Home Marli Huijer: Žižeks val

Marli Huijer: Žižeks val

Door Marli Huijer op 30 juni 2015

07-2015 Filosofie magazine Lees het magazine

Als een politieagent een voorbijganger op straat aanroept met: ‘Hé, jij daar!’ en deze keert zich om, verandert hij subiet in een verdachte, zowel in de ogen van de agent als in die van hemzelf. Zo werkt ideologie, schrijft Louis Althusser. Door zich naar de agent te keren, erkent de voorbijganger het gezag (de ideologie van de staat) en stemmen beiden ermee in dat de één drager van het gezag is en de ander verdacht.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Zolang ze daarin volharden blijft de ideologie intact: de voorbijganger zal zich ook een volgend keer aangesproken voelen.
Toen Slavoj Žižek me voorafgaand aan een publiek interview begroette met ‘Hope you’re not a feminist, ‘cause I’m a male chauvinist pig’ trapte ook ik met open ogen in de val van de aanroep. ‘That’s no problem’, antwoordde ik, ‘I am a feminist bitch’.

Volgens Žižek is elke identiteit gebaseerd op een fundamenteel tekort, dat zich slechts via een ander laat opheffen. Zijn tekort wordt opgeheven door de aanwezigheid van een feminist bitch (FB). Zonder haar bestaat de male chauvinist pig (MCP) niet. Het verschil met de ander is nodig om jezelf te kunnen zijn. Door de aanspreking ‘Hé, feminist!’ en mijn impliciete acceptatie van die aanroep, veranderden wij beiden van individuen met een naam (Žižek/Huijer) in subjecten (MCP/FB) die aan een bokswedstrijd konden beginnen.

In de artiestenkamer in de Westerkerk vertelde Žižek me ook nog dat het hem nooit lukte om op te houden met spreken. ‘Je moet iets doen om me te stoppen.’ Daarmee lag een tweede tekort op tafel. Maar hoe dit aan te vullen? De zweep erover? Dat zou wederom naadloos aansluiten bij de mij toegedichte identiteit. Met Judith Butler in mijn achterhoofd realiseerde ik me dat je de aangereikte identiteit ook kan weigeren. Je hoeft je niet aangesproken te voelen door de ander. Ik tikte Žižek op de schouder en vroeg hem: ‘Helpt het als ik je even aanraak?’
Hij huiverde. En knikte.

Eén moment waande ik me meesteres over de situatie, maar nu was ik binnengetreden in het door Žižek opgezette frame van de seksuele fantasie. Want alleen in dat frame is de aanraking door de ‘echte ander’, die van vlees en bloed, niet traumatisch en dus te verdragen. Althans volgens de Meester zelf.

Ik heb mijn lesje geleerd. Mocht ik Žižek nog eens ontmoeten, dan zal ik op zijn vraag ‘Bent u een feminist?’ antwoorden: ‘Ik ben een filosoof’.
En zo zal ik vermoedelijk voor de derde maal in de val van Žižek lopen.