Home Wereldklassiekers: Iphigenia van Euripides

Wereldklassiekers: Iphigenia van Euripides

Door Simone Bassie en Michel Dijkstra, Simone Bassie en Michel Dijkstra op 27 april 2009

04-2009 Filosofie magazine Lees het magazine

De Griekse legeraanvoerder Agamemnon offert zijn dochter omwille van het algemeen belang. Een daad die de Deense filosoof Søren Kierkegaard kan waarderen. Toch is zijn bewondering voor Abraham, die zijn zoon wilde offeren alleen omdat God het vroeg, nog groter.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

‘Genade, vraag ik u,’ roept Iphigenia. ‘Ik werp mijn lichaam aan uw voeten. Dood mij niet vóór mijn tijd, want het is heerlijk om in het licht te leven.’ Maar haar vader, de Griekse legeraanvoerder Agamemnon, is onverbiddelijk: ‘Zelf begrijp ik ook wat triest is en wat niet. Ik houd ook van je. Anders was ik gek. Ik deins ervoor terug deze daad te plegen, maar ook om te verzaken, want ik móét dit regelen!’ Daarop beveelt Agamemnon om zijn dochter af te voeren naar de offerplaats. Haar ondergang lijkt onvermijdelijk.
Deze dramatische scène is te vinden in de tragedie Iphigenia in Aulis, geschreven door de Griekse meesterdramaturg Euripides (vijfde eeuw voor Christus). In dit stuk plaatst Euripides de held Agamemnon voor een duivels dilemma. Deze legeraanvoerder wil met zijn vloot naar Troje, de aartsvijand van de Grieken, varen om de stad te plunderen. Er is echter een probleem: de godin Artemis heeft ervoor gezorgd dat er een constante windstilte heerst. Zij eist van Agamemnon dat hij zijn dochter offert. Alleen dan zal hij met zijn oorlogsvloot kunnen uitzeilen.
Euripides’ tragedie heeft sinds zijn verschijning talloze pennen in beweging gebracht, waaronder die van filosoof Søren Kierkegaard (1813-1855). In zijn boek Vrees en beven laat de Deense denker zijn licht over Agamemnons dilemma schijnen. Via een onderzoek naar Agamemnons beweegredenen probeert Kierkegaard zijn handelen te onderzoeken. De filosoof beweert dat de Griekse held niet voor zijn eigen, momentane geluk leeft, maar voor idealen die hem te boven gaan. Kierkegaard stelt dan ook dat zijn dilemma zich op het domein van het ethische bevindt. Agamemnon moet namelijk kiezen tussen twee belangen: de liefde voor zijn dochter Iphigenia en het belang van zijn volk, dat wraak wenst te nemen op de Trojanen.
Kierkegaard geeft toe dat de Griekse held zich in een verschrikkelijke situatie bevindt, maar merkt ook op dat Agamemnon zijn keuze op zuiver rationele gronden kan maken: ‘As een plan dat een heel volk bezighoudt verhinderd wordt, als een dergelijke onderneming door de ongenade van de hemel tot staan wordt gebracht, dan moet de vader dit offer heldhaftig brengen.’ Bovendien kan iedereen zich in de Griekse held verplaatsen en waardering voor zijn daad opbrengen: ‘Als Agamemnon op het beslissende ogenblik zijn smart overwint, heldhaftig degene die hem liefheeft opgeeft en zich alleen maar concentreert op wat hem te doen staat, dan zal er nooit een adellijke ziel in de wereld gevonden worden die geen tranen van medelijden heeft voor zijn smart, tranen van bewondering voor zijn daad.’
Door het besluit om zijn dochter te offeren zodat de oorlogsvloot kan uitvaren, lijkt Agamemnon een utilist. Zijn ethische doel is dan ook vastomlijnd: hij kiest voor het belang van de meerderheid.

Levensweg
Vrees en beven is echter niet in de eerste plaats bekend geworden door Kierkegaards bespreking van Agamemnon, maar door zijn duiding van het Bijbelse verhaal over Abraham die van God zijn zoon Isaak moet offeren. Hoewel Agamemnon en Abraham zich op het eerste gezicht in dezelfde situatie bevinden, beschouwt Kierkegaard de Bijbelse figuur als superieur. Hij maakt deze opvatting duidelijk door Abraham met de Griekse held te vergelijken.
Kierkegaard ondersteunt zijn visie op Abraham en Agamemnon door een onderscheid te maken tussen drie ‘stadia op de levensweg’: het esthetische, het ethische en het religieuze. Via deze stadia vormt de mens zijn identiteit oftewel ‘zelf’. Het esthetische is het laagste stadium en hoort bij een persoon die alleen voor zijn onmiddellijke verlangens leeft. Deze volgens Kierkegaard onvolwassen persoon leeft alleen in het moment en houdt zich niet bezig met de verlangens van anderen. Volgens de filosoof komt het erop aan om de esthetische en ethische stadia te overstijgen om zo het religieuze stadium te bereiken.

Moordenaar of gelovige
Terwijl Agamemnon het ethische stadium representeert, is Abraham een vertegenwoordiger van het religieuze. Dit religieuze leven vormt volgens Kierkegaard een hoog verheven ideaal, waar slechts weinigen aan kunnen voldoen. Abraham is dan ook een exceptionele figuur. Het verschil tussen hem en Agamemnon is dat zijn handelingen onbegrijpelijk zijn. Hij handelt krachtens het absurde: ‘Abraham is op geen enkel ogenblik een tragische held, maar iets heel anders: een moordenaar of een gelovige. Ik kan een tragische held begrijpen, maar Abraham niet, hoewel ik hem, op een haast waanzinnige manier, meer dan alle anderen bewonder.’
Volgens Kierkegaard is Agamemnons dilemma glashelder: je kunt met de held meedenken en besluiten welke keuze het meest rationeel is. Afhankelijk van je ethische positie zul je waardering kunnen opbrengen voor zijn daad – het offeren van Ifigeneia – of ervan walgen. Bij het dilemma van Abraham is hier geen sprake van. God vraagt hem om Isaak te offeren, maar zegt niet waarom: het is een absurd verzoek. Noch Abrahams dilemma, noch de oplossing hiervan valt rationeel te begrijpen. Anders dan Agamemnon kan de aartsvader niet simpelweg tussen twee belangen kiezen.
In plaats daarvan verheft Abraham zich boven het domein van het ethische: hij handelt vanuit een onbegrijpelijke, religieuze plicht. Kierkegaard heeft groot respect voor deze ‘sprong van het geloof’. Voor Abrahams handelen bestaat geen publieke rechtvaardiging: het is iets tussen hem en God. In die zin staat hij als enkeling boven het algemeen belang. De Griek Agamemnon heeft geen persoonlijke relatie tot God en kan zich niet boven het ethische verheffen. Daarom is hij een minder volmaakte figuur dan Abraham.
Hoewel de dilemma’s van Agamemnon en Abraham van elkaar verschillen, hebben ze ook een belangrijke overeenkomst. Beide verhalen kennen namelijk een happy end. Op het moment dat Abraham het offermes opheft om Isaak te doden, horen ze de stem van God en het geluid van een bokje, dat in de struiken vastzit. Ook in Iphigenia in Aulis is er sprake van goddelijke interventie. Nadat de priester Iphigenia een dodelijke slag heeft toegebracht, verdwijnt zij op wonderbaarlijke wijze. In plaats van het meisje ligt er een hinde op de offersteen: ‘Zet uw verdriet opzij. Een mens kan niet voorzien wat goden wensen. Want zij redden hun beminden. Deze dag zag hoe Iphigenia stierf en weer tot leven kwam!’