Home Levenslust in de nachtclub

Levenslust in de nachtclub

Door Jannah Loontjens op 27 juni 2017

Levenslust in de nachtclub
07-2017 Filosofie magazine Lees het magazine

Overdag studeerde ze filosofie, en ‘s nachts danste ze in de RoXY of de Supperclub. In de jaren negentig vierde Jannah Loontjens veelvuldig het einde van de twintigste eeuw. Wat ze daar ontdekte: niet de zin van het leven, maar de zin in het leven.

Ongeveer de helft van de eerstejaars filosofiestudenten met wie ik in de collegebanken zat, bleek op zoek te zijn naar de zin van het leven. De zin van het leven… Ja, wie zou die niet willen doorgronden? Maar de zin van het leven is de zin in het leven, bracht ik er half provocerend tegen in. Het merendeel van deze zoekende zielen haakte na het eerste jaar af; de studie bracht geen antwoord op die ene vraag. Filosofie bracht überhaupt weinig antwoorden. De studie bleek meer een oefening in het uitpluizen van vragen, vaak door de vragen op te delen in nog méér vragen. 

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Ik studeerde filosofie in de nineties. Een tijdvak als een zeepbel, gelukkig deinend op de florerende welvaart en de euforie na het beëindigen van de Koude Oorlog. In Duitsland was de Muur gevallen, in Zuid-Afrika werd Mandela president, in het Westen geloofden we in het slagen van de multiculturele samenleving. Ons recentste fin de siècle was voor mij een tijd vol optimisme en levenslust. Niemand was zich – althans in mijn omgeving – nog bewust van het uiteenspatten dat eraan zat te komen. 

Overdag studeerde ik filosofie en in de nacht werkte ik in de Supperclub of ging ik dansen in de RoXY of de Pallet Club. In die nachtelijke uren proefde je misschien wel de sterkste levenslust. Niet alleen omdat we met z’n allen, als één lichaam, op het pompende ritme van de housemuziek bewogen, maar ook omdat we verworven vrijheden en een lotsverbondenheid vierden. In de voorgaande decennia was er gestreden voor vrouwenemancipatie, tegen rassendiscriminatie, voor gelijke rechten voor homo’s, transgenders en queers. In de nachtclubs die ik bezocht, heerste een onbevangen vertrouwen dat de acceptatie van verschillen enkel zou toenemen, of die nu seksualiteit betrof, afkomst of religie. We waren allemaal deel van dezelfde ‘clique’, zoals de houseband Deee-lite het verwoordde op het album World Clique

Tekst loopt door onder afbeelding

Beeld: archief van Jannah Loontjens

Voor mijn boek Roaring Nineties ben ik dat merkwaardige tijdvak in gedoken, dat vandaag de dag zo wonderlijk optimistisch en onschuldig overkomt. De onbevangenheid van de nineties wordt evenwel niet door iedereen als positief aangemerkt; het decennium wordt vaak naïef genoemd. Als ik naar mezelf in die tijd kijk, naar mijn ongerichte wijze van leven, waarin ik mezelf veelal in absurde situaties, in het gezelschap van instabiele types terugvond, kan ik mezelf beslist naïef noemen. Maar wat bedoelen we eigenlijk als we een tijdvak naïef noemen? En was die naïviteit een voorwaarde voor de ongebreidelde levenslust? 

‘Naïef’ komt van het Latijnse nativus, dat ‘aangeboren’ en ‘natuurlijk’ betekent. Vandaar dat pasgeboren-kuiken-achtige dat aan het woord kleeft: kinderlijk, argeloos en onwetend. Ook wordt het gebruikt in de zin van ‘goedgelovig’ of ‘te goed van vertrouwen’. Als er geklaagd wordt over de naïviteit van de jaren negentig, richt die klacht zich voornamelijk op de onwetendheid, op de schijnbare bijziendheid. Hoe kan het dat men destijds het moslimextremisme niet zag aankomen, klinkt de kritiek. En er was zoveel ellende elders in de wereld! Er vond een genocide plaats in Rwanda, in Somalië woedde een burgeroorlog, in Joegoslavië was het oorlog, er arriveerde een enorme stroom aan immigranten uit de Balkan-landen. Hoezo optimisme en vertrouwen?

Waren we werkelijk zoveel minder op de hoogte, omdat we nog geen smartphones hadden waarop het wereldnieuws direct ons leven binnenkwam? Of wendden we ons moedwillig af om maar te kunnen feesten? Als het gaat over de blindheid van die tijd, vraag ik me weleens af of men tegenwoordig eigenlijk beter op de hoogte is. Nieuwsberichten verspreiden zich weliswaar sneller, maar ze zijn nog altijd zeer selectief. In bepaalde perioden weten we alles over Afghanistan, dan over Irak, dan over Syrië of de economische crisis in Griekenland. Maar vervolgens zakt het weer weg. En wie weet eigenlijk wat zich momenteel in Jemen afspeelt, waar miljoenen burgers op de vlucht zijn? We zijn altíjd slechts selectief op de hoogte, altijd halfblind, en in die zin naïef en onwetend.

Tekst loopt door onder afbeelding

Beeld: archief van Jannah Loontjens

Zalmjurk

De droom van een betere wereld, die niemand uitsluit, het geloof in een kosmopolitisch samengaan van individuen van verschillende culturele, religieuze en economische achtergrond, zoals die in de jaren negentig veelvuldig werd verwoord, was niet zozeer blind als wel vol strijdvaardig optimisme. Jongeren die waren opgegroeid met de voortdurende dreiging van atoomwapens en de angst voor escalatie tussen de Sovjetlanden en het Westen, waren uitzinnig van opluchting. De Europese Unie werd opgericht, we hadden de NAVO, apartheid werd opgeheven, er werd onderhandeld over kernwapenontmanteling.

Daarnaast waren er vele vrijheden bij gekomen; emanciperende bewegingen die in de jaren zestig opstonden, wierpen hun vruchten af. Al was er nog veel ellende op de wereld, we zaten op de goede weg. We konden ons geen pessimisme veroorloven.
Mijn ouders hadden mij in de jaren zeventig vol idealisme opgevoed. Een van de belangrijkste principes hierin was de acceptatie van de ander. Ieder individu werd getekend door grillen, angsten en verlangens; het ging erom die niet te onderdrukken, leerde ik, maar die bij jezelf en de ander te accepteren. Niet iedereen in mijn omgeving leefde volgens deze zo belangrijke regel. Maar toen ik als 18-jarige voor het eerst in de RoXY kwam, voelde ik me direct thuis. De RoXY en de Supperclub waren plekken waar excentriciteit werd gekoppeld aan exhibitionisme en verregaande tolerantie voor andermans idiosyncrasieën.

In acts en performances werden – veelal seksuele – grenzen opgezocht. Deels om te provoceren, maar ook om de vrijheid te celebreren waaraan deze clubs de ruimte gaven. Ik deed er graag aan mee. In de Supperclub droeg ik de zalmjurk: een witte jurk vol haakjes, waar rauwe zalm aan werd gehangen, zodat de gasten achterovergelegen op matrassen stukken vis van mij af konden plukken. Ook assisteerde ik de vrouw die op haar hoofd ging staan. Als zij haar benen omhooggooide en haar rok omlaagviel, waren haar billen bloot. Ze spreidde haar benen en vroeg me een oesterschelp tussen haar schaamlippen te plaatsen, waarna ik de gasten uitnodigde om de amuse te komen nuttigen. 
 

Hippiecredo

In mijn kindertijd hoorde ik vaak het hippiecredo Carpe diem. We moesten zo veel mogelijk van het leven genieten, het mooie en goede in de wereld bevestigen, onze innerlijke gevoelens uiten in toneel, tekeningen en verhalen. Deze losse, blijmoedige en opportune wijze van naar het leven kijken was in de nineties toch net even anders. Inmiddels hadden we de recessie van de jaren tachtig gehad, de punkbeweging, de angst voor de atoombom. Er was wel optimisme, maar er zat toch een harder randje aan. Terwijl ik was opgevoed met het idee dat geld corrumpeerde, dat je van de wind zou moeten kunnen leven en altijd zelfvoorzienendheid moest nastreven, zaten we in de jaren negentig in de bloei van het kapitalisme.

In mijn vriendenkring was niet zozeer het rozengeurende Carpe diem de leefregel als wel Amor fati: hou van je lot, hou van datgene wat onvermijdelijk is. Een credo dat ik reeds van Nietzsche kende, die in De vrolijke wetenschap stelt dat hij een ‘jazegger’ wil zijn, dat hij het leven in al zijn tegenslagen wil bevestigen en ook het lelijke wil omarmen. Dit is tevens een reactie op een wereld waarin onheil niet langer als een straf van God kan worden gezien. Als we alles ofwel aan onszelf, ofwel aan het noodlot te danken hebben, kunnen we ook de donkere zijdes maar beter omarmen als deel van het leven.

Tekst loopt door onder afbeelding

Beeld: archief van Jannah Loontjens

 

Fin de siècle

Zodra je over een ‘tijdgeest’ spreekt, begin je natuurlijk te generaliseren. Ja, er was optimisme maar er was ook een sterk gevoel van lethargie, van verzadiging en nihilisme. Dit uitte zich in grungemuziek, in literatuur van Generatie Nix en in typische jarennegentigfilms zoals Fight Club en Pulp Fiction, waarin het leven een toevallige aaneenschakeling van gebeurtenissen lijkt. In Fight Club zegt de hoofdpersoon Tyler (Brad Pitt): ‘We have no great war, no great depression.’ Geweld was in deze films leeg en zinloos, gespeend van elk idealisme. Er was niets om voor te strijden, en de gemoederen werden enkel gesust door te consumeren: ‘Advertising has us chasing cars and clothes, working jobs we hate so we can buy shit we don’t need.’ 

Het idee dat alle strijd al gestreden was, ging samen met de nadering van het einde van de eeuw. Ik las in die tijd bij voorkeur werken van fin-de-siècleschrijvers als Oscar Wilde, Charles Baudelaire of Joris-Karl Huysmans, en spiegelde onze tijd aan die van hen. In deze literatuur is tevens de idee terug te vinden dat het einde van de eeuw ook een einde van de beschaving meebrengt, waardoor de schrijvers het deden voorkomen alsof Europa afstevende op perverse decadentie. Hoewel de geest van de negentiende-eeuwse fin-de-siècleschrijvers voor mijn gevoel duisterder was dan het esprit van de nineties, herkende ik het verlangen naar overgave aan genot en de aandacht voor schoonheidsbeleving. Het was een schoonheidsbeleving die een kortstondig moment van verlossing suggereerde. In het genotsmoment oversteeg je de tragiek van de vergankelijke menselijkheid; de zin van het leven transformeerde daadwerkelijk in de zin in het leven. 

Tegenwoordig kun je online moeiteloos gelijkgestemden vinden, maar in de nineties moest je zorgen dat je op de juiste tijd op de juiste plek was om je opvattingen met anderen te kunnen delen – om bijvoorbeeld Baudelaire, de toekomst, ingewikkelde seksualiteit of het idee van Amor fati te kunnen bespreken. Mensen trokken vanuit uithoeken van het land naar Amsterdam om in de nachtclubs te dansen, te praten en te vrijen met gelijkgezinden. Ik leerde een vriendengroep kennen uit Sneek. Gekleed in hun gewone broeken en truien namen ze de trein vanuit Friesland. Op Amsterdam CS aangekomen propten ze hun alledaagse kloffie in een locker en trokken hun uitzinnige pakken aan. Deze reis ondernamen ze elke week. Misschien was die noodzaak om werkelijk op één plek samen te komen wel een van de redenen van de extatische sfeer in nachtclubs als de RoXY, de Supperclub of de Pallet Club. Het besef dat we de laatste jaren van een krankzinnig veelbewogen eeuw doormaakten verhoogde de intensiteit van het moment. Enerzijds naderde er een groot einde, anderzijds gloorde er een maagdelijk nieuw begin aan de horizon. In het jaar 2000 zou alles sprankelen, alles lag open. We voelden dat er nieuwe tijden zouden aanbreken, met nieuwe, ongekende mogelijkheden. Maar eerst moest het afscheid van die vreselijke, gruwelijke, moorddadige, maar ook vernieuwende en veranderlijke eeuw veelvuldig gevierd worden.