Home Een béétje filosoof spreekt Engels

Een béétje filosoof spreekt Engels

Door Jan Borst op 24 oktober 2019

Een béétje filosoof spreekt Engels
Cover van 11-2019
11-2019 Filosofie magazine Lees het magazine

Een objectieve geschiedenis van de filosofie schrijven is onmogelijk. De Britse filosoof Grayling brengt dit inzicht allerminst aan het wankelen.

Het vuistdikke De geschiedenis van de filosofie van A.C. Grayling (1949) is niet de eerste poging de complete historie van de wijsbegeerte in kaart te brengen. Tussen 1946 en 1974 verscheen in negen delen het nooit in het Nederlands vertaalde monumentale A History of Philosophy van de hand van Frederick Copleston. Al in 1945 was Bertrand Russells Geschiedenis van de westerse filosofie verschenen. Deze twee heren hadden een totaal verschillende achtergrond, wat onvermijdelijk tot grote verschillen leidde in hun historische overzichten. Copleston had zich tot het rooms-katholicisme bekeerd, terwijl Russell tegen de filosofie aankeek vanuit de wereld van de logica. Dat kleurde hun boeken.

Dat in Graylings boek Russell veelvuldig wordt genoemd, terwijl de naam Copleston nergens valt, zelfs niet in het omvangrijke bibliografisch overzicht, is geen toeval. Grayling is namelijk net als Russell een exponent van de Angelsaksische analytische traditie en hij steekt dat niet onder stoelen of banken. Zijn doelbewuste streven religieus denken buiten de filosofie te houden leidt ertoe dat onder meer Kierkegaard wel héél stiefmoederlijk wordt bedeeld, waar andere historici van de filosofie deze negentiende-eeuwse hervormer van de christelijke ethiek juist een vooraanstaande plaats toebedelen. Bovendien pleegt Grayling verraad aan zijn uitgangspunt waar hij in een van de hoofdstukken die aan niet-westerse filosofie zijn gewijd wél uitgebreid de ideeën van de middeleeuwers Avicenna en Al-Ghazali uit de doeken doet, terwijl die toch alles met religie te maken hebben.

Een andere groep die er in dit boek bekaaid vanaf komt, zijn de Fransen. De naam Montesquieu komt in het boek niet voor, terwijl politieke filosofie door Grayling wel degelijk behandeld wordt. Foucault krijgt zeker de nodige aandacht, maar wordt toch niet belangrijk genoeg gevonden voor een plaatsje op de tijdlijn – achter in het boek -, terwijl Foucaults tijdgenoten Stevenson, Davidson en Hare zo’n plaats wel krijgen toebedeeld.

Grayling weet zijn eigen mening niet altijd voor zich te houden

Duitsers zijn evenmin als Fransen Engelsen, en ook dát heeft gevolgen. Fichte en Schelling komen er bekaaid vanaf , terwijl de in onze – evenmin objectieve – Nederlandse ogen relatief onbekende T.H. Greene ruime aandacht krijgt. Habermas krijgt ergens een alinea, maar geen aparte bespreking, al geeft Grayling toe bij hem wel geaarzeld te hebben. Wat Grayling wél met zo ongeveer alle historici gemeen heeft, is dat hij vrouwelijke filosofen nauwelijks ziet staan. Weliswaar wijdt hij een viertal pagina’s aan ‘feministische filosofie’, maar namen van vrouwelijke filosofen komen op die pagina’s vrijwel niet voor.
 

Pedant

Maakt dit De geschiedenis van de filosofie een slecht boek? Dat gaat toch te ver. Grayling is niet de eerste de beste; alle echt grote namen behandelt hij op degelijke wijze. De soms zware kost (‘Als we synonymie niet kunnen verduidelijken met behulp van definitie, hoe zit dat dan met intersubstitutiviteit salva veritate?’ – maar dit is dan meteen wel de moeilijkste zin uit het boek) wordt verluchtigd met anekdotes en dat verhoogt de leesbaarheid. Zo is het best aardig om te vernemen dat Schopenhauer zijn dienstmeisje bezwangerde, zodat het net lijkt of filosofen ook maar mensen zijn.

Bovendien is het prettig dat de auteur soms ook boven de stof gaat staan en een meta-uitspraak doet, waarin hij uitlegt waarom hij voor een bepaalde aanpak kiest. Daar staat dan wel weer tegenover dat hij soms wat pedant is. Zo verwijst hij net iets te vaak naar boeken van eigen hand en naar zijn persoonlijke band met grootheden als Popper en Strawson, en weet hij zijn eigen mening niet altijd voor zich te houden, bijvoorbeeld waar hij van Socrates zegt dat diens uitspraak dat niemand willens en wetens iets slechts doet weliswaar een nobele gedachte is, maar een die psychologisch niet realistisch is. Dat heeft ermee te maken dat Grayling de mening is toegedaan dat er niet alleen in de wetenschap, maar ook in de filosofie vooruitgang is geboekt. Het brengt hem ertoe in zijn slotwoord te schrijven dat we nog steeds niet weten wat uiteindelijk echt bestaat, waarmee hij suggereert dat we dat mogelijkerwijs ooit wél zullen weten. Niet iedere filosoof is het daarmee eens, to put it mildly.

Betekent dit alles dat u dit boek maar beter ongelezen kunt laten? Zeker niet. Het zal het even dikke, uit 1959 stammende, maar steeds weer geactualiseerde standaardwerk van Hans Joachim Störig: Geschiedenis van de filosofie niet doen vergeten, maar juist door te zien hoe verschillend de accenten zijn die bijvoorbeeld Störig en Grayling, maar ook Coppleston en Russell, leggen, bereikt de lezer een waardevol inzicht: het relativerende besef dat dé geschiedenis van de filosofie nooit zal kunnen bestaan.
 

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.