Home Filosofie als verwijt

Filosofie als verwijt

Door Joram Pach op 15 juni 2020

Filosofie als verwijt
02-2020 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

In debatten tussen sociologen klinkt met enige regelmaat het verwijt dat een artikel, scriptie of onderwijsprogramma ‘te filosofisch’ is. Wat dan bedoeld wordt, is dat het te theoretisch of reflexief van aard is, terwijl de nadruk zou moeten liggen op empirisch onderzoek – wat blijkbaar wordt gezien als een tegenstelling. Waar komt deze afkeer van de filosofie bij een deel van de sociologen vandaan?

De oorsprong hiervan valt denk ik samen met de oorsprong van de sociologie zelf. Die ligt een kleine tweehonderd jaar geleden, bij Auguste Comte. In zijn ‘wet van de drie stadia’ schetste hij een evolutie van de menselijke kennis, van een theologisch (religieus) stadium, via een metafysisch (filosofisch) stadium, naar een positief (wetenschappelijk) eindstadium. De nieuwe wetenschap sociologie, waarvan hij tevens de naamgever was, zag hij als de kroon op deze evolutie. Sociologen moesten de wereld van het menselijk samenleven vatten in wetmatigheden, en hierbij dus een voorbeeld nemen aan de natuurwetenschappen, en vooral niet aan de filosofie.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Voor een aanzienlijk deel van de sociologen is dit positivistische dogma nog steeds het uitgangspunt. Dit geldt in het bijzonder voor de zogeheten ‘ICS-school’ (een samenwerking tussen de afdelingen in onder andere Utrecht, Nijmegen en Groningen), die zich op dit punt onderscheidt van de ‘Amsterdamse school’ (met een basis op de Universiteit van Amsterdam, met uitlopers naar onder andere de Erasmus Universiteit Rotterdam en de Vrije Universiteit Amsterdam). Bij de ICS-school ligt de nadruk op – in Webers termen – Erklären, door middel van vrijwel uitsluitend kwantitatief, deductief, hypothesetoetsend onderzoek. Bij de Amsterdamse school ligt de nadruk op Verstehen, door middel van veelal kwalitatief, inductief of interpretatief en deels ook historisch-vergelijkend onderzoek.

Het is dan ook vooral vanuit de hoek van de verklarende school dat het verwijt van ‘te filosofisch’ te horen is. En dit werkt ook door in het onderwijsprogramma. Studenten die in deze ‘school’ worden opgeleid leren uitstekend hoe ze een hypothese moeten afleiden en hoe ze die netjes toetsen. Maar aandacht voor theorie is er slechts zeer beperkt. Waar de bacheloropleiding aan de Universiteit van Amsterdam een doorlopende leerlijn biedt van vier cursussen, waarin alle belangrijke theorieën worden behandeld (van Ibn-Khaldun tot Judith Butler), kent de opleiding aan de Universiteit Utrecht slechts één cursus met ‘theorie’ in de titel, en daar gaat het dan ook nog vooral om het gebruik van theorie bij het vormen van hypothesen. Primaire theoretische teksten worden hier niet of nauwelijks gelezen. Overigens blijft in Utrecht ook de aandacht voor wetenschapsfilosofie beperkt tot een aantal colleges in een methodencursus.

Hoewel de kans dus klein is dat de studenten in Utrecht kennismaken met het werk van Comte zelf, drukt de daaraan ontleende afkeer van metafysische kennis wel een groot stempel op hun opleiding. Het positivistische empirisme laat weinig ruimte voor theoretische verdieping en reflectie. ‘Meten is weten’ is hier nog steeds het uitgangspunt. Maar hoe weet je dan eigenlijk wat je meet? Dat is een vraag die positivistisch geschoolde sociologen snel in verlegenheid brengt. Het streven om door weg te blijven van de filosofie kennis wetenschappelijker te maken, keert zich zo tegen zichzelf en ondermijnt juist de validiteit van die kennis.

Dit was precies de boodschap van de Amerikaanse socioloog C. Wright Mills toen hij in zijn gelijknamige boek uit 1959 een pleidooi hield voor de ‘sociologische verbeeldingskracht’. Mills ziet sociologie als een intellectueel ambacht, en moedigt nieuwe sociologen dan ook in de eerste plaats aan om een nieuwe manier van denken te ontwikkelen. Door middel van deze sociologische verbeeldingskracht kunnen zij de verbinding leggen tussen ‘de meest intieme ervaringen van het individu’ en ‘de meest onpersoonlijke en algemene transformaties’, tussen ‘biografie’ en ‘geschiedenis’, en tussen ‘personal troubles’ en ‘public issues’. Dit stelt hen in staat om, juist door het combineren van empirische observatie en theoretische kennis, te komen tot betere kennis over de sociale wereld. Een vaardigheid die mij in een wereld vol complexe vraagstukken, die zich niet laten vatten in eenduidige modellen en algemene wetmatigheden, eens te meer nuttig lijkt.

Comte moest inderdaad ruimte bevechten voor een empirische studie van de samenleving, ten opzichte van denkers die meenden de samenleving te kunnen begrijpen vanuit de leunstoel. Maar het is – juist wanneer het doel is om op een wetenschappelijke, weldoordachte manier empirische kennis te vergaren over de sociale wereld – een misverstand om vast te houden aan de scherpe tegenstelling tussen sociologie en filosofie en de daaruit volgende afkeer. Zeker moeten we als sociologen opstaan en naar buiten gaan, maar terwijl we dat doen, kan het geen kwaad om zo af en toe weer even te gaan zitten en na te denken over wat we aan het doen zijn. En dan is de filosofie niet onze vijand, maar onze vriend. Of zoals Mills het zei: ‘Je moet niet te snel stoppen met denken – want dan lukt het je niet alles te weten wat je nodig hebt; je kan er niet eeuwig meer doorgaan, want dan barst je uit elkaar. Het is dit dilemma, zo denk ik, dat reflectie, op die zeldzame momenten dat het min of meer succesvol is, de meest gepassioneerde onderneming maakt waartoe mensen in staat zijn’.

Wat beweegt ons denken? In deze rubriek reflecteren denkers over kwesties, ideeën of filosofieën waartoe zij zich aangetrokken voelen.

Joram Pach is socioloog. Hij is docent geweest bij verschillende sociologieafdelingen, waaronder die van de Universiteit van Amsterdam en de Universiteit Utrecht. Momenteel verzorgt hij cursussen in, onder andere, sociologische theorie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.