Home Warm aanbevolen: Grensovergangen

Warm aanbevolen: Grensovergangen

Door Erik Heijerman op 29 oktober 2014

Cover van 04-2009
04-2009 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

Vorig jaar nam Herman De Dijn afscheid als hoogleraar aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte in Leuven. Ter gelegenheid van zijn emeritaat verscheen een bundel artikelen met als titel Grensovergangen. Centraal daarin staat de reflectie over de geesteswetenschappen.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Deze term wordt door De Dijn nadrukkelijk gehandhaafd, tegen de tendens in om over cultuurwetenschappen te spreken. De suggestie achter de laatste term is dat ook de cultuurwetenschappen over streng wetenschappelijke methoden beschikken, zodat zij zich kunnen meten met andere meer natuurwetenschappelijke disciplines. De Dijn stelt hier- tegenover dat de humaniora niet één, maar een grote hoeveelheid methoden kennen, en dat het ‘wetenschappelijk’ karakter van literatuur-, kunst- en geschiedwetenschap- pen, van filosofie en theologie verschilt van vak tot vak. In navolging van Thomas Kuhn noemt De Dijn de geesteswetenschappen preparadigmatisch: de problemen ervan zijn niet duidelijk bepaald, evenmin bestaan er modeloplossingen en het is niet duidelijk wat als een belangrijke bijdrage tot wetenschappelijke ontwikkeling kan gelden. Complexiteit dus, maar ook eigenheid. De humaniora zouden studenten binnen de academie moeten opleiden tot intellectuelen. Daaronder verstaat De Dijn mensen die reflecteren over de betekenissen of waarden die onze levenswijzen en tradities beheersen. Menselijke ervaring en het persoonlijke zelfverstaan staan daarin centraal. Steeds gaat het om een nadenken over fenomenen waaraan men feitelijk ook participeert – denk bijvoorbeeld aan de ethiek of aan de literatuurwetenschap, waarin het er niet om gaat te komen tot algemeen geldende waarheden of wetten, maar om bij te dra- gen aan inzicht in concrete betekenisstructuren zoals romans en gedichten. Het gaat niet om het oplossen van theoretische problemen als zodanig, maar ‘men is hier integendeel geëngageerd in een reflectie die ons een dieper verstaan geeft van datgene wat ons verwondert, fascineert. (…) Het doel is niet betere informatie of beheersing, maar illuminatie van wat altijd al voor ons ligt’ (p. 55). De reflectie vindt plaats in de conversatie of de dialoog, met anderen (ook door hun boeken te lezen en erop te reageren) of met zichzelf. Het intellectuele product hiervan bij uitstek is voor De Dijn de causerie of het essay (zijn leven en werk zijn hiervan zelf het voorbeeld bij uitstek). De Dijn begint zijn boek met een beschouwing over instellingen en de managerial colonization daarvan: de steeds grotere nadruk op verandering, projecten, procedures, evaluaties, meting van effectiviteit, tools en targets, kortom het beheersingssyndroom in onderwijs en maatschappij. De analyse is interessant: De Dijn ziet de oorzaak hiervan in een tekortschieten van een vertrouwen tussen leraar en leerling, werkgever en werknemer, zieken en verplegend personeel, politici en burgers. Hoe meer geprobeerd wordt om de betrouwbaarheid van instellingen en organisaties te verhogen, hoe groter het wantrouwen van het publiek lijkt te zijn. Dit is een echt probleem, omdat vertrouwen, vriendschap, fatsoen en respect niet op commando ontstaan of kunnen worden afgedwongen. De Dijn ziet vijf mogelijke remedies: afzien van het geloof in de maakbaarheid van de samenleving, politieke draagvlakken zeer voorzichtig verstevigen en hervormen, nieuwe methoden en instrumenten slechts invoeren na zorgvuldige reflectie over mogelijke neveneffecten, versterking van het middenveld en verenigingsleven om zo het sociale kapitaal te bevorderen, en alleen die zaken van bovenaf regelen die niet op een lager niveau kunnen worden gerealiseerd. ‘De moraal van het verhaal: noch activisme, noch fatalisme, maar vol hoop en overgave illusieloos werken aan een toekomst die ons toch zal ontsnappen’(p.23).

Twee hoofdstukken zijn gewijd aan de rol van de geesteswetenschappen in de universiteit. De geesteswetenschappen worden door De Dijn getypeerd als behorend tot het plattelandspatroon, dat wil zeggen dat ze gekenmerkt worden door kleinschaligheid, grote afstanden en een lage frequentie van contacten. Nodig is een unieke combinatie van brede opleiding en culturele bagage, inzicht, vaardigheden en creativiteit. Een soort ambachtelijkheid dus, die een lang rijpingsproces veronderstelt. Het is duidelijk dat de steeds korter wordende studies hiermee op gespannen voet staan. De Dijn pleit voor een universiteit waarin een bepaalde manier van samenleven rondom de overdracht van kennis en inzicht op een intellectueel gedisciplineerde manier centraal staat (het Engelse college zit hier nog het dichtstbij).In deze plaats van liberal learning is ruimte en tijd voor vrij onderzoek, zodat ‘het feestelijke van het weten en het inzicht’ niet verdwijnt, wat wel dreigt te gebeuren in de steeds meer op efficiëntie gerichte universiteiten.

Een apart hoofdstuk is gewijd aan de zin en onzin van de academische filosofie. De Dijn volgt Oakeshott door filosofie te duiden als ‘de poging om datgene wat men altijd al verstaat in andere termen te ver- staan’, namelijk in termen van mogelijkheidsvoorwaarden. De grootste bedreiging van de academische filosofie vindt hij de verwetenschappelijking. Daarbij dreigen namelijk – het thema keert steeds terug – ons zelfverstaan en de reflectie op onze ervaring verloren te gaan. Er zijn immers verschillende vormen van weten, in het prachtige laatste hoofdstuk omschreven als wetenschap, common sense en wijsheid. Wijsheid is niet uit op beheersing, maar een vorm van ontvankelijkheid voor het mysterie, niet in de laatste plaats van de meest eenvoudige dingen in het alledaagse leven zelf, zoals het jongetje dat ons in het bos tegemoet huppelt. Dat is een weten dat ‘oplicht, ontroert, verrukt’ (p. 120). Dit weten is op het concrete gericht, maar dat concrete is tegelijk het meest onuitsprekelijke, het meest nabije en het meest vreemde. Het ligt aan de oppervlakte, maar is tevens het meest diepe. Het is prachtig dat Herman De Dijn tijd en ruimte had om ons op deze zaken te wij- zen. Zijn boek is een warm pleidooi voor een universiteit waarbinnen een filosofie kan floreren die relevant is voor ons leven, omdat zij staat in een lange traditie van reflectie over de menselijke ervaring – een reflectie die ons zelfverstaan bevordert.