Home Moraal met een wiskundig fundament

Moraal met een wiskundig fundament

Door Geneviève Rodis-Lewis op 05 maart 2013

05-2003 Filosofie magazine Lees het magazine
De twee voorliefdes van Descartes, wiskunde en ethiek, lijken onverenigbaar. De grondslagen van de wiskunde zijn stevig, maar slechts nuttig voor technische doeleinden; de geschriften over ethiek werden voorgesteld als ‘schitterende paleizen’, maar zonder stabiel fundament. Descartes gaat op zoek naar een synthese. Een voorpublicatie uit een onlangs vertaalde biografie.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Tegen het eind van zijn studiejaren aan het jezuïetencollege La Flèche zocht Descartes naar antwoorden op vragen die hij tegenkwam in geschriften die buiten het onderwijsprogramma vielen. Zo had hij ‘alle boeken doorgenomen’ over de wetenschappen ‘die als de meest merkwaardige en zeldzaamste worden beschouwd’. Zijn leermeesters hadden genoeg vertrouwen in zijn kritische zin om hem zelfs alchemistische en astrologische teksten te lenen, en de overtuiging dat zogenaamd magische verschijnselen zich op ‘natuurlijke’ wijze laten verklaren, zou hem behoeden voor al te overdreven verbazing. Hij zal zich hoe langer hoe meer toegelegd hebben op enkele echte problemen en er steeds op uit zijn geweest om in zijn eentje de oplossing van een opgave te vinden: ‘hoewel ik nog jong was’, schreef hij in zijn eerste register, ‘legde ik mij erop toe er zelf uit te komen.’ Aldus werd de cartesiaanse onafhankelijkheid ten opzichte van gangbare opvattingen ontwikkeld: wat hem nog ontbrak waren exacte probleemstellingen en een geordende beantwoording.
 

Gratis onderwijs

Het onderwijs was voor iedereen gratis, uitsluitend de pensionkosten moesten betaald worden. De twaalf- à veertienhonderd leerlingen kwamen uit alle milieus; onder hen waren ook kinderen van handelaren en boeren. Descartes prees de verscheidenheid van deze ‘jonge lieden’, die afkomstig waren ‘uit alle Franse windstreken […]. Hun onderlinge gesprekken leerden hen bijna evenveel als wanneer zij gereisd zouden hebben. En ten slotte is de gelijkheid die de jezuïeten tussen hen instelde, door de rijke kinderen nauwelijks anders te behandelen dan die van zeer eenvoudige afkomst, een heel goed idee’, vooral als zij erg verwend waren door hun ouders. De hygiënische omstandigheden waren voor die tijd uitstekend: bij de ingang van de refter stond een wasbekken, er was een van de slaapzalen gescheiden ziekenzaal, en verder weg, bij de (voor leerlingen verboden) achterhof was een kamer speciaal voor besmettelijke zieken. (In 1613 deed zich een epidemie van dysenterie voor.)
 
Ondanks zijn zwakte had Descartes weinig grote problemen met zijn gezondheid, afgezien van de ‘belroos’, die hem zijn eerste aderlating bezorgde. Hij zal altijd mager zijn gebleven, maar taai. Wegens zijn zwakke gezondheid hoefde hij ’s ochtends niet om vijf uur (na een nacht van acht uren, men ging omstreeks negen uur naar bed) op te staan. De ‘kamerbewoners’ voegden zich bij de andere kostschoolleerlingen voor een gemeenschappelijk gebed. Indien de kamer van Descartes was verplaatst naar het nieuwe gebouw, had hij in zijn halfslaap vaag de klok van de algemene reveille kunnen horen. Later vermengde hij de laatste droom van een gedenkwaardige nacht met het begin van een halfbewuste uitleg. En hij sliep graag ‘alle nachten tien uur’. Bracht men hem even na 8 uur zijn ontbijt, nadat zijn kameraden het hadden gekregen? Deze maaltijd scheidde de beide studieperioden van elkaar, waarin er werd overhoord en waarin de lessen werden opgezegd. Descartes zal zich om tien uur bij hen gevoegd hebben voor de mis, gevolgd door de hoofdmaaltijd en daarna twee uur zelfstandig werk.
 

Plezier in wiskunde

Hij raakte in zijn laatste jaar teleurgesteld in het theoretische onderwijs in de ethiek. Hoewel hij niet wil spreken over de filosofie, contrasteert hij de twee vakken die haar vergezellen, wiskunde in het tweede jaar en ethiek in het derde. De grondslagen van de wiskunde zijn stevig, maar ‘zij deden slechts dienst voor ambachtelijke technieken’ (‘artes ’); ‘de geschriften van de oude heidenen over de zeden daarentegen’ werden voorgesteld als ‘schitterende paleizen’ zonder stabiel fundament. ‘Ik had vooral plezier in wiskunde’ – dat was de meest positieve bijdrage van deze schooljaren. Vanwege zijn interesse en zijn uitzonderlijke vermogens heeft Descartes, buiten de aanvullende lessen die aan de meest begaafden werden gegeven, waarschijnlijk ook mee mogen doen met degenen die werden opgeleid tot docent: ‘Ik had niet de indruk dat ik de mindere werd geacht van mijn medeleerlingen, hoewel er onder hen al enkelen waren bestemd om het werk van onze leermeesters over te nemen.’
 
Tijdens het laatste jaar ging metafysica samen met een leergang ethiek, die vaak, en waarschijnlijk ook hier, werd toevertrouwd aan een docent literatuur; hier maakte men kennis met de ‘schitterende paleizen’ van de ‘antieke heidenen’; maar het ‘schitterende’ verwijst in plaats van naar de aristotelische deugden naar die van de stoïcijnen, die hun ideale wijze mens zo hoog boven het menselijk bestaan stelden, dat hij geen verdriet voelde, noch felle smart: dit ‘is louter ongevoeligheid’ (in het Grieks, apatheia, ‘afwezigheid van iedere lijdelijkheid en ook van elke hartstocht’) ‘of hoogmoed’. En wanneer Descartes, die er afkerig van was zelf over ethiek te schrijven, door prinses Elisabeth later daarover wordt ondervraagd, zal hij in de eerste plaats verwijzen naar Seneca’s traktaat De vita beata. Waar de overmatige hoogmoed – die maakte dat de wijze onkwetsbaar leek – in het onderwijs werd aangeklaagd, werden de moed en het verzet tegen de slagen van het lot voorgesteld als bewonderenswaardig. Wanneer Descartes in het derde deel van de Discours ‘voorlopige’ morele regels uiteen zal zetten, zonder theoretische basis, zal hij aan de stoïcijnen de derde stelregel ontlenen: ‘Altijd trachten mijzelf te bedwingen en niet het noodlot, mijn verlangens te veranderen en niet de loop der dingen’. Wanneer we falen, nadat we onze uiterste best hebben gedaan, moeten we elke spijt uitbannen, omdat het succes niet binnen ons bereik lag.
 
Dit zijn fragmenten uit Descartes; Biografie, door Geneviève Rodis-Lewis, vert. Ronald Kuil en J.M.M. de Valk, 352 blz., _ 38,50. Dit boek verschijnt deze maand bij uitgeverij Klement.
 
René Descartes

Naam: René Descartes
Geboortedatum:  31 maart 1596 te La Haye (nu het plaatsje Descartes), Frankrijk.
Sterfdatum: 11 februari 1650 te Stockholm, Zweden.
Opleiding: Jezuïetencollege in La Flèche en rechten in Poitiers
Bevriend met: Isaac Beeckman, Constantijn en Christiaan Huygens, Elisabeth van der Palts
Geïnspireerd door: Galileï, Isaac Beeckman en het renaissancistische scepticisme
Themas: De ‘methodische twijfel’. Aan alles moest getwijfeld worden totdat men stuitte op iets dat onbetwijfelbaar is. Dit onbetwijfelbare was volgens Descartes het cogito (‘ik denk’): het is zeker dat ik denk, want ook als ik twijfel, denk ik. Hiermee vond Descartes in de mens iets dat meer zekerheid bood dan de Openbaring. Dit maakte zijn leer omstreden. Descartes had het aangedurfd om aan alles te twijfelen, en dus ook aan God.
Descartes onderscheidde res cogitans van res extensa: ‘denkende’ en ‘uitgebreide’ dingen. De mens bestaat uit beide: geest en lichaam. Hoe die twee met elkaar samenwerken was voor Descartes onderwerp van voortdurend onderzoek. Na uitgebreid anatomisch onderzoek concludeerde hij dat de pijnappelklier de verbinding tussen het geestelijke en het lichamelijke mogelijk maakte.
Hoofdwerken: Discours de la méthode (1637), Meditationes de prima philosophia (1641), Principia philosophiae (1644), Les passions de l’âme (1649)
Bekende uitspraken:
‘Ik denk dus ik ben.’
‘Als je echt op zoek wilt gaan naar waarheid, moet je op zijn minst één keer in je leven aan alle dingen twijfelen.’
‘Besluiteloosheid is de laagste graad van vrijheid.’
Inspireerde: vrijwel iedereen na hem. Descartes wordt de vader van de moderne filosofie genoemd
Opmerkelijk: Descartes woonde een groot deel van zijn leven in Nederland. Door bijna jaarlijks te verhuizen hoopte Descartes vervolging te voorkomen. Zijn filosofie was dermate omstreden dat een discussie over zijn Discours de la méthode in de Leidse universiteit uitliep op een vechtpartij. De politie moest de universiteit ontruimen.
In 1649 trok Descartes op verzoek van koningin Christina van Zweden naar Stockholm. Zij wenste les van hem te krijgen. De reis werd hem echter fataal. Descartes was gewend laat zijn bed uit te komen. De prinses liet hem echter om vijf uur 's ochtends opdraven. Op een van zijn dagelijkse wandelingen naar de prinses liep hij een dodelijke longontsteking op. Hij stierf in 1650, nog geen jaar na zijn aankomst in Stockholm. Zijn lichaam werd in Parijs bijgezet in het Panthéon.