Home Warm aanbevolen: Telkens opnieuw denken

Warm aanbevolen: Telkens opnieuw denken

Door Merel Kamp op 27 november 2015

Cover van 04-2015
04-2015 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

Ellen Geerlings, auteur van Het Oog in de Storm, een succesvolle filosofiemethode voor het voortgezet onderwijs, zoekt in Kiezen of delen; een filosofische oriëntatie, een antwoord op de vraag hoe we ons in een wereld zonder richtinggevende, grote verhalen kunnen oriënteren bij het maken van keuzes. Daartoe gaat ze bij vijf filosofen te rade: François Lyotard, Emmanuel Levinas, Charles Taylor, Peter Sloterdijk en Hannah Arendt. Geerlings stelt zichzelf de opdracht toegankelijk te maken zonder te populariseren, een balanceeroefening die ze bijzonder goed volbrengt.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Vertrekpunt van het boek is het debat over de vrije wil, waarin auteurs als Victor Lamme en Dick Swaab – alweer enige tijd geleden – beweerden dat wij ons brein zijn; gedetermineerd door synapsen en neuronen. Een bewering die tot Geerlings’ verbazing door velen met een aan opluchting grenzend enthousiasme werd ontvangen. Dit debat is nog altijd actueel. In september van dit jaar nog pleitte forensisch psycholoog Robbert-Jan Verkes voor een grotere rol voor breinonderzoek in de rechtspraak. Daar geldt een neurologische afwijking of anomalie mogelijkerwijs als verzachtende omstandigheid. Is het eigenlijk niet precies die afname van verantwoordelijkheid die velen zo aanspreekt in de boodschap van lieden als Swaab en Lamme? Ervaren we onze keuzevrijheid eigenlijk als last?
 
Na een uitvoerige bespreking van dit debat in het eerste deel van het boek, waarbij zowel empirisch-wetenschappelijke als filosofische bevindingen in overweging worden genomen, laat Geerlings het onbeslecht achter: ‘Of we de vrije wil nu ontkennen of verdedigen, ieder van ons staat geregeld voor de keuzes die nu eenmaal bij een mensenleven horen en de meesten van ons maken die keuzes het liefst zelf.’ (229). Verkies ik een leven als oude vrijster of trouw ik nu met deze niet onaantrekkelijke vastgoedmagnaat? Eet ik alleen biologisch vlees, of word ik veganist? Als inwoners van de ‘comfortsfeer’, de welvarende Westerse samenleving, denken we niet meer ‘in termen van schaarste en nood maar in termen van keuzemogelijkheden’ (177), citeert Geerlings Sloterdijk. En synapsen en neuronen hebben ons nu eenmaal geen inzichten te bieden als het gaat om het maken van (gewichtige) keuzes. We hebben professionele, filosofische hulp nodig! Want niet alleen ontbreekt het ons aan oriëntatiepunten bij een overvloed aan keuzeopties, ook wordt van ons bij het maken van onze keuzes nog eens een hoge mate van authenticiteit verwacht. Je zou er haast determinist van worden.
 
Haast, want na het hoofdstuk over nihilisme gloort er licht aan de horizon. Geen schitterend hallogeenlicht zoals de grote metaverhalen ons ooit boden, maar eerder het licht van de vroege generatie spaarlampen: het duurt even voordat het aangaat, het is niet erg helder of fel, maar het is des te duurzamer. Door schade en schande wijs geworden formuleren denkers als Lyotard, Levinas en Arendt hun theorieën. Pluraliteit speelt bij alle drie een grote rol, toont Geerlings. Bij Lyotard is dat een te verdedigen pluraliteit van discoursen om hegemonie van één dominant discours te voorkomen. Voor Arendt is pluraliteit een voorwaarde voor ons denken en handelen, zoals zij deze activiteiten definieert en ook een haast noodzakelijk gevolg van waarachtig handelen in de publieke ruimte. Bij Levinas komt de pluraliteit voort uit het ‘onoverbrugbare verschil tussen mij en de ander’ (137) en dient zij te worden gekoesterd om de ander ook werkelijk als radicaal anders aan mij – niet in vergelijking met mij – te laten verschijnen en een appel op mij te laten doen. Levinas tracht het bevrijdende effect van het nihilisme te behouden; het bewees ons een dienst door ons te verlossen van een verstikkend mensbeeld van ‘circulaire zelfbetrokkenheid’ (120) dat we aan het humanisme overhielden. Daartegenover stelt hij een mens met een door eros aangewakkerd metafysisch verlangen om aan zichzelf te ontsnappen.
 
Een vorm van dit verlangen lokaliseert Geerlings ook bij Sloterdijk die ons aanspoort tot oefening, dat wil zeggen tot zelf-conditionering middels antropotechnieken. Oefenen is ons lot juist omdat we verlangende wezens zijn. En wat dient deze technieken tot richtlijn? De enige autoriteit die ons in dit anti-autoritaire tijdperk nog rest is de ‘wereldwijde crisis’ (168). Zij dicteert ons de ecologische imperatief, welke vraagt om een nieuw soort zelftechniek die nu eens niet een beschavingsmethode voor het individu is. We zullen onszelf moeten overtreffen tot onze ‘voetafdruk niet meer is dan die van een veer’ (179).
 
In het licht van deze uiterst urgente imperatief lijkt de volgens Taylor even nastrevenswaardige als elusieve individuele authenticiteit een ouderwets soort luxe. Al is het alleen maar omdat aanmoedigingen tot authenticiteit veelal het tegendeel bereiken. Arendts aansporing om moedig te zijn, zelf te oordelen en onszelf middels ons handelen te laten zien, om met onze innerlijke daimon in gesprek te blijven maar ook te luisteren naar de veelheid van stemmen in het publieke domein klinkt dan toch reëler en geniet ook duidelijk Geerlings voorkeur. En bij dat innerlijke gesprek hoort dan ook het inzicht dat het nihilisme altijd al in ons denken besloten lag. De verwarring die dit voortbrengt, moeten we met elkaar delen. ‘Denken betekent praktisch gesproken, dat je, wanneer je in je leven met een of andere moeilijkheid geconfronteerd wordt, telkens opnieuw moet denken’, zegt Arendt in Het leven van de geest; Denken (220). Dat Geerlings juist met Sloterdijk en Arendt – direct ook de mooiste hoofdstukken van het boek – haar uitermate rijke relaas afsluit, is niet toevallig. Het antwoord op de vraag om oriëntatie is een even bescheiden als veeleisende imperatief: Oefen, denk en handel.