Met het werk van Schopenhauer – ‘echt iets voor jongelui, omdat zijn filosofie de gedachtewereld van een jongeman is’- maakt Mann al op jonge leeftijd kennis en dit zal zijn leven een beslissende wending geven. Schopenhauers werk is doordrenkt van wil, van energie, hartstocht en vileine levensverachting. En de jonge Thomas is ook niet zo’n opgewekt type. Hij loopt naar eigen zeggen rond met ‘volkomen serieuze zelfmoordplannen’. Maar in het pessimisme van Schopenhauer ziet hij, opmerkelijk genoeg, de mogelijkheid om weer zijn weg terug naar het leven te worstelen. Opmerkelijk, want Schopenhauer wijst voortdurend op het oneindige lijden dat deze wereld kenmerkt en op de blinde, nietsontziende wil die de drijvende kracht achter deze ellende is.
Deze ‘kruis, dood en graf’stemming in het werk van Schopenhauer is echter niets om somber van te worden, maar werkt juist als een levenselixer, dat had Nietzsche al ervaren. Deel drie van zijn Oneigentijdse beschouwingen draagt hij onder de titel ‘Schopenhauer als opvoeder’ op aan zijn leermeester. Ook Thomas Mann herkent direct Schopenhauers verlangen om boven de redeloze instincten uit te stijgen. Schopenhauer spant zich tot het uiterste in om een filosofisch systeem van de grond te trekken dat vertrekt vanuit de modderige praktijk van het dagelijks leven – de wil, de geslachtsdrift – en uitmondt in een leer van mededogen. Deze niet-religieuze moraal (Schopenhauer was atheïst en al halverwege de negentiende eeuw in de veronderstelling dat steeds meer mensen dat zouden worden) is kort gezegd gebaseerd op het inzicht dat het verschil tussen mij en de anderen op een illusie berust; dat wij allemaal deel uitmaken van eenzelfde, omvattend systeem. Een goed mens zal in andere levende wezens (en dus ook dieren) het vermogen tot lijden herkennen zoals hij dat in zichzelf aantreft. Het ‘mede-lijden’ is dan ook een belangrijke deugd in Schopenhauers ethiek.
Onder de titel De kunst van het verleiden verschijnt deze maand ook een nieuwe aforisme-verzameling van Schopenhauer. Hierin zijn diens veelal hatelijke opmerkingen over vrouwen bij elkaar gebracht. Van de inhoud van deze uitspraken kan men verder denken wat men wil – stuitend, onzinnig of lollig – zo geïsoleerd achter elkaar gezet vormen ze een beetje een zielig rariteitenkabinet. Veel meer dan bij eerdere aforismebundels lijdt deze verzameling catchy beledigingen aan een gebrek aan context, afgezien van de psychologiserende inleiding. Nee, Schopenhauer was geen groot vrouwenliefhebber, dat wisten we al en bloemlezing-samensteller Francisco Volpi weet precies waarom: dominante moeder plus pech in de liefde. Zal wel wezen, maar deze ad hominem geeft ons geen enkele informatie over het belang en het gewicht van deze uitspraken. Moeten we ze nu serieus nemen of niet?
Laten we dit gescheld in elk geval zien in het licht van al zijn andere gevloek: op filosofen, op schrijvers, journalisten, op Hollanders, op uitgevers, christenen, hegelianen, op geleerden van welke aard dan ook, op de mensheid als zodanig. Schelden is zijn stijl, de mensheid is zijn doelwit, maar Thomas Mann ziet in Schopenhauer volkomen terecht meer dan een grappige mensenhater met een slecht humeur. Schopenhauer, stelt Mann, is een humanist. Jazeker, de menselijke rede is slechts slaaf van zijn broodheer, de wil, en precies daarom is het zo dat ‘het leven van de geest en het verstand niets te duchten heeft en dat [..] de geest de zwakste partij op aarde is die bescherming behoeft.’ Uitgeverij Aspekt heeft met de essays van Mann een juweel opgediept.
Schopenhauer en Nietzsche; twee essays, door Thomas Mann, vert. Evert K.M. van Leerdam, met een nawoord door Martin Ross, uitg. Aspekt Soesterberg 2003, 132 blz., € 14,98
De kunst van het verleiden, door Arthur Schopenhauer, samenstelling Franco Volpi, vert. Karl van Klaveren uitgeverij Agora, Kampen 2003, 94 blz., € 13,95