Home Liefde Smaak voor het leven
Liefde

Smaak voor het leven

Door Marc van den Bossche op 05 december 2005

10-2005 Filosofie magazine Lees het magazine

'Elk leven berust op hoop.' Jean Grondin zoekt op een luchtige manier, haast kinderlijk naïef, naar de zin van het leven.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

 
‘Ik denk, dus ik ben’. Descartes kwam daar bij uit na een proces van grondige twijfel te hebben doorgevoerd. Wat ons, eindige en onvolmaakte wezens, nog restte was tenminste dat: als je twijfelt dan denk je. Vanuit die zekerheid konden we dan de rest gaan opbouwen. Zo dacht Descartes. Maar is dat zo? Zou het niet veel plausibeler zijn om die befaamde uitspraak op z’n kop te zetten? Dan krijg je: ik besta, dus ik denk.
Pas na die grondige chirurgische ingreep begint de Canadese filosoof Jean Grondin zijn vraag naar de zin van het leven. Dat denken betreft vooral de zin van dat bestaan. Wat doen wij hier? Waarom en voor wie zijn we er? Wat valt hier uit te richten?

Grondin, gepokt en gemazeld in de hermeneutische traditie, neemt deze vraagstelling zeer ernstig. Hij doet dat echter op een luchtige manier. Verluchtend en verlichtend neemt hij de lezer mee in een onbevangen queeste. Hij vraagt vaak haast kinderlijk naïef. Zijn boek wandelt, Fluisterend laat hij horen dat we slechts kunnen hopen dat er zin is. Bewijzen kunnen we dat niet. Maar willen wij echt uitgaan van het tegendeel? ‘Elke filosofie, elk leven berust op hoop.’ Grondin wil ons daar graag van doordringen. We delen een ervaring van eindigheid. De zin van het leven, de richting die we onvermijdelijk uit gaan, is uiteindelijk de dood. Omdat dit zo is, moéten we wel de vraag stellen waar de titel van dit boek aan refereert.
 

Geworpen

Grondin is een bescheiden gids, al is zijn kennis van de filosofiegeschiedenis zeer grondig. Toch slaat hij de lezer niet met citaten om de oren. We kunnen alleen zelf een antwoord bedenken, geeft hij hem mee. Maar ook al gaat het om een denken van het ik, dit ik streeft er bij voorkeur naar ook een wij te zijn. Descartes trok alles in twijfel, en meende de mens als een onbeschreven blad te kunnen zien, een quasi maagdelijk individu, niet beroerd door de wereld, door anderen. Dit boek toont dat wij altijd al beschreven zijn. Bij onze geboorte worden we meteen ontmaagd, geworpen in een cultuur en een traditie die ons denken een bepaalde kleur geven.

Wij zijn in die zin dus niet autonoom. Die maagdelijkheid zijn we verloren omdat we –excuses voor de terminologie – gepakt, genomen zijn door iets anders en door de ander. Van daaruit kunnen we aan een rijpingsproces beginnen. Voor Nietzsche had het leven slechts zin voor een wezen dat het leven in eigen handen neemt. Als dat leven een palet is en je krijgt al bepaalde kleurtjes verf mee, dan kun je die nog gaan mengen. We zijn geworpen, maar ook ontwerpend. Kunstenaars laten de dingen in zich tot spreken komen, en creëren vervolgens nieuwe betekenishorizonten.

Grondin laveert op heel kunstige wijze tussen die feitelijke, cultureel bepaalde gegevenheid en de vraag hoe we onszelf existentieel kunnen voeden door. Zijn denken heeft iets van een fijnproeverij: filosofie zou er moeten toe leiden dat we een smaak voor het leven ontwikkelen. We kunnen vatbaar zijn voor allerhande indrukken. Zoals we onze reukzin Kunnen ontwikkelen, zo kunnen we ook een gezindheid cultiveren om van het leven te genieten. Filosofie houdt zich dan bezig met wat het leven waard maakt om doorvoeld te worden. We leren er dingen naar waarde schatten.

Maar wat is dan die zin? Zin is datgene waarin we ons handhaven. Zin is wat ons gestalte geeft en waarop we ons oriëntateren. Dat betekent ook dat je geen zin gaat zoeken buiten het leven. Zin is expressie en drukt zich uit in wat je doet. ‘Zin is eerst de betekenis die zich van ons meester maakt, die ons meesleept en die ons ergens naartoe leidt.’ De zin van ons handelen steunt op de gewaarwording van een zin die ons in vervoering brengt. Tegelijkertijd ontglipt die ons steeds. Die zin heeft met de vraag naar geluk te maken. Denk dan over geluk op z’n Frans: bonheur, het goede uur. Dat wil zeggen: het is niet blijvend. Maar het kan altijd terugkomen. Die hoop geeft ons voedsel. Waarom zouden we dat weigeren?