Home Een ‘romantische’ liefde

Een ‘romantische’ liefde

Nancy’s filosofie kan het best gesitueerd worden in de traditie van de Duitse romantiek, stelt Aukje van Rooden. Van Rooden onderzoekt waarom liefde en seks de sleutel tot Nancy's denken vormen en hoe filosofie weer een uiting van liefde kan worden.

Door Aukje van Rooden op 27 mei 2022

Een ‘romantische’ liefde
Cover van Wijsgerig Perspectief nr 2/2022
Wijsgerig Perspectief nr 2/2022 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

Dit essay draait om een vraag die binnen een filosofisch vertoog op het eerste gezicht als irrelevant of zelfs als impertinent kan overkomen, namelijk: hoe romantisch is Jean-Luc Nancy? Of: heeft romantiek bij Nancy een specifieke betekenis? Ongeacht deze weinig academische formuleringen ben ik er steeds meer van overtuigd dat liefde, of meer in het bijzonder romantiek, de diepste inspiratie is van het werk van Nancy, de sleutel tot alle andere sleutels. Het vraagstuk van de romantiek is het vraagstuk van gepassioneerde interactie, verwikkeling, schrijven, dramatisering. Dit web van nogal uiteenlopende associaties omvat een aantal eeuwenoude filosofische kwesties: de relatie tussen liefde en denken, tussen liefde en literatuur, en bijgevolg ook de relatie tussen filosofie en literatuur en de kwestie van de relatie zelf.

Het thema van de liefde heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in Nancy’s teksten, van zijn vroege essay ‘L’Amour en éclats’ (1986) tot zijn latere werken over het lichaam en het genot. In wat volgt wil ik kort ingaan op enkele van die teksten, maar zal ik met name verwijzen naar twee recentere werken, Demande: Littérature et philosophie uit 2015 en Sexistence uit 2017. Aan de hand van die teksten wil ik laten zien dat we Nancy’s filosofie van de liefde – en bij uitbreiding zijn filosofische denken tout court – moeten begrijpen als een romantische filosofie. Dat wil zeggen: als een filosofie die gesitueerd moet worden in de traditie van de Duitse romantiek van Jena, dat moment in de intellectuele geschiedenis waarin de grenzen tussen filosofie en literatuur werden opgeheven en waarin, heel algemeen gesteld, de betekenis van de wereld werd begrepen als een kwestie van romantisering. Hoewel Nancy zichzelf geen romantisch filosoof heeft willen noemen in die historische betekenis van het woord, wil ik betogen dat hij dat juist wel is. Niet alleen geloof ik dat het vraagstuk van de romantiek de sleutel is tot het werk van Nancy, maar ook dat hij als romantisch filosoof voor ons het meest relevant is.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Openstaan voor de liefde

Laat ik beginnen met de relatie tussen filosofie en liefde. Wanneer we het over filosofie hebben, hebben we het in zekere zin altijd over haar relatie tot liefde, of beter gezegd, over filosofie als een relatie van liefde, een liefdesrelatie. Maar zoals Nancy in ‘L’Amour en éclats’ heeft laten zien, gaat het erom te begrijpen wat deze liefdesrelatie is. Als filosofie begrepen moet worden als liefde voor het denken, filo sophia, dan ‘misschien alleen ondanks alle filosofieën’, met andere woorden, zij is dat alleen voor zover zij iets anders is dan filosofie, omdat dat wat we ‘filosofie’ noemen deze liefde heeft ‘verraden’ (1991: 228).

Filosofen, zo stelt Nancy, zijn doorgaans ‘minnaars’ van het bezitterige soort en proberen dat wat zich aan het denken aanbiedt te ‘bezitten’ en hiërarchisch te ordenen volgens een vaste doctrine, waarbij ze hun eigen liefde dwangmatig bedriegen. Volgens Nancy zou ‘denken’ het omgekeerde moeten zijn van zo’n poging tot bemeesteren of in bezit nemen. In een liefdesrelatie zou het denken juist moeten bestaan in een ‘genereuze terughoudendheid’ en een blootstelling aan wat dat denken te buiten gaat (1991: 227).

Voor Nancy gaat het er niet om liefde een plaats te geven in het filosofische denken, maar om liefde op zo’n manier te denken dat het denken zelf een vorm van ‘liefhebben’ wordt, dat het op een beminnende manier plaatsvindt, als een liefdes-‘daad’. Maar als denken een liefdesdaad is, waarin bestaat die liefde dan? Volgens welke filosofische traditie moeten we die liefde begrijpen? In ‘L’Amour en éclats’ doorloopt Nancy bijna de hele westerse traditie om zich misschien wel het meest aan te sluiten bij Heideggers idee van zorg (Sorge). Toch denk ik dat hij in zijn conferentie voor kinderen uit 2008, zijn Petite conférence sur l’amour, de krachtigste en ook meest uitgesproken formulering van die liefde heeft gevonden, namelijk in termen van een gepassioneerde, romantische liefde in de gewone betekenis van het woord, de grillige liefde die als een bliksem inslaat, de liefde die alleen uitgesproken kan worden op het gevaar af dat niets meer hetzelfde is.

De centrale figuur in deze conferentie is het beroemde spelletje waarbij kinderen de blaadjes van een madeliefje plukken terwijl ze het versje zingen ‘hij houdt van mij, hij houdt niet van mij’ of ‘zij houdt van mij, zij houdt niet van mij’. Voor elke versregel wordt er een blaadje van de bloem geplukt, waarbij de regel uitgesproken bij het laatste blaadje uiteindelijk het karakter van de liefde zou uitdrukken. Veelzeggend genoeg verschilt het Franse versje dat Nancy aanhaalt in een belangrijk opzicht van het Nederlandse. Terwijl het Nederlandse versje – maar voor zover ik weet ook dat in andere talen – spreekt van een binair ‘ja’ of ‘nee’ (hij houdt van mij, hij houdt niet van mij), bestaat de – naar mijn mening typisch Franse, maar ook typisch nancyaanse – liefde uit een heel spectrum van liefdes, een proliferatie van verschillende vormen en intensiteiten. Het Franse vers waar Nancy naar verwijst luidt niet ‘ik hou van jou, ik hou niet van jou’, maar ‘ik hou een beetje, heel veel, gepassioneerd, waanzinnig veel, helemaal niet van jou’ (je t’aime un peu, beaucoup, passionément, à la folie, pas du tout).

Op deze proliferatie van liefde(s) duidde ook al de titel van het vroege essay ‘L’Amour en éclats’, die aangeeft dat liefde verbrijzelend, barstend, verstrooiend is. Maar de figuur van het kinderspelletje maakt een belangrijke en cruciale beoordeling van de gradaties van liefde mogelijk. Voor Nancy is een relatie uiteindelijk alleen een liefdesrelatie als die gepassioneerd is. De eerste twee varianten, ‘Ik hou een beetje, heel veel van jou’, kunnen volgens hem geen liefde zijn omdat ‘de nadruk helemaal op mij ligt’ (2008: 23). Inderdaad, gemeten naar mijn voorkeuren mag ik jou een beetje of veel meer dan dat ik die ander mag. Andersom ligt in het geval van waanzin, van un amour à la folie, de nadruk helemaal op de ander. Waar ‘een beetje, veel’ houden van te weinig is om liefde genoemd te worden, is amour à la folie eigenlijk te veel om liefde genoemd te worden: ‘Liefde is opwindend en kan je ertoe brengen alles te willen doen’ (2008: 39) en zo is het voor twee mensen ‘in het uiterste geval zelfs mogelijk dat ze elkaar vernietigen’ (2008: 38).

Voor Nancy strekt liefde zich dus uit tussen die twee polen van zelfabsorptie en vernietiging, en is ze in die zin de meest levendige uitdrukking van wat het betekent te zijn, om met anderen te co-existeren. Als Nancy het denken weer wil openen naar liefde, als hij een beminnend denken bepleit, dan is dat omdat het vergeten van de liefde – hetgeen kenmerkend is voor de filosofie – uiteindelijk niets anders inhoudt dan een vergeten van het zijn. De heideggeriaanse geschiedenis van de zijnsvergetelheid duidt Nancy zo in termen van de blinde vlek van de filosofie voor de wet van de liefde (die uiteindelijk ook de wet van de filosofie zelf is). Die wet van de liefde, stelt Nancy in ‘L’Amour en éclats’ en andere werken, is de wet van een beweging waarmee je jezelf transcendeert of overstijgt, ‘de uiterste beweging voorbij het zelf’ (1991: 231). Daarom is gepassioneerde liefde ook niet kwantificeerbaar. Zoals Nancy zegt: ‘“ik hou van jou” is absoluut. We moeten dus zeggen “ik hou van jou”, punt uit’ (2008: 22). De wet van de liefde – dat weten we allemaal – houdt in dat je onverwacht omvergeblazen wordt, uit evenwicht gebracht. In de woorden van Nancy: ‘(i)n de liefde zijn we twee (en) vanaf het moment dat we twee zijn, verandert alles’ (2008: 24).

Alles verandert, zonder enig voorbehoud en zonder dat er een einde aan komt. De kans dat je met dat ene bloemblaadje eindigt, dat je getroffen wordt door gepassioneerde liefde, ontregelt dus de hele economie van opeenvolgende, classificeerbare gradaties. Liefde is niet zozeer een binaire zaak van houden van en niet houden van, maar iets ritmisch, syncopisch, iets wat nooit gegarandeerd is en daarom telkens weer vernieuwd moet worden, en wat de hele proliferatie van intensiteiten zowel een halt toeroept als in beweging zet.

Hoewel liefde alles in beweging zet, is er maar weinig voor nodig om door haar getroffen te worden. Zoals Nancy in ‘L’Amour en éclats’ zegt: ‘Eén uur liefde is genoeg, één kus zelfs, zolang die maar uit liefde is gegeven – en hoe zou het anders kunnen?’(1991: 247) Absolute liefde ‘is’ dus steeds in concrete, singuliere manifestaties. Het is, zoals Derrida in Le toucher, Jean-Luc Nancy treffend zegt, een kwestie van ‘exorbitante exactheid’ (2000: 39). Het verbaast dan ook niet dat, in lijn met Derrida’s karakterisering van Nancy’s werk als een filosofie van de aanraking, liefde zich voor Nancy op exemplarische wijze manifesteert in de streling: ‘Hét liefdesgebaar is de streling. (…) De streling leert ons dat wat in de liefde telt, de aanwezigheid van de ander is, de aanraking van de ander en in zekere zin niets anders (rien d’autre)’ (2008: 33-34).

In zijn boek Sexistence (2017) voert Nancy zijn werk over liefde en de aanraking naar een punt dat sommigen misschien juist onromantisch vinden: hij stelt voor seks te beschouwen als de waarheid van liefde. Hoe sensatiebelust deze stelling ook mag lijken, Sexistence is in mijn ogen een werk van onschatbare waarde, dat geen precedent kent in zowel de filosofische traditie als, om redenen die nog zullen blijken, in het werk van Nancy zelf. Hoewel Nancy liefde en seks als ‘bijna hetzelfde’ (2017: 158) beschouwt, gaat het hem er niet om ze als volledig synoniem op te vatten. Eerder ziet hij seks als dat wat in de liefde op exemplarische wijze haar ontologische dispositie uitmaakt. In zijn essay uit 2001, ‘L’“il y a” du rapport sexuel’, noemde Nancy die specifieke ontologische dispositie een niet-substantiële dispositie. Niet alleen kan de seksuele daad verspreid zijn over een onbeperkt aantal blikken, hints, toenaderingen en terugtrekkingen, ze is ‘er’ ook nooit echt, wat wil zeggen dat ze ‘niet zozeer een ding is (…) maar dat wat tussen dingen gebeurt’ (2001: 21).

We zien inderdaad dat alle drie de kenmerken die doorgaans aan de gepassioneerde romantische liefdesrelatie worden toegekend, versterkt worden in geslachtsgemeenschap: ten eerste het niet-permanente van deze telkens weer te vernieuwen relatie; ten tweede het onmeetbare van de onvoorwaardelijke gepassioneerde blootstelling; en ten derde de materiële concreetheid van de liefdevolle aanraking. Door seks in het hart van zijn visie op liefde te plaatsen, maakt Nancy zijn denken bovendien duidelijker los van concurrerende modellen als de goddelijke, ouderlijke of echtelijke liefde. En het misschien nog enigszins zoete beeld van het overdonderende karakter van gepassioneerde liefde dat hij in zijn conferentie voor kinderen geeft, omvat nu ook wat duidelijker de lichamelijkheid, de eros en jouissance van de liefdesdaad.

Vrijen (met taal)

De volgende stap bestaat erin deze opvatting van romantische, gepassioneerde liefde te verbinden met de historische periode van de romantiek. Wat Sexistence en Nancy’s vroegere teksten over liefde romantisch maakt in de historische betekenis van het woord – en mijns inziens ook bijzonder interessant –, is de sleutelrol die taal krijgt toebedeeld. Het register dat Nancy gebruikt om de liefdesrelatie te beschrijven, betreft over het algemeen vooral het fysieke lichaam, de aanraking en jouissance. Bij nadere beschouwing blijkt Nancy uitdrukkingen in taal echter te beschouwen als de meest exemplarische liefdesgebaren. Of beter gezegd, als de streling het paradigmatische liefdesgebaar is, zoals we eerder zagen, dan lijkt streling door taal voor Nancy de streling bij uitstek. Streling door taal wil zeggen, aangeraakt worden door taal, taal die raakt. Hoe moeten we dan aanraking, taal en liefde met elkaar verbinden? En in welke zin kan die verbinding romantisch genoemd worden?

Laat ik beginnen met de meest basale en exemplarische talige uitdrukking van liefde: de verklaring ‘ik hou van jou’. Deze verklaring beschrijft niet louter de liefde die ik al voel, noch voert ze uit wat we een standaard performatieve taalhandeling kunnen noemen. Volgens Nancy is het een verklaring die ons naar de ander opent en niets anders uitdrukt dan dat we ons met die opening verbinden. Op paradigmatische wijze ontbreekt het de verklaring ‘ik hou van jou’ aan elke mogelijke informatieve inhoud, of beter gezegd: deze overschrijdt elke inhoud. Het is een aanspreking op de grens van de taal, een excessieve vorm van taal die op niets anders berust dan het verlangen onszelf te openen in een blootstelling aan de ander. Ook deze stelling voert Nancy in Sexistence tot het uiterste door als hij seksuele kreten voorstelt als de ultieme vorm van zo’n aanspreking op de grens van de taal. Zulke kreten zijn, heel letterlijk, taal à bout du souffle en barsten uit elkaar van betekenis.

Als Nancy deze seksuele kreten als paradigmatisch beschouwt, verwijst hij niet naar de particuliere privétaal van geliefden, maar verwijst hij naar taal als zodanig, of nog beter, naar het hart van de taal, naar wat haar zo te zeggen drijft:

Het sprekende wezen (is) het verlangende wezen. (…) Dit is volkomen duidelijk wanneer ik zeg “ik hou van jou, ik verlang naar jou”. Maar uiteindelijk geldt dit voor elke ware uiting die op de een of andere manier het louter informatieve overstijgt (zoals “hallo” of “tot ziens”, of zelfs een hele filosofische verhandeling, een roman of een gedicht, of een gesprek)

(Nancy 2017: 47).

Of het nu een enkel woord is of zelfs een stilte, een heel verhaal of een boek, wanneer uitgedrukt uit de liefde om onszelf naar de ander te openen en te uiten – en wat is een uitdrukking anders? –, zijn het allemaal talige aanrakingen, beroeringen met taal.

Tegen een wat gedramatiseerde historische achtergrond is de manier waarop taal aanraakt volgens Nancy echter veranderd, en op dit punt overlapt zijn filosofische project dat van de achttiende-eeuwse romantici van Jena. In Sexistence en andere werken begrijpt Nancy deze achtergrond in termen van wat Hölderlin ‘de vlucht van de goden’ heeft genoemd en wat Nancy in Demande: Littérature et philosophie de afwezigheid van een ‘metataal’ noemt (2015: 79). In de huidige tijd, stelt Nancy, moeten we ‘opnieuw leren hoe we ons tot onszelf richten’ (2017: 63). We moeten ons rekenschap geven van het feit dat zowel taal als seks na ‘de vlucht van de goden’ in een ‘regime van oneindigheid’ zijn beland. ‘Taal en seks zijn in een regime van oneindigheid beland op het moment dat hun sacrale karakter verdween, dat wil zeggen op het moment dat betekenis niet langer gegeven is als een oorspronkelijk depot’ (2017: 53-54).

Terwijl liefde en taal – beminnende taal, zich blootstellende taal – vroeger een duidelijke betekenis en een duidelijk doel hadden (de goddelijke of kosmische orde overbrengen die ook de hele bron van hun betekenis was), zijn zij nu bevrijd van betekenis en doel, zijn ze letterlijk ‘einde-loos’, richtingloos en door niets anders gemotiveerd dan door hun eigen beweging en circulatie. Belangrijk is dat deze bevrijde, oneindige beweging van betekenissen voor Nancy, net als voor de romantici van Jena, niet zozeer een desacralisering van onze wereld is, maar eerder een onthulling van haar waarheid zelf, die er inderdaad uit bestaat door niets anders gemotiveerd te worden dan door haar eigen beweging of circulatie, door ‘l’élan ou la poussée du sens’ (2017: 54). Al in Être singulier pluriel had Nancy dit omschreven als ‘nog een soort “Copernicaanse Wending”’: ons sociale bestaan draait niet langer om iets anders, maar ‘draait om zichzelf of rond zichzelf (of windt zichzelf op)’ (1996: 78-79).

Wat Nancy overneemt van de romantische traditie is, ten eerste, het idee dat die zelf-opwinding in en door taal plaatsvindt, door manieren van spreken en schrijven en, ten tweede, dat deze uiteindelijk misschien niets anders is dan het plaatsvinden of ‘passeren’, de doorgang of beweging van het denken zelf. De romantische hoop op zo’n nieuwe Copernicaanse Wending was inderdaad wat Novalis een romantisering van de wereld noemde: de oproep om ons opnieuw, voor het eerst of telkens weer als voor het eerst, bloot te stellen aan de oorspronkelijke betekenis, de betekenis die voortkomt uit de alledaagse wereld, of beter, die deze wereld is, met een nieuw elan uitgedrukt in onze gewone taal, de lingua romana.

Om dat te bereiken wilden de romantici van Jena, met name in hun kortlevende tijdschrift Athenaeum (1798-1800), een vorm van denken en schrijven genereren die geënt was op de oneindige ‘energie’ en ‘chemie’ van verbinding, interactie en uitwisseling. Ook als Nancy terecht zou stellen dat post-kantiaanse filosofie als zodanig een denken is van die zelf-opwindende beweging of impuls, wordt zij met de romantici van Jena een expliciet zelfbewuste, relationele, meervoudige en talige kwestie.

Het romantische hart reanimeren

Hoewel de romantici van Jena tot Nancy’s vroegste en belangrijkste inspiratiebronnen behoren (bijvoorbeeld in L’Absolu littéraire), zou hij zich niet gauw hun erfgenaam willen noemen, en verwijzingen naar de romantiek komen in zijn latere werk over liefde, betekenis of ‘sexistentie’ ook bijna niet voor. Toch wil ik stellen dat Nancy’s filosofie van de liefde – zijn beminnende filosofie – gesitueerd moet worden in de traditie van de Duitse romantiek in plaats van die van bijvoorbeeld de fenomenologie, ontologie of zelfs de filosofie in strikte zin.

Het probleem met de romantici van Jena is volgens Nancy dat ook zij de liefde voor het denken op de een of andere manier verraden hebben. Door haar te willen vatten en idealiseren in een werk dat ‘in zichzelf volmaakt is als een egel’, verabsoluteerden zij de niet-economie van de gepassioneerde proliferatie van de liefde in de vorm van een volledige terugkeer naar het Zelf, ‘de gescheurde randen teruggevouwen in de geborgen microkosmische zelf-insluiting. De blootstelling zelf wordt uiteindelijk introjectie, een terugkeer naar het Zelf’ (1993: 192). Doordat ze de onvoorwaardelijke blootstelling probeerden om te zetten in een volledige zelf-insluiting, hebben de romantici van Jena misschien zelfs het tegenovergestelde van liefde bereikt, dat wil zeggen, het tegenovergestelde van zijn: een werk van de dood.

Maar in plaats van te zeggen dat Nancy de romantische traditie compleet afdoet, zouden we kunnen zeggen dat hij een betere romanticus probeert te zijn. Het (zelf)verraad dat het romantische denken kenmerkt, is volgens Nancy niet te wijten aan een inherente zwakte, maar aan wat hij het ‘versteende’ hart van de romantiek noemt (2015: 31), een hart dat niet meer klopt, dat zich niet meer opent. Daarom kunnen we misschien zeggen dat Nancy het hart van het romantische denken probeert te ontdooien, het weer te openen, te reanimeren. Oftewel, zoals hij in ronduit romantische termen zegt, door ‘alchemie, magie, chemie, toevallige processen, manoeuvres of ontmoetingen, door combinaties en recombinaties, mutaties – wat dan ook’ (2017: 119).

Precies dat – en ook het ongemakkelijke gevoel van ‘wat dan ook’ – maakt deze poging zo uniek. De impuls die Nancy gebruikt om het romantische hart van het denken te reanimeren is overduidelijk een geromantiseerde, gedramatiseerde, gefictionaliseerde taal. Meer en ook overtuigender dan in zijn vroege werken breidt Nancy het filosofische vertoog uit, onderbreekt hij het of wisselt hij het af met fragmenten en stukken uit populaire romans, gedichten, filmdialogen. Hij doorkruist en combineert tijden en plaatsen, genders en stemmen, van Lucretia tot Céline, van Pasolini tot Audre Lorde – wisselend van mannen- naar vrouwenstemmen, van enkelvoud naar meervoud – en laat een haperend poëtisch ritme of experimentele blogpost het overnemen waar zijn filosofisch vertoog zich in zichzelf dreigt op te sluiten of buiten adem raakt.

Steeds nadrukkelijker laat Nancy’s oeuvre zien dat we een nieuwe manier van denken nodig hebben, een nieuwe manier om ons tot onszelf te richten, een manier die het versteende hart van de filosofie helpt te openen en, opnieuw, verliefd te worden. Nancy toont ons dat het niet zozeer om de propositionele inhoud van zijn werk gaat, maar om het feit dat zijn teksten zelf performatieve aanrakingen zijn, teksten die zich tot ons richten, die ons raken in plaats van iets aan ons te communiceren.

Ik stel voor om deze manier van denken ‘romantisch’ te noemen, omdat ze haar motivatie put uit een beschouwing over relationaliteit, liefde en passie. En omdat ze, in lijn met het historische moment van de romantiek, een oproep insluit om filosofie op een fundamentele manier te verbinden met wat sindsdien ‘literatuur’ heet – niet de niet-propositionele, zacht aanrakende literair-filosofische stijl waaraan we geleidelijk aan gewend zijn geraakt, maar een meer excessieve, buitensporige stijl, net zo verwarrend als het onverwacht uitgesproken ‘ik hou van jou’.

Een uitgebreidere Engelse versie van deze tekst is in 2021 gepubliceerd in Angelaki vol. 26, no. 3-4 onder de titel ‘Jean-Luc Nancy, a Romantic Philosopher? On Romance, Love and Literature’.

Vertaling Ineke van der Burg

Literatuur

  • Derrida, J. (2000), Le toucher, Jean-Luc Nancy. Parijs: Galilée. Engelse vertaling: On Touching – Jean-Luc Nancy. Stanford University Press, 2005.
  • Lacoue-Labarthe, Ph. & J.-L. Nancy (1978). L’Absolu littéraire. Théorie de la littérature du romantisme allemande. Parijs: Seuil 1978. Engelse vertaling: The literary absolute. The theory of literature in German Romanticism. State University of New York Press, 1988.
  • Nancy, J.-L. (1991), L’Amour en éclats. In: Une pensée finie. Parijs: Galilée. Engelse vertaling: Shattered Love. In: The inoperative community, University of Minnesota Press, 1991: 82-109.
  • Nancy, J.-L. (1993), L’art, fragment. In: Le Sens du monde. Parijs: Galilée. Engelse vertaling: Art, A Fragment. In: The sense of the world. University of Minnesota Press, 1997.
  • Nancy, J.-L. (1996), Être singulier pluriel. Parijs: Galilée. Engelse vertaling: Being singular plural. Stanford University Press, 2000.
  • Nancy, J.-L. (2001), L’“il y a” du rapport sexuel. Parijs: Galilée. Engelse vertaling: The “There Is” of Sexual Relation. In: Corpus II: Writings on sexuality. Fordham University Press, 2013.
  • Nancy, J.-L. (2008), Je t’aime, un peu beaucoup, passionnément…: Petite conférence sur l’amour. Bayard. Engelse vertaling: Love. In: God, Justice, Love, Beauty: Four little dialogues, Fordham UP, 2011: 63-96.
  • Nancy, J.-L. (2015), Demande: Philosophie, littérature. Parijs: Galilée. Engelse vertaling: Expectation: Philosophy, literature. Fordham University Press, 2018.
  • Nancy, J.-L. (2017), Sexistence. Parijs: Galilée. Engelse vertaling: Sexistence. Fordham University Press, 2021.