Home De pijn van anderen

De pijn van anderen

Door Marjan Slob op 13 maart 2013

08-2003 Filosofie magazine Lees het magazine
Een foto gemaakt tussen marteling en executie. Susan Sontag schreef een essay over de verwarring die we voelen tegenover zulke foto’s. Plus: bieden Jan Bannings foto’s van ex-krijgsgevangenen een ontsnappingsmogelijkheid uit die verwarring?

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Er zijn foto's die symbool staan voor een oorlog. Capa's achterovervallende republikeinse soldaat op posterformaat, bekend van de tienerkamer. Het naakte Vietnamese meisje dat gillend van de pijn wegrent van haar met napalm bestrooide dorp. De duizenden foto’s van gevangenen van de Rode Khmer, die met een nummer aan hun shirt stuk voor stuk recht de camera in kijken. Die foto’s zijn dé herinnering aan respectievelijk de Spaanse burgeroorlog, de Vietnam-oorlog en de burgeroorlog in Cambodja. Ze zijn een soort steno geworden voor wat mensen andere mensen hebben aangedaan.

Foto's hebben die kracht. Kijken dwingt tot meeleven; je hoort niet langer een abstract verhaal over politieke verhoudingen, maar ziet een medemens in nood. Zo'n foto spreekt aan, doet op een of andere manier een appèl op je.

Hoe foto's dat precies bewerkstelligen, en wat voor soort appèl dat is, zijn thema's die de Amerikaanse schrijfster en essayiste Susan Sontag al zo'n dertig jaar bezighouden. Met Over Fotografie uit 1977 zette ze de toon voor het denken over foto's. Nu is er een nieuw boek van haar uit, Kijken naar de pijn van anderen, waarin ze haar oude inzichten uitbouwt en soms wijzigt. Het is een dun boekje, zonder enige foto, maar propvol ideeën, observaties, weetjes en standpunten over oorlogsfotografie. Te propvol in feite; als lezer snak je naar een rode draad, een zwaartepunt in haar betoog. Maar inspirerend is ze wel.

Neem de vraag wat voor soort appèl een foto van het lijden van een ander op je doet. Je ziet zo'n Cambodjaanse gevangene. Je weet dat die persoon vóórdat de foto werd genomen is gemarteld, en na de foto is vermoord. En je kijkt naar het gezicht, naar de ogen, je probeert te peilen wat er in die persoon omgaat. Wat je ziet, weet je niet goed te plaatsen. Zelf heb je nooit zoiets meegemaakt – als dat wel zo zou zijn, kon je nu niet kijken. Je denkt: wat een vreemde blik, dof en alwetend tegelijk. En je vraagt je misschien af of je die blik ook dof en alwetend zou vinden als je niets afwist van het lot van de gefotografeerde.


Verder kijken helpt niet om die vraag te beantwoorden. Je blik blijft niet kleven aan nieuwe feiten waardoor je de foto in jouw wereld zou kunnen plaatsen. Je kijkt er eerder dwars doorheen. Hoe langer je tuurt, des te meer de foto een boodschap van de overkant gaat worden, een spookbeeld dat je achtervolgt. Je ontmoet jezelf, je eigen preoccupaties, via een dode. Want waarom wil je ernaar kijken? Het beeld laat jou niet rusten. Maar waarom laat jij het beeld niet rusten? Waarom focus je op de ontluistering van een ander mens?
 

Voyeurisme

Gruwelijkheid stoot af, maar trekt ook aan. Mensen verlangen om te kijken, en dat verlangen is niet alleen maar nobel; er zit ook een element van verlustiging in. Huivering schenkt ‘een soort genot’, volgens Sontag. Een ongeluk op de snelweg levert niet voor niets een file van gluurders op. En dat genot is volgens haar met schaamte omgeven. Als je kijkt naar de pijn van anderen en daar genot aan beleeft, voel je je een vieze voyeur.

Het is een bekende redenering, maar ik heb dat voyeurisme in relatie tot fotografie of film nooit zo goed begrepen. De opwinding van de voyeur – ik zie iets gebeuren met mensen wat ik eigenlijk niet zou mogen zien, maar zij weten niet dat ik kijk – schuilt er voor een groot deel in dat hij naar voren zou kunnen stappen en zou kunnen zeggen: ‘Hier ben ik!’ Die daad zou de situatie totaal veranderen, en dat maakt de voyeur medeplichtig.

Diezelfde macht is niet weggelegd voor iemand die naar een foto kijkt. Dan ben je immers niet ter plekke. Je kijkt niet naar iemand, je kijkt naar een foto van iemand. En dat maakt de logica rondom zo'n beeld anders. Je kunt niet naar die persoon toe. Je kunt niets doen. Je kunt je niet kenbaar maken.

Het heeft weinig zin je te kwellen met het idee dat je geperverteerd bent omdat schokkende foto's je pakken. Als je getuige bent van de pijn van anderen, raak je opgewonden. Ik zie dat als een fysieke voorbereiding op actie. Aan die voorbereiding heb je in het geval van foto's niet veel; aan het lijden valt vaak niets meer te doen. Maar dat maakt de opwinding niet vies en jou niet tot voyeur.

Daarmee is kijken naar de pijn van anderen niet probleemloos geworden. Één aspect van de situatie van de voyeur – ik zie iets gebeuren met mensen wat ik eigenlijk niet zou mogen zien – blijft immers bestaan. Dat roept – als het goed is, zou ik haast zeggen – een ongemakkelijk gevoel van schaamte op. Je ziet een mens in zijn ontluistering, zijn doodsangst. Je weet dat niemand zo gezien wil worden. Wat doe je dan door te kijken?
 

Morele weigering

Sontag biedt geen duidelijke uitweg uit deze problemen. Maar ze weet wel wat niet gepast is bij het kijken naar foto's van de pijn van anderen. Zo heeft ze geen geduld met types die verbijsterd roepen ‘O, wat is het toch erg’. ‘Niemand van een zekere leeftijd heeft recht op dit soort onschuld, deze oppervlakkigheid, op deze mate van onwetendheid en geheugenverlies’, zegt ze. Na honderdvijftig jaar oorlogsfotografie hoor je je te realiseren in wat voor wereld je leeft.

En wat betreft die gevoelens van schaamte: voor een slachtoffer is het natuurlijk niet prettig als je je aan zijn leed vergaapt. Maar die fascinatie voor de ellende van een ander is ook een manier om zijn situatie in ogenschouw te nemen. En dat is het begin van handelen. Trouwens, wat is het alternatief? Niet kijken naar de pijn van anderen?

Je zult de wereld van degene die op de foto pijn lijdt tot jouw wereld moeten verklaren, vindt Sontag. Dat maakt je schaamte bij het kijken tot een soort politieke schaamte: je schaamt je voor de wereld waarin je leeft. En daar is niets misplaatst aan. Het motiveert je misschien zelfs tot politiek handelen.



Probleem is echter dat je blijft zitten met dat oorspronkelijke appèl dat de gefotografeerde op je deed. Voor de gevangene die al is vermoord kun je niets meer doen, ondanks eventuele nobele politieke acties. Hoe je die ene gevangene nu wèl een plek kunt geven in jouw wereld, laat Sontag in het midden. En misschien is dat vage, schemerachtige midden ook hun element. Misschien is het hun lot om te blijven spoken in onze cultuur. En is het ons lot om ons door die foto's achtervolgd te weten.
 

Ze horen weer bij ons

Dat is een droevige gedachte. En in zijn algemeenheid te droevig. Dat is tenminste wat ik dacht toen ik het pas verschenen boek Sporen van Oorlog van Jan Banning onder ogen kreeg. Banning maakte 24 zwart-wit foto's van Nederlandse krijgsgevangenen en Indonesische romusha's (dwangarbeiders) die in de Tweede Wereldoorlog door de Japanners gedwongen werden om te werken aan de Birma- of Pakanbaroe-spoorweg. Banning heeft de mannen, nu vaak ver boven de zeventig, gefotografeerd met ontbloot bovenlijf; de manier waarop ze toen moesten werken. Het zijn sobere portretten tegen steeds dezelfde neutrale achtergrond, maar van duidelijk zeer verschillende mensen.

Bannings project is heel persoonlijk (zijn vader is één van de geportretteerden), en ik weet dat ik hem geen recht doe door zijn project daartoe te reduceren, maar voor mij gaan zijn foto’s een ontroerend beeldrijm aan met de foto’s van de Khmer-gevangenen. In beide gevallen betreft het foto’s van mensen die frontaal in de camera kijken. In beide gevallen zie je mensen die hebben geleden door toedoen van andere mensen. Maar waar de Khmer-gevangenen gaan rondspoken in je brein, daar stuit je blik bij de foto’s van Banning op de individualiteit van de mannen. En dat blijkt een cruciaal verschil.

De foto’s van de Khmer-slachtoffers geven geen houvast. Je weet dat het mensen zijn, maar je kunt geen mensen meer van ze maken. Hun individuele verhaal is verdampt. Ze zijn verworden tot leerstukken voor de levenden, ze spoken rond als eeuwige getuigen van wat mensen elkaar kunnen aandoen. Zelfs al zouden we er via politieke ingrepen in slagen om ervoor te zorgen dat dit soort dingen niet meer gebeurt, dan nog is het persoonlijke appèl dat ook uitgaat van die foto's daarmee niet ten ruste gelegd. Want we weten: het ís gebeurd. Dit hebben we in ons. Zo zijn we.

Bannings foto's doen me denken: ‘We zijn gelukkig nog meer.’ Natuurlijk, de vergelijking stokt op het cruciale moment. Bannings mannen zijn niet dood, het zijn overlevenden. Maar hoewel ze geselecteerd zijn op hun gedeelde pijnlijke verleden, willen ze maar geen symbool worden van de pijn van anderen, zoals de Khmer-gevangenen dat typisch wel zijn. Deze mannen kunnen – en willen kennelijk – ergens persoonlijk getuigenis van doen, in plaats van dat hun foto's ergens getuige van zijn. Bannings foto’s jagen je dan ook niet na. Je kijkt niet door zijn geportretteerden heen. Integendeel: al kijkende hecht je blik zich aan mensen die je eerst alleen als slachtoffer kende.

Dat is niet altijd mogelijk of te doen. Maar als ik dan moet leven in een wereld samen met de spookbeelden van dode gevangenen en gekwelde mensen, dan troost het mij dat ik kennelijk ook leef in een wereld met mensen die hebben geleden door toedoen van anderen, maar niet gereduceerd blijken te zijn tot hun pijn. Als zij hun pijn een plek hebben kunnen geven in hun leven, kan ik ze een plaats geven in mijn wereld.
 
Kijken naar de pijn van anderen, door Susan Sontag, uitg. de Bezige Bij, Amsterdam 2003, € 19,90
Sporen van oorlog: overlevenden van de Birma- en de Pakanbaroe-spoorweg, door Jan Banning, uitg. Ipso Facto, Utrecht 2003, € 25,-