Home Literaire zone: gedichten van René Char

Literaire zone: gedichten van René Char

Door Simone Bassie en Michel Dijkstra, Simone Bassie en Michel Dijkstra op 22 april 2008

04-2008 Filosofie magazine Lees het magazine

In 1940 werden op de grotwanden van Lascaux prehistorische tekeningen ontdekt van dieren. René Char schreef er een gedicht over: ‘Het onnoembare Beest’.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

HET ONNOEMBARE BEEST

Het onnoembare Beest loopt
als een kluchtige cycloop
achter de bevallig voortgaande kudde aan.
Acht kwinkslagen sieren het op,
zaaien tweestrijd in zijn waanzin.
Het Beest boert met hart en ziel
in de landelijke lucht.
Zijn volgepropte en afhangende flanken zijn
pijnlijk, zij gaan zich van hun
zwangerschap ontdoen.
Vanaf zijn hoef tot aan zijn ijdele horens
wordt hij door stank omgeven.
Zo verscheen mij op het fries van
Lascaux, als grillig vermomde moeder,
de Wijsheid met ogen vol tranen.

Het gedicht ‘Het onnoembare Beest’ van René Char dient als motto van het essay Het Beest van Lascaux, geschreven door de Franse filosoof Maurice Blanchot. In tegenstelling tot de gangbare mening dat een schrijver iets wil vertellen, beweert Blanchot (1907-2003) dat de ‘echte’ auteur er juist naar streeft om niets te zeggen. Schrijven is dan ook een paradoxale aangelegenheid: de echte auteur bevindt zich in een gebied dat buiten het zegbare ligt, maar voelt zich toch gedwongen om te schrijven.

Hoewel hij vertwijfeld is over het onvermogen van de taal om het onzegbare uit te drukken, kan hij het niet laten om de pen ter hand te nemen. Blanchot illustreert deze schrijversparadox met het voorbeeld van een dwangneuroticus wiens zieke hand steeds een potlood grijpt terwijl zijn gezonde hand dat weer afpakt. Vanzelfsprekend is de hand die niet schrijft voor Blanchot het belangrijkst.

Een auteur ontleent zijn waarde aan het feit dat hij niets te zeggen heeft. Dit betekent echter niet dat hij wel kan stoppen met zijn werk. Integendeel, volgens Blanchot kan een schrijver door de taal laten zien dat hij niets te zeggen heeft; hij zwijgt met woorden. Een auteur kan de taal zo gebruiken dat die een verwijzing naar ‘het niets’ wordt. Het niets van de schrijver is overigens niet hetzelfde als nihilisme. Met het woord ‘niets’ verwijst Blanchot namelijk niet naar iets dat niet bestaat, maar naar het onzegbare dat aan het ‘zijn’ en ‘niet-zijn’ voorafgaat. Hij duidt dit niets ook aan met de paradoxale frase ‘wereld voordat de wereld er is’: een wereld zonder taal. In later werk introduceert Blanchot enkele equivalenten van het niets, zoals ‘het onbekende’ en ‘het neutrale’. Al deze termen verwijzen naar de ware werkelijkheid, het objectloze dat buiten de taal aanwezig is.

Bliksemflits
Iemand die het neutrale volgens Blanchot goed kon benaderen, was de dichter René Char (1907-1988). Char was een poëtisch wonderkind dat op zijn tweeëntwintigste al de aandacht van de beroemde dichter Paul Éluard trok met een in eigen beheer uitgegeven bundel. Prompt nodigde Éluard de jongere poëet uit om zich aan te sluiten bij zijn surrealistische kring. Char werkte mee aan enige surrealistische publicaties, maar wendde zich later van deze stroming af, omdat men daarin het schrijven van poëzie te veel als een onbewust proces beschouwde. Dankzij zijn buitengewoon geconcentreerde, door complexe metaforen gedomineerde oeuvre staat Char bekend als een van de meest hermetische dichters uit de twintigste eeuw. Zijn poëtische aforismen worden vaak vergeleken met de fragmenten van de presocraten. Een fraai voorbeeld van Chars stijl is het volgende aforisme: ‘Mochten we wonen in een bliksemflits, dan is die het hart van de eeuwigheid.’

Wat Blanchot in Char aantrok, was diens bewondering voor Heraclitus, de Griekse wijsgeer die ‘het neutrale’ met zijn duistere, paradoxale taal aanduidde. Net als Heraclitus probeert de dichter namelijk een taal te ontwikkelen die het onuitsprekelijke mysterie van de werkelijkheid ‘noch ontsluiert, noch verbergt’, maar alleen tekens geeft. Volgens Blanchot slaagt Char zo goed in deze opzet dat hij ‘het onbekende als onbekende’ bewaart. De dichter doet geen enkele poging om het neutrale in begrippen te vangen, maar toont het in zijn aforistische poëzie.

In Het Beest van Lascaux, het langste essay dat Blanchot over Char geschreven heeft, vergelijkt hij de dichter met het orakel van Delphi. Zoals het orakel niet zélf spreekt, maar slechts een instrument van de goden is, zo heeft de dichter zijn eigen ‘ik’ opgegeven opdat de taal van het neutrale door hem kan spreken. Dankzij deze ontlediging is de dichter in staat om vanuit de oorsprong te spreken, vanuit ‘de wereld voordat de wereld er is’. Deze taal van de oorsprong heeft volgens Blanchot een profetisch karakter: ‘Dat wil niet zeggen dat hij de toekomstige gebeurtenissen voorspelt, maar wel dat deze taal geen steun zoekt bij iets dat er al is. […] Deze taal kondigt aan, omdat hij begint. Hij wijst naar de toekomst, omdat hij nog niet spreekt, daar hij zelf als een profetische taal is, die altijd voor zichzelf uitgaat, omdat hij zijn betekenis en rechtvaardiging voor zich heeft.’

Het bijzondere van Chars poëzie is dat de dichter als het ware terugtreedt voor de taal. Blanchot stelt dan ook dat Char zelf niets te zeggen heeft, maar met woorden zwijgt, waardoor zijn lezers het mysterie van de oorsprong kunnen ervaren. Deze verwijzende taal van de dichter is overigens allesbehalve metafysisch: deze is nauw verbonden met het hier en nu, en met het lot van de huidige mens. Bovendien ‘waarborgt en introduceert’ het dichterlijke woord ‘het diepe leven en de vrije communicatie van alles’. Chars taal is dan ook niet directief of gebiedend, maar geeft – juist omdat hij verwijst naar de oorsprong die aan alles voorafgaat – ruimte aan alle dingen van het universum. In Chars beeld van ‘het onnoembare Beest’ zag Blanchot een verwijzing naar deze vrije taal van de oorsprong. De strenge en hermetische woorden van het gedicht tonen de wijsheid van de oorsprong op een ondoorgrondelijke maar desondanks verhelderende manier, namelijk als een ‘grillig vermomde moeder’ op de prehistorische grotwand van Lascaux.