Home Groots essay: IK

Groots essay: IK

Door Ger Groot op 05 maart 2013

01-2003 Filosofie magazine Lees het magazine
Tussen wijsbegeerte en literatuur zweeft onbestemd het essay: te persoonlijk voor de filosofie, te betogend voor de letteren. Naar aanleiding van een of meer recent verschenen essays schrijft Ger Groot maandelijks een beschouwing halverwege tussen essay en column. Een beginselverklaring opent de reeks: over de vraag waarom de filosofie het niet zonder het essay kan stellen.
 

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Wat zeggen filosofen als ze ‘ik’ zeggen? Toegegeven, dat doen ze niet graag. Zo veelvuldig als ze over ‘het ik’ spreken – die vreemde persoon in het diepst van hun gedachten die zich altijd weer achter zichzelf verschuilt – zo terughoudend zijn ze ermee zichzelf al schrijvend op te voeren. Daar hebben ze goede redenen voor. Liefst spreken ze over algemene waarheden met een universele strekking en daar hoort geen ‘ik’ bij. Met zo’n pretentie is iedere poging tot bescheidenheid bij voorbaat misplaatst.

Is het woord ‘ik’, in de mond van iemand die de pen opneemt, bovendien wel zo bescheiden? Wie schrijft en het resultaat daarvan ook nog eens publiceert, matigt zich heel wat aan. Hij wil gelezen worden, liefst met enige aandacht, en daar zal de lezer aan geloven. Wie dan toch discretie wil doen voorkomen, foefelt zijn overmoedigheid weg achter achterbaksheid of overschreeuwt hem in hoogmoed. Luid uitgetoeterd (‘IK zeg dit’) of quasi-bescheiden (‘ik zeg het maar’) heeft het i-woord in de filosofie altijd iets van valsheid in geschrifte.
Zo dubbelzinnig lag het voor de vroegmoderne filosofen nog niet. Descartes schreef zijn Discours de la méthode ongegeneerd in de eerste persoon, al laat ook zijn zelfrelativering (‘Ik heb nooit gemeend in enig opzicht meer begaafd te zijn dan anderen’) wel enige ruimte voor twijfel. En hoe goedgelovig kunnen we zijn bij het lezen van de openingszin van Montaignes Essays: ‘Dit, lezer, is een eerlijk boek’? Naast de filosofie van het wantrouwen echoot ook Nixons fameuze ‘I’m not a crook’ decennia na dato nog ongemakkelijk in het achterhoofd na.

‘Ik wil dat men mij in mijn gewone doen ziet, eenvoudig en natuurlijk,’ schrijft Montaigne en we geloven hem maar half. Volgens Freud mogen we niet eens onszelf meer vertrouwen en was ieder nadrukkelijk beroep op eerlijkheid bij voorbaat verdacht. De hand op het hart, het woord van eer: hoe harder iemand zich erop beroept, des te smoezeliger klinkt het.  Persoonlijk voor iets instaan doen alleen nog maffiosi.

De existentialisten dachten er anders over. Voorafgegaan door Kierkegaard en hand in hand met de halfvergeten stroming die veelzeggend ‘personalisme’ heette, meenden ze dat iedere waarheid individueel was. Geprivatiseerd avant la lettre, moest ze gehoed worden door het subject, des te authentieker naarmate die waarheid idiosyncratischer was. Het heeft niet geholpen. Het subject en zijn eigenlijkheid moesten het afleggen tegen het anonieme denken van het structuralisme en de ijzeren geschiedfilosofie van Marx en Hegel. ‘Ik’ zegt in de filosofie inmiddels al decennialang alleen nog de gek.

Maar stiekem is dat ontoonbare ‘ik’, net als Shakespeares fool, het kwade geweten van een filosofie die allang weet niet meer uit naam van een universele rede te kunnen spreken. Dat iedere algemene uitspraak de werkelijkheid evenveel geweld aandoet als hij aan waarheid blootlegt, weet het poststructuralisme even goed als het existentialisme – hoe koppig ze elkaar verder ook de rug toekeren. ‘De waarheid ligt in het singuliere’, schreef de proto-existentialist Kierkegaard tegen Hegel. Derrida hield het, minder eenzijdig, op: ‘De waarheid is van node’: we kunnen niet leven zonder, maar ook niet met haar.



En zo zijn we, schrijft Stefan Hertmans in zijn zojuist verschenen essaybundel Het putje van Milete, ‘wezens geworden die als enige mogelijke constructie van onze waarheid moeten vasthouden aan de gedachte van haar deconstructie.’ Duister als dat klinkt, vat het het obscure drama van de hedendaagse filosoof en zijn schaduw – de gek die ‘ik’ heet – mooi samen. Hij kan het niet stellen zonder algemene principes, maar hij weet ook dat die aangevreten worden door zijn eigen bijzonderheid. Hij is nu eenmaal geen Zuivere Rede of Absoluut Bewustzijn.

Hij weet bovendien dat het goed is dat ze aangevreten worden, omdat ze de concrete en singuliere wereld van Kierkegaards waarheid altijd verkrachten. Meer dan het gebod van Kant klinkt daarin de Sisyfus-tragedie van Camus door. ‘Je kunt, want je moet’ wordt bij Hertmans de constatering ‘dat we iets onmogelijks nastreven maar dat we dat toch vooral niet achterwege moeten laten.’ Het belangrijkste voegt hij er in een tussenzin aan toe: ‘In deze contradictie schuilt de morele hygiëne’. Wil een denker niet het spoor bijster raken in zijn eigen bijzonderheid of de wereld verliezen in zijn reiken naar het absolute, dan is hij veroordeeld tot het onbestemde zweven tussen zekerheid en werkelijkheid in.

Hertmans zegt in zijn essays geen ‘ik’, behalve wanneer die de vorm aannemen van journalistieke reportages. Borstklopperig noch vals bescheiden en al helemaal niet maffioos, zijn zijn opstellen diffuus doortrokken van een persoonlijkheid die zich nooit helemaal laat opheffen in zuivere ideeën. Die troebelheid onderscheidt de filosofische essayistiek van de wijsbegeerte tout court, die een soort Frau ohne Schatten is: zonder rafelranden maar daardoor helaas ook zonder wereld en – naar te vrezen valt – zonder ziel.

Als filosofie op die manier iets voor engelen is en iedere filosoof een doctor angelicus, dan kan ze het niet stellen zonder de begeleiding van haar essayistische duistere ‘ik’, dat haar – zo concreet als het is – steeds weer met beide benen op de grond zet. Die ethiek van het schrijven, zoals Hertmans het noemt, maakt een ongemakkelijk en nooit helemaal ‘pakkend’ amalgaam van het onachterhaalbaar en toevallig-persoonlijke en de noodzaak van het zuivere denken en zijn logica. Ergens tussen die twee in, bewaart het denken zijn gezondheid.

Zo is de filosofische essayist Wanderer en zijn Schatten inéén. Hij dagdroomt van de grote principes die zijn denken voor stuurloosheid behoeden, maar houdt tegelijk een half oog gericht op de grond waarin hij – anders dan Thales van Milete – de valkuil nog net weet te ontwijken. De grootste perspectieven blijven zijn obscurs objets du désir, waarvan hij weet dat ze even ongenaakbaar zijn als het Thracische dienstmeisje nabij en op haar manier begeerlijk is.

Versuch én Versuchung is de Nietzscheaanse vertaling van het woord essay. Zodra een filosoof de werkelijkheid tracht te verschalken, ontdekt hij nooit verder te komen dan een eindeloze reeks pogingen. Dan hervindt hij zijn persoonlijkheid en schrijft – grammaticaal nog altijd neutraal – onverhoeds lijflijk. Verborgen in zijn woorden, houdt hij op een engel te zijn en verleidt vanuit het halfduister daarvan zijn lezers en de waarheid – even kortstondig en enkelvoudig als zijn diffuus opduikende ‘ik’.

Het putje van Milete, door Stefan Hertmans, uitg. Meulenhoff, Amsterdam 2002, 407 blz., € 22,50