Een tijd geleden stond ik na een lezing nog even te praten met wat vrienden. Een van hen had zijn jongere zusje Julia meegenomen, geboren in 2006. Ze had iets onpeilbaars over zich waarop ik pas achteraf de vinger kon leggen: in de natuurlijke pauzes van het praten verbrak ze geen oogcontact, maar bleef ze kijken naar de laatste persoon die iets had gezegd. Het gaf haar iets zelfverzekerds. Waar kwam dat vandaan?
Ik heb er niet meer aan gedacht tot ik laatst een essay las van Walter Benjamin. Daarin citeert hij een man uit de begintijd van de portretfotografie, Karl Dauthendey, die beschrijft hoe men aanvankelijk niet te lang naar foto’s durfde te kijken. ‘We waren huiverig voor de duidelijkheid van de mensen en dachten dat de kleine, nietige gezichten óns konden zien.’
Je lichaam was niet gewend dat je kon blijven kijken
Je wilde niet staren, en leerde dat niet meteen af. Je begreep best wat een foto was, maar je lichaam was er nog niet aan gewend – dat je naar een gezicht kon blijven kijken.
Maar Julia’s generatie heeft twee schooljaren door een laptopscherm geleefd. Ik vroeg me af of de beleving van Dauthendey zich na twee eeuwen aan fotografie had omgekeerd. Eindelijk verlost van onze schroom.
Even tussendoor …
Meer lezen over filosofie? Schrijf je in voor de gratis nieuwsbrief:
