Home Sport Nathanja van den Heuvel: ‘Ik ben een straatfilosoof’
Sport

Nathanja van den Heuvel: ‘Ik ben een straatfilosoof’

Door Florine Keus en Claudia Galgau op 29 juni 2017

Nathanja van den Heuvel: ‘Ik ben een straatfilosoof’
07-2017 Filosofie magazine Lees het magazine

Deze zomer is Nederland voor het eerst in de geschiedenis gastheer van het EK vrouwenvoetbal. Filosoof Nathanja van den Heuvel over de regels van het spel en de lastige positie van de vrouwelijke voetballer.

‘Doe maar buiten, ik voel me echt een straatfilosoof’, antwoordt Nathanja van den Heuvel op de vraag waar we de foto voor het interview moeten nemen. Ondanks haar balletverleden vindt ze de klassieke uitstraling van de Universiteit Leiden, waar ze als filosoof werkt, niet bij haar passen. ‘Dansen was wel echt mijn passie, maar ik was niet alleen ballerina, ik deed ook aan judo. Ik was ook fanatiek met schoolvoetbal, ik herinner me nog dat mijn vader ons een dag gecoacht heeft. Maar tegenwoordig ben ik geen groot voetbalfan meer. Ik vind die wereld af en toe best wel lastig.’

Tekst loopt door onder afbeelding

Fotografie: BMfotografie

 
Van den Heuvel dompelde zich onder in de vrouwenvoetbalwereld, en kwam er tijdens haar onderzoek achter dat die minder rooskleurig is dan ze zich had voorgesteld. ‘Ik begon met een feministisch beeld: vrouwen die achter het aanrecht vandaan zijn gekomen en hun lichaam exploreren, maar dit zag ik niet terug in de topsport. Waar ik in mijn onderzoek achter kwam was dat de wereld van vrouwenvoetbal heel erg op de wereld van mannenvoetbal wil lijken.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

PIJN

Vrouwen in topvoetbal spiegelen volgens Van den Heuvel de houding die mannenspelers hebben tegenover pijn. ‘Er bestaat in mannenvoetbal het idee dat voetbal pijn lijden is en dat echte mannen daar niet voor terugdeinzen. Vrouwenvoetballers houden zichzelf ook voor dat voetbal pijn lijden is, en dat het de bedoeling is dat je die pijn overwint, omdat je anders een zwak meisje bent.’

Wat het voor vrouwelijke spelers nog lastiger maakt, is dat ze continu geconfronteerd worden met tegenstrijdigheden binnen hun eigen identiteit. ‘Aan de ene kant willen ze áls een man spelen en een man zíjn op het voetbalveld. Ze lijken zelfs haat en afschuw te hebben voor vrouwelijke waarden en spreken minachtend over “meisjesgedrag”. Maar ter compensatie kleden sommige vrouwen zich wel expliciet vrouwelijk buiten het voetbalveld. Ze willen er namelijk ook niet van verdacht worden dat ze zich een echte man zouden voelen.’ 

Dit conflict maakt het voor vrouwelijke spelers moeilijk om positief te denken over hun eigen identiteit. ‘De spelers verinnerlijken heel sterk het idee dat ze niet zoals de mannen zijn, en dus niet goed genoeg. Dat de mannencompetitie een soort platoonse hemel is, en de vrouwencompetitie alleen maar een laffe afspiegeling daarvan.’

Waren de spelers waarmee u gepraat hebt daar kritisch over?
‘Ze vinden het wel oneerlijk dat ze niet evenveel verdienen als de mannen, dus in die zin hebben ze wel een feministisch hart. Maar dat zouden ze nooit zo noemen.’
 
Volgens Van den Heuvel zijn topsporters niet bezig met vraagstukken over emancipatie. ‘Ze zijn zo gedisciplineerd en zitten zo in hun sport dat ze nergens anders meer mee bezig zijn.’ Niet alleen lichamelijk, maar ook verbaal zijn ze continu op hun hoede. ‘Ze krijgen mediatraining en zijn erg angstig om verkeerde dingen te zeggen. Er mag ook geen kritiek worden geuit op trainers of coaches.’

Er is in het vrouwenvoetbal op topniveau dus heel weinig ruimte voor verzet of rebellie. ‘Dit viel me echt tegen’, zegt Van den Heuvel. ‘Je kunt niet eens geinen: de speelsters zijn superserieus. Als ze een grapje maken, worden ze ervan beschuldigd de sport niet serieus te nemen.’ Van den Heuvel ziet wel dat er vrouwen in de topsport zijn die laten zien dat het anders kan. ‘Dafne Schippers zou kunnen functioneren als rolmodel. Ook al heb ik moeite met het idee van een rolmodel.’ 
 
Waarom?

‘Een rolmodel belichaamt soms een wel erg lastig te bereiken ideaal van perfectie. Neem Dafne Schippers: ze is topsporter én verschijnt in de media met mooie make-up én ze kan ook nog eens gezellig kletsen. Als je dat niet allemaal kunt, is het gevaar dat je gefrustreerd raakt en je mislukt voelt, in plaats van dat je bevrijd en geïnspireerd wordt. Rolmodellen worden problematisch als ze van een bepaalde rol een maatschappelijke norm maken, waardoor vrouwen zich verplicht voelen die rol te vervullen. Maar ze kunnen ook bevrijdend werken, omdat ze je kunnen laten zien dat je een keuze hebt in de identiteit die je uitdraagt. Meisjes zijn niet verplicht om jurken te dragen en te balletten.’
 
Een speler uit het huidige vrouwenelftal, met wie Van den Heuvel heeft gepraat, wil een rolmodel zijn voor meisjes én voor jongens. ‘Ze draagt vooral uit dat je niet hoeft te doen wat de norm is, maar dat je kunt doen wat bij je past en wat je graag wilt. Je hoeft jezelf niet te beperken. Je kunt judoka, filosoof én ballerina zijn.’