Home Denken naar het einde van de nacht

Denken naar het einde van de nacht

Door Frank Meester op 27 mei 2015

Denken naar het einde van de nacht
Cover van 06-2015
06-2015 Filosofie magazine Lees het magazine

Drie jonge denkers publiceerden de afgelopen maanden boeken over de kracht van de filosofie. Coen Simon, Jan Drost en Sebastien Valkenberg discussiëren een avond lang over denken, waarheid, wetenschap en verlangen.

Mijn magnum opus schrijf ik pas als ik zestig ben’, zegt Coen Simon (42), auteur van elf boeken en winnaar van de Socratesbeker voor het beste filosofische boek. ‘Net als de Duitse filosoof Hans Georg Gadamer.’ ‘Dat is het voordeel van filosoof zijn: je kunt heel lang doorgaan voor “jonge filosoof”’, vult Sebastien Valkenberg aan, met zijn 37 jaar de jongste van de drie. ‘De meeste mensen denken bij filosofen aan oude, bebaarde mannen met een pijp. De romanschrijver is na zijn vijfendertigste al oud, terwijl de filosoof tot z’n zestigste nog als jonge denker door het leven kan gaan.’ ‘Ja, zo is het’, zegt Jan Drost (1975), en hij neemt een slok van zijn biertje. Uit niets blijkt dat de denkers het praten inmiddels beu zijn, terwijl je dat eigenlijk wel zou verwachten. We hebben op dat moment namelijk al de hele avond lang gediscussieerd, geanalyseerd en geroddeld over de tijd waarin we leven, de rol van de filosoof, elkaars werk en dat van anderen.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Jazzkelder
De avond begint in Kapitein Zeppos, een restaurant dat verstopt zit in een doodlopend steegje met de filosofische naam Gebed zonder End en dat doet denken aan een Parijse jazzkelder. Na een wandeling langs de Amsterdamse grachten heb ik de filosofen meegenomen voor een laatste rondje in café De Jaren om nog wat te mijmeren over een klassiek filosofisch thema: het verstrijken der jaren.
Simon: ‘Het kan geen toeval zijn: In Kapitein Zeppos heb ik mijn eerste meeneemtentamen gemaakt toen ik begon met studeren en hier in De Jaren was mijn afstudeerborrel.’
Valkenberg: ‘Dat is dus wel toeval. Het is al laat, probeer goed te blijven denken, Coen. Je maakt een denkfout, die ik trouwens ook in mijn boek bespreek.’
Simon: ‘Snap ik, Sebastien. Maar dat maakt het niet minder leuk.’
Van de drie de denkers is onlangs een boek verschenen met hetzelfde thema: wat het denken vermag. Zoals uit de titels van hun boeken al blijkt – Drost schreef Denken helpt, Valkenberg Op denkles en Simon Filosoferen is makkelijker als je denkt – zijn ze het in elk geval over één ding eens: denken is goed.
Drost: ‘Denken wordt vaak tegenover voelen gezet, en dan komt denken er bekaaid vanaf. “Je moet doen wat goed voelt”, “je moet niet te veel denken”, “volg je gevoel” – dat soort onzin. Maar denken kan wel degelijk helpen. Ook bij het voelen.’
Valkenberg: ‘Maar dan moet je wel goed denken, dus helder en kritisch.’
Simon: ‘Inderdaad, want slecht denken helpt niet.’
Drost: ‘Dat ben ik met jullie eens. Goed denken is goed.’


 

Kapitein Zeppos 
De filosofen zijn het nog eens. Het is het begin van de avond. We zitten rond een tafeltje in Kapitein Zeppos en de ober heeft zojuist het eerste gerecht opgediend. Als het vervolgens gaat over de vraag wat precies goed denken is, scheiden de wegen zich al snel en worden de filosofen serieuzer. Valkenberg – ‘noem mij maar verlichtingsfundamentalist’ – maakt zich vooral druk over vormen van onkritisch denken, terwijl Simon en Drost het probleem juist zien in de wetenschap die tot nieuwe religie is verheven.
Drost: ‘Door mijn vorige boek, Het romantisch misverstand, wordt ik vaak gevraagd voor discussies over de liefde. Dan zetten ze me geregeld tegenover hersenwetenschappers, en ik begin behoorlijk moe te worden van die types. Zij onttrekken zich voortdurend aan het debat. Wat ik zeg, is volgens hen maar een opvatting, terwijl wat zij zeggen de waarheid is omdat het met objectieve wetenschap is aangetoond. Het vervelende is dat het publiek er met een soort van hoop op reageert. Veel mensen zeggen dat ze atheïst zijn, maar hebben stiekem nog religieuze trekjes. Precies zoals Nietzsche zei: de sterren zijn allang gedoofd, God is dood, maar het schijnsel blijft ons inspireren. Mensen luisteren met religieuze oren naar hersenwetenschappers: “Geef ons in godsnaam het juiste antwoord. Als ik mijn brein ben, yes, dan ben ik verlost.”’
Simon: ‘Dat is inderdaad een groot probleem van deze tijd. Wetenschap is een zingevend kader geworden. En dan heb ik het niet alleen over de breinwetenschappen, maar ook over alle andere disciplines, en misschien wel vooral over het darwinisme. De uitspraak “het is evolutionair verklaarbaar dat mannen beter kunnen inparkeren dan vrouwen” is in het dagelijks leven een zingevende uitspraak. Maar het is natuurlijk ook gewoon wetenschappelijke nonsens, want op geen enkele manier te controleren. Wetenschap moet falsificeerbaar zijn. Daar hield Darwin zelf trouwens rekening mee, maar de popularisatoren van de wetenschap, dus de Bas Harings en noem ze maar op, die hoor je vaak van die onzin verkopen.’
Valkenberg: ‘Natuurlijk zijn er mensen die de wetenschap misbruiken of er een verkeerde voorstelling van geven. Dan moet je juist pleiten voor kritische wetenschap en vooral voor een kritische wetenschapsjournalistiek. Daar schort het steeds meer aan. Het NOS-journaal had een wetenschapsjournalist in dienst, maar Marcel Gelauff, de grote baas van het journaal, heeft die functie geschrapt. Als mensen wetenschap misbruiken, dan is er sprake van slecht denkwerk. Dat is echt kwalijk. Maar wat ik niet goed begrijp is waarom jullie die uitspraken van breinwetenschappers en darwinisten in de sfeer van het religieuze trekken. Wat religie tot religie maakt is toch in de eerste plaats de opvatting dat er een opperwezen is?’
Drost: ‘Dat opperwezen wordt verondersteld. God zag alles, dus hij had het ultieme perspectief, en nu hij er niet meer is, blijven we nog steeds verlangen naar dat ultieme objectieve perspectief. Dat verwachten mensen nu van de wetenschappen. En sommige wetenschappers denken ook echt dat ze daarover beschikken. Je hoort ze voortdurend dingen zeggen als: “Het is objectief vastgesteld…”, of: “Het is wetenschappelijk bewezen…” Als cultuur een soort doorlopend gesprek is over wat we hier in godsnaam – sorry, in mensnaam – met z’n allen doen, vind ik dat cultureel gezien waardeloos. Onttrek je niet aan het gesprek, zoals de dominee dat vroeger deed: “Jij kunt wel iets vinden, maar in de Bijbel staat iets anders, dus…”’
Valkenberg: ‘Jullie ageren nu tegen wetenschappers, maar filosofen kunnen er ook wat van. Ik erger me kapot aan filosofen die zich opstellen als moreel leidsman. De boekwinkels liggen vol met levenskunstachtige boeken van Alain de Botton of Peter Sloterdijk. Ze nemen de maatschappij de maat en komen vervolgens met aanbevelingen. Zo gedragen ze zich pas echt als de opvolger van de dominee. Maar volgens mij ontbreekt het de filosofen net zo goed aan speciale kennis van goed en kwaad op basis waarvan zij de samenleving de weg kunnen wijzen.’

 

Levenskunst 
Als Sebastien Valkenberg is uitgesproken, kijkt hij Jan Drost aan.
Drost: ‘Ik begrijp wel waarom je mij aankijkt. Mijn boek zou je als een boek over levenskunst kunnen zien, maar ik probeer geen moreel leidsman te zijn. Juist niet. Volgens mij is de les van de filosofie dat je de wereld niet kunt kennen zoals die is. En dat is een les in bescheidenheid: ik heb mijn perspectief op de werkelijkheid, en dat betekent dat anderen dat ook hebben. Ik heb niet de waarheid in pacht, jij ook niet; dat maakt ons gelijkwaardige gesprekspartners.’
Valkenberg: ‘Dat is volgens mij de dooddoener die elke discussie beëindigt. Ik noem dat in mijn boek een natte dweil. Je beargumenteert iets en wanneer je gesprekspartner vervolgens geen goed tegenargument kan bedenken, zegt hij: “Dat is jouw mening.” Dat voelt alsof je een natte dweil in je gezicht krijgt. Ik verzet me tegen deze postmoderne, relativistische opvatting dat alles maar een mening is. Anders dan je nogal eens hoort zeggen – door Rorty en Feyerabend bijvoorbeeld – is níét elke beschrijving even waardevol.’
Drost: ‘Dat zeg ik ook helemaal niet. Je kunt namelijk heus wel redetwisten over welk perspectief meer betekenis geeft, of meer zicht geeft op de werkelijkheid. De vraag die mij altijd drijft is: hoe kun je op zo’n manier denken dat het recht doet aan het leven dat je leidt, aan het verlangen naar betekenisgeving en geluk? Bijna alle vormen van ongeluk, van lijden aan het bestaan, komen voort uit machteloosheid. Als je die machteloosheid wilt overwinnen, moet je beginnen bij het denken. Zomaar opeens proberen om anders te voelen gaat niet lukken. Dan heb je geen enkel houvast.’
Valkenberg: ‘Hoe kan denken volgens jou dan houvast bieden?’
Drost: ‘Mijn vorige boek, Het romantisch misverstand, schreef ik ook vanuit een persoonlijke leerervaring. Ik merkte steeds duidelijker dat hoe ik dacht over de liefde daadwerkelijk een verschil maakte voor mijn relatie. Maar denken gaat veel verder. Hoe je denkt bepaalt ook je kijk op de hele wereld. Denken is allesdoordringend. De geschiedenis van de filosofie zie ik als een aaneenschakeling van pogingen de machteloosheid te overwinnen door een bepaalde manier van denken te ontwikkelen. In mijn laatste boek presenteer ik zes filosofische kanonnen – Epicurus, de Stoa, Aristoteles, Spinoza, Sartre en Foucault – die dat ieder op hun eigen wijze probeerden. Als je hun manier van denken tot de jouwe probeert te maken, kan dat echt een wereld van verschil maken. Het verschil tussen een betekenisvol en een zinloos leven, tussen een gelukkig en een ongelukkig leven.’

 

Neoliberalisme 
Simon: ‘Dus het leven is maakbaar. We moeten alleen ons 
denken even op orde brengen.’
Drost: ‘Nee, ik denk niet dat geluk volledig maakbaar is. Daarom refereer ik in mijn boek voortdurend aan het relationele. Je moet oog hebben voor jouw afhankelijkheid van anderen. Dat vinden we op dit moment een moeilijke gedachte. Afhankelijkheid is een vies woord. Als ik tijdens een lezing zeg dat je voor liefdesgeluk afhankelijk bent van een ander, zijn er altijd een paar mensen die daarover flippen. Dat komt volgens mij door het dominante neoliberale, egocentrische mensbeeld.’
Valkenberg: ‘Wacht even. Neoliberalisme is echt een modewoord, een vignet voor alles wat slecht is. Alleen weet niemand wat het precies betekent.’
Drost: ‘Dat kan ik je zo uitleggen. Twee principes zijn leidend voor het neoliberalisme: geld is het hoogste doel, en de mens is in eerste instantie een autonoom individu dat zich pas in tweede instantie, en dan puur uit eigenbelang, verhoudt tot andere mensen. Je ziet dit denken overal in doordringen, tot in huwelijken aan toe. Daardoor schrikken mensen van afhankelijkheid.’
Valkenberg: ‘Als je dat zo zegt, zou je denken dat de samenleving erbij ligt als een soort moreel waste land: alle relaties zijn verschrompeld omdat we voortdurend ons eigen unieke ik willen najagen. En dat is gewoon niet zo. Als je kijkt naar sociale cohesie, de participatiegraad of de mate waarin vrijwilligerswerk wordt gedaan, dan zie je dat Nederland bijzonder goed scoort op de ranglijsten. Is het niet wat gemakkelijk om te roepen dat we in een neoliberale tijd leven die alle afhankelijkheidsrelaties kapotmaakt? Wijs me één passage aan waarin Friedrich von Hayek, die duivel van het neoliberalisme, betoogt dat geld het hoogste doel is. Individualisme wordt hier gelijkgesteld aan egoïsme. Ben je dan niet slecht aan het denken?’
Simon: ‘Nu gooi jij een natte dweil in ons gezicht, Sebastien. Met cijfers kun je ook de discussie platleggen. Ik weet niet waar jouw cijfers vandaan komen, maar ik zie iets anders. Het verenigingsleven gaat down the drain. Dat komt volgens mij doordat mensen, als ze al naar een vereniging gaan, denken: ik betaal geld en nu heb ik recht op mijn verenigingsleven. Maar het punt is dat je zelf onderdeel bent van die vereniging. Als je op hockey zit, moet je ook fluiten en bardiensten draaien; anders kunnen er geen spelletjes gespeeld worden. Het is steeds moeilijker om dat voor elkaar te krijgen, omdat mensen zich gedragen als passieve consumenten.’
Drost: ‘Ook dan kan denken helpen. Filosofie kan een oefening in empathie zijn.’
Simon: ‘Maak je nu van het denken niet toch weer iets heiligs, net als die wetenschappers waar je het over had?’
Valkenberg: ‘Ja Jan, ik vind het vervelend om te zeggen, maar je lijkt een beetje een dominee.’
Drost: ‘Ik pretendeer niet te weten wat moreel juist is. Maar ik ben wel gedreven, dat geef ik toe. Als ik merk hoeveel invloed je manier van denken op je leven heeft, word ik enthousiast. Dan is het net als bij een goede mop. Het is heel raar om te denken: die is zo goed, die houd ik voor mezelf. Je wilt hem delen. Je mag het een missie noemen, en dat is het eigenlijk ook.’

Goede mop
Simon: ‘De geschiedenis van de filosofie is niets anders dan een goede mop! Dat vind ik een mooi beeld.’
Drost: ‘Wat moet de filosofie volgens jou dan doen, Coen?’
Simon: ‘Filosofie wordt te vaak gelijkgesteld met wijsheid. Dat klopt niet. Filosofie is een verlangen naar wijsheid. Ik denk daarom dat we het adagium van Socrates – ik weet dat ik niets weet – heel serieus moeten nemen. Het weten dat je niets weet, dat is wat ik probeer te laten zien in al mijn stukken. Op alle waarheidsclaims vuur ik dat adagium af. Onze positie in de wereld is namelijk zo dat we nooit objectieve kennis kunnen krijgen, of nooit los kunnen komen van ons concrete bestaan. De vraag naar waar het bestaan zich bevindt, is een vraag die niet beantwoord kan worden, maar die wel kan worden gesteld. Die houding zien we steeds terug bij de grote filosofen.’
Drost: ‘Ik ben het met Sebastien eens dat je moet oppassen voor postmodern relativisme. Nadruk op die onmogelijkheid van objectieve kennis kan leiden tot relativisme, dat weer tot defaitisme of machteloosheid leidt. Het denken moet wat mij betreft een uiting zijn van optimisme – dat wil zeggen, het begin van iets zijn. Wees creatief in het vormgeven van je eigen perspectief, van je eigen denkbril. Als je in een gezelschap alleen maar zegt dat de waarheid niet bestaat, dan slaat dat de boel dood.’
Simon: ‘Ik zeg niet dat de waarheid niet bestaat. Die bestaat wel.’
Drost: ‘Je zegt toch dat je “ik weet dat ik niets weet” op alle waarheidsclaims moet afvuren?’
Simon: ‘Dat klopt. Op de claim, niet op de waarheid. Die maakt mijn werkwijze juist concreter. Mensen zeggen dat filosofie abstract is, maar dat is ze niet. En dat komt doordat filosofie het standpunt inneemt: ik weet dat ik niets weet. Daar is geen dogma, concept of model tegen bestand.’
Valkenberg: ‘Dat moet je echt even concreet maken.’
Simon: ‘Dat zal ik doen. Vanmorgen gaf ik een lezing op een congres over de toekomst van het boek. Zodra er iets op het spel staat, zie je dat optimisten en pessimisten met hun polarisaties de dienst uitmaken. En polarisaties zijn altijd abstract. Dan hoor je dingen als: “Het boek is gewoon een informatiedrager. Of ik nu een echt boek of een e-book lees, het gaat erom dat informatie en de boodschap worden overgebracht.” Dat is superabstract. De filosofie kan dat concept “informatiedrager” deconstrueren door er “ik weet dat ik niets weet” op af te vuren. Dus zonder er meteen een nieuwe waarheidsclaim naast te leggen, maar door juist die waarheidsclaim te bevragen.’
Valkenberg: ‘En wat levert dat voor concrete informatie op?’
Simon: ‘Als je die zogenaamd neutrale informatiedragers vergelijkt, moet je vaststellen dat het boek door het medium gedwongen wordt om een verhaal anders te vertellen dan bijvoorbeeld een film doet. Dan kun je ook niet meer volhouden dat je dezelfde boodschap overbrengt. Iets anders: als je een boek slecht vindt, kun je het in de hoek gooien. Zou je dat met een e-reader ook doen? Zo lost langzaam het nietszeggende concept “informatiedrager” op, en houden we concrete waarheid over.’

Sigaret
We zijn in café De Jaren. Coen Simon gaat buiten een sigaret roken. Als hij terugkomt, spreekt  hij over het verlangen. Misschien is het verlangen naar een sigaret wel het ultieme verlangen. Simon benadrukt dat je het verlangen naar wijsheid niet moet verwarren met een verlangen naar spiritualiteit of religie. ‘Religie geeft antwoorden op grote vragen. Zolang je een rotsvast geloof hebt, zul je dus niet snel met filosofische vragen zitten. Pas als dat geloof afbrokkelt, gaan mensen zich filosofische vragen stellen. De filosofie kan deze vragen niet beantwoorden, maar kan wel helpen ze te verhelderen.’
Valkenberg: ‘Mensen hebben inderdaad een verlangen naar wijsheid, of zelfs naar waarheid. Maar ze zijn van nature niet zo goed in waarheidsvinding. We zijn vaak geneigd te snel en slordig te denken.’
Simon: ‘Leg eens uit.’
Valkenberg: ‘Sorry jongens, nu moet ik een evolutionaire verklaring geven. Als we geritsel horen in het riet, dan denken we dat er een slang op ons af sluipt en rennen we weg. Dat is in die situatie het slimste om te doen. We hadden natuurlijk ook eerst rustig kunnen kijken of het echt een giftige slang was. Dan was er alleen een grote kans geweest dat we nu dood zouden zijn. De mens is ontstaan in een tijd dat het belangrijk was om snel verbanden te leggen en daar direct naar te handelen. Dat zit ons nu weleens in de weg. Dat resulteert in pseudowetenschap, het geloof in paranormale verschijnselen en complotdenken. Filosofie helpt goed en langzaam te denken. Ik zie de filosofie als een gereedschapskist. Daarin zitten allerlei gereedschappen die je kunnen helpen om goed te denken, zoals het scheermes van Ockham [als er verschillende mogelijkheden zijn om een verschijnsel te verklaren, kies dan de verklaring die de minste aannames bevat en de minste entiteiten veronderstelt, FM]. Met die gereedschappen, die ik aanreik in mijn boek, kun je de kwaliteit van je gedachten en overtuigingen opkrikken.’
Simon: ‘Wat een onzin. Alsof snel denken onze natuur is en het verlangen naar waarheid, dat met rustig denken samengaat, aangeleerde cultuur. Het waarheidsverlangen gaat toch gewoon gelijk op met die neiging om snel te denken? Ik zou, met het scheermes van Ockham, dat nodeloos ingewikkelde onderscheid direct wegsnijden uit je denken.’
Valkenberg: ‘Natuurlijk hoort het verlangen naar wijsheid ook bij onze natuur. Maar dan blijft het toch wel goed om te weten dat we de neiging hebben om te snel verbanden te leggen? Bijvoorbeeld tussen gebeurtenissen die toevallig plaatsvinden, om dan ten onrechte uit te roepen: “Dat kan geen toeval zijn!”’

Jan Drost verzucht: ‘Dit moeten we veel vaker doen, zo met vakgenoten praten. Die belichaamde ideeën tegenover je, daar kun je niet tegenop lezen.’ 
Als de bar sluit, verlaten we het pand en verdwijnen de filosofen in de donkere nacht. Het is stil in Amsterdam.