN – onafhankelijk van elkaar en vanuit verschillende hoeken – hebben geschoten. Een andere optie: ooggetuigenverklaringen. Maar we weten al sinds het einde van de negentiende eeuw dat deze verklaringen notoir onbetrouwbaar zijn, zeker als je ze vijf jaar na dato zou gaan optekenen. Foto’s? Te manipulatief. Als je eenmaal sceptisch bent, houdt het gewoon op. Het is een patstelling: je komt er niet uit. En hoe meer mensen werk maken van een complottheorie, hoe erger het is dat we er niet uitkomen.’
Welke versie van de waarheid is voor een wetenschapsfilosoof het minst problematisch? ‘Als je mij het mes op de keel zou zetten, zou ik op grond van wat ik redelijkerwijs kan aannemen – dat er twee passagiersvliegtuigen in de Twin Towers zijn gevlogen, waarna beide torens zijn ingestort – niet kiezen voor een complottheorie als er een goed alternatief is. Dat goede alternatief is ongelukkigerwijs de incompetentietheorie. Er zitten zoveel schakels en knooppunten in het systeem, dat het systeem vlekkeloos had moeten functioneren om deze ramp te voorkomen. We weten dat mensen onder druk allerlei fouten maken: het was een aaneenschakeling van incompetenties. Toch nemen veel mensen daar geen genoegen mee. Het doet veel te normaal aan dat iets instort omdat er iets tegenaan vliegt. Complottheorieën zijn – net als allerlei fantastische religieuze verhalen en mythes – sexy verhalen, die blijven hangen in je kop. Daarom vinden we het veel interessanter dat het World Trade Center opgeblazen zou zijn door de Amerikaanse overheid, als rechtvaardiging voor het binnenvallen van olierijke gebieden als Afghanistan en Irak.’         

 
Volgens De Regt onderscheidt Griffin zich van samenzweringstheorieën in de denigrerende betekenis van het woord. ‘Hij verdedigt niet sec de complottheorie, maar voorlopig enkel de heropening van het onderzoek. Dat vind ik sympathiek en relatief bescheiden. Een kritiekpunt is echter: is er genoeg reden voor een nieuw onderzoek? Griffin presenteert een enorme koffer met “feiten” als een soort cumulatieve bewijslast. Dat vind ik een zwak punt: je moet in de wetenschap wel zomaar ergens beginnen – in de vorm van een hypothese, maar niet zomaar ergens eindigen. In plaats van een culminatie van bewijsmateriaal zou ik liever spreken van een cumulatieve toename van onwaarschijnlijkheid! Of alle zogenaamde feiten die Griffin aandraagt reden genoeg is om het onderzoek te heropenen, weten we pas als we de feitelijkheid van de “feiten” hebben vastgesteld.’
 
Johan van de Werken