Home Soms is twee plus twee vijf

Soms is twee plus twee vijf

Door Meike Oosterwijk op 23 november 2012

01-2007 Filosofie magazine Lees het magazine

Dat je onder een dictatoriaal regime van binnen vrij kunt zijn is een misvatting. Richard Rorty over George Orwells 1984.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

‘Wat kan ik er aan doen dat ik zie wat er voor mijn ogen is? Twee en twee is vier.’
‘Soms, Winston. Soms is het vijf. Soms is het drie. Soms is het alles tegelijk. Je moet beter je best doen. Het is niet gemakkelijk om te genezen.’
Winston – uit Orwells roman 1984 – wordt gemarteld; zijn geest in stukken gescheurd, dat die samengebracht kunnen worden, in de door De Partij gewenste vorm. ‘Nooit zul je weer in staat zijn tot liefde, of vriendschap, of levensvreugde, of lachen, of nieuwsgierigheid, of moed, of oprechtheid. Jij zult hol zijn. Wij zullen je leeg uitknijpen en dan zullen wij je vullen met onszelf.’

In 1984 – geschreven in 1948 – heeft een totalitair regime de wereld in zijn greep. Met de destijds futuristische techniek van teleschermen (camera’s die ook kunnen uitzenden) kan de Partij íedere beweging van haar leden registreren, van de uitdrukking op het gezicht, tot de woorden die iemand mompelt in zijn slaap. De Partij vertoont zich onder het mom van Big Brother aan de wereld: Big Brother is watching you, via de teleschermen, vanaf aanplakbiljetten en pakjes sigaretten.

Om het denken in te krimpen, werkt De Partij aan een nieuwe taal: de Nieuwspraak. Verzet tegen De Partij wordt zo onmogelijk, omdat woorden waarmee De Partij kan worden gedwarsboomd, zijn geëlimineerd.
1984 is een anti-utopie; een waarschuwing tegen totalitaire regimes die de individuele vrijheid van mensen bedreigen. Als Winston verliefd wordt, weet hij dat deze affaire met een nekschot zal eindigen. Wat hij echter voor onvoorstelbaar houdt, is dat de Partij ook zijn innerlijk leven – zijn gevoelens – kan vernietigen.
‘Als zij een einde konden maken aan mijn liefde voor jou – dat zou pas verraad zijn’, zegt hij, liggend in een mahoniehouten bed vol luizen, tegen Julia, zijn minnares. ‘Als je kunt voelen dat het de moeite waard is om menselijk te blijven, zelfs wanneer het geen enkel resultaat heeft, dan heb je ze verslagen.’ Maar de Partij komt wél in zijn binnenste. Ze laat hem werkelijk geloven dat twee plus twee vijf is, als dat zo uitkomt. En ze vervangt zijn liefde voor Julia, voor die voor Big Brother.

In de tijd dat de Britse schrijver en journalist George Orwell (pseudoniem voor Eric Blair, 1903-1950) aan 1984 werkte, was Hitler net verslagen. Om het stalinistische Rusland hing nog een ideologische wolk die de gruwelen in de Goelag-kampen verborgen hield.

Orwell zag het bedrog, de politieke controle, het verraad, de arrestaties, martelingen en moorden, zoals hij die in 1984 beschrijft, met eigen ogen tijdens de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939). Daar vocht hij tegen het fascisme, bij een militie onder communistische leiding. ‘Een radicale ideologische misser’, naar eigen zeggen. Want hij werd uiteindelijk zelf door de Sovjets opgejaagd. Die ervaring zorgde ervoor dat de blindheid waarmee westerse intellectuelen naar Stalin keken, zijn grootste vijand werd.

Propaganda

Orwell brak met 1984 de macht die de bolsjewistische propaganda uitoefende over de liberale politici in Engeland en Amerika, schrijft de Amerikaanse filosoof Richard Rorty: ‘Zo bracht hij ons twintig jaar voor op onze Franse evenknieën. Zij moesten wachten op De Goelag Archipel’. Dit boek van de Russische schrijver Aleksandr Solzjenitsyn verscheen in 1973, en liet de buitenwereld kennismaken met de werkkampen in de Sovjet-Unie.

Rorty schrijft: ‘De grote verdienste van Orwell bovenop die dat hij de Sovjet-propaganda in een absurd daglicht plaatste, was dat hij de rest van ons overtuigde dat O’Brien (de beul die Winston laat geloven dat twee plus twee vijf is, en zijn liefde voor Julia vervangt voor die voor Big Brother) inderdaad mogelijk was.’
Rorty citeert uit een column die Orwell in 1944 schreef. Daarin ontleedt Orwell een drogreden die wijdverbreid is in landen waarin het totalitarisme zich niet heeft gevestigd: ‘De drogreden is te geloven dat je onder een dictatoriaal regime van binnen vrij kunt zijn… De grootste misvatting is dat je je voorstelt dat het menselijke wezen een autonoom individu is. De geheime vrijheid waarvan men veronderstelt dat je onder een despotisch bewind kunt genieten is onzin, omdat je gedachten nooit helemaal van jezelf zijn.’
‘Er is niets diep in elk van ons, geen gemeenschappelijke menselijke natuur, geen ingebouwde menselijke solidariteit, die te gebruiken is als moreel referentiepunt. Er is niets in mensen behalve dat wat door socialisatie in hen is gebracht – hun vermogen om taal te gebruiken, en zo ideeën en verlangens uit te wisselen met andere mensen.’

Het ontbreken van een menselijke natuur maakt dat De Partij Winstons geest kan verscheuren. ‘Als je kunt voelen dat het de moeite waard is om menselijk te blijven, zelfs wanneer het geen enkel resultaat kan hebben, dan heb je ze verslagen’, had Winston in het mahoniehouten bed tegen Julia gezegd. Dat dát soms niet mogelijk meer is, blijkt uit 1984. Want als Winston en Julia elkaar weer tegenkomen, nadat ze gemarteld zijn, zegt zij botweg: ‘Ik heb je verraden.’ Waarop hij antwoordt, dat ook hij haar verraden heeft.

Misschien wel de meest onthutsende conclusie van Rorty is dat elke samenleving totalitair zou kunnen zijn. Wie de macht heeft en de mensen naar zijn hand kan zetten is maar een kwestie van toeval. ‘Wie socialisatie als taak krijgt, is dikwijls een zaak van wie erin slaagt het eerst te doden.’ Rorty gaat uit van een historische contingentie: het idee dat niet alleen omstandigheden, maar ook ideeën en theorieën op stom toeval berusten. ‘Orwell helpt ons in te zien dat het zomaar gebeurde dat in Europa de macht in handen kwam van mensen die medelijden hadden met de vernederden, en dat het zomaar zou kunnen gebeuren dat de wereld eindigt met een regering van mensen die zulke gevoelens of gedachten missen.’
 
Richard Rorty (1931), Contingentie, ironie en solidariteit (1989) – ‘Orwell helpt ons in te zien dat het zomaar gebeurde dat in Europa de macht in handen kwam van mensen die medelijden hadden met de vernederden.’
 
Hans Achterhuis (1942), Utopie, Eindexamencahier havo vanaf 2007 (2006) – ‘‘Big Brother is watching you’ was een van de principes uit 1984. Van dat principe dat daar als schrikwekkend bedoeld was, hebben wij tv-amusement gemaakt.’
 
Thomas S. Kuhn (1922 – 1996), The Structures of Scientific Revolutions (1962) – Wetenschappelijke paradigma’s lijken op de heersende klasse uit Orwells 1984. Iedereen die het niet met het paradigma eens is, ‘wordt er uit gelezen’.
 
Jean-François Lyotard (1924 -1998), Gloss on Resistance (1992) – Orwells kritiek op totalitarisme doet een beroep op de universele rede, op concepten zoals vrijheid, vrije markt, en onderwijs. Maar deze concepten hebben gefaald. Men claimt wel dat ieder mens deze rechten heeft, maar in praktijk hebben veel mensen die niet. Daardoor zijn deze concepten helemaal niet universeel.