Home De lege plaats van de internationale macht?

De lege plaats van de internationale macht?

Door Raf Geenens op 06 november 2014

Cover van 04-2011
04-2011 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

Er is iets merkwaardigs aan de hand met onze tijd. Enerzijds beleven we de absolute triomf van de democratie. We zijn allicht nog niet aan het einde van de geschiedenis, maar representatieve democratie lijkt wel universeel aanvaard als het enige legitieme politieke regime. Het is het volk dat via diverse procedures de macht hoort uit te oefenen – nauwelijks iemand die daar nog aan twijfelt. Anderzijds bekruipt ons vaak het gevoel dat we minder dan ooit vat hebben op ons collectieve lot. Ons economische beleid wordt gedicteerd door ongrijpbare instanties en ratingbureaus. Cijfers geven aan dat veel van onze wetten hun feitelijke oorsprong vinden op EU-niveau. En geconfronteerd met dringende ecologische problemen lijken we al helemaal machteloos.

Die merkwaardige toestand heeft natuurlijk alles te maken met de voort spurtende globalisering. Onze democratieën zijn georganiseerd volgens nationale grenzen, terwijl zowat alle belangrijke kwesties bepaald worden door krachten die het niveau van de natiestaat ver overstijgen. Kunnen de ideeën van Claude Lefort, die duidelijk ontwikkeld zijn tegen de achtergrond van de klassieke natiestaat, ons niettemin vooruithelpen in het denken over die nieuwe, ‘postnationale’ toestand?

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Representatieve democratie

De teksten over politiek en democratie van de Franse filosoof Claude Lefort (1924-2010) lezen minder als een nuchtere filosofische analyse dan als één lang en vurig pleidooi ten gunste van representatieve democratie. Dat heeft veel te maken met de specifieke achtergrond van Leforts oeuvre. Terwijl de meeste denkers andere theoretische paradigma’s als voornaamste opponent hebben (denk aan de rol die het utilitarisme speelt voor John Rawls), is Leforts werk ongewoon sterk verbonden met de concrete politieke context waarin hij schreef – het naoorlogse Frankrijk – en met een reeks concrete tegenstanders: denkers en activisten uit diep linkse hoek voor wie de Sovjet-Unie lang een navolgenswaardig voor- beeld bleef en voor wie het communisme in alle geval te verkiezen was boven de liberale democratie.

Binnen die context was Lefort een van de eersten om expliciet de waarde van democratie, mensenrechten en de welvaartsstaat te verdedigen. Eerder dan een vanzelfsprekende verworvenheid was representatieve democratie voor Lefort een ideaal dat hij – tegen een aantal tijdgenoten in – trachtte te verdedigen met alsmaar sterkere en meer overtuigende argumenten. Alvorens te kijken of Leforts pleidooi voor representatieve democratie ook vandaag nog relevant kan zijn, is het nuttig om de voornaamste elementen van dat pleidooi op een rij te zetten.

Leforts opvatting van politiek kan best worden omschreven als ‘hermeneutisch’. Politiek is de plaats waar de samenleving zichzelf ‘leest’ of ‘interpreteert’. Lefort beschrijft het politieke toneel dan ook als een toneel van ‘zelfenscenering’: het is hier dat de samenleving een beeld (of beelden) van zichzelf creëert en in stand houdt. De betekenissen die circuleren in de politieke ruimte bepalen hoe we onszelf zien en begrijpen. Het belang van politieke representatie gaat dus veel verder dan louter het verkiezen van vertegenwoordigers. Representatie is volgens Lefort het wezen van politiek, als de plaats waar de eenheid van de gemeenschap uitgebeeld wordt.

Die eenheid hoeft niet noodzakelijk een harmonieuze, substantiële eenheid te zijn (een ‘natie’). Integendeel, de voornaamste verdienste van democratische representatie, aldus Lefort, is dat de samenleving wordt voorgesteld als intrinsiek conflictueus (Lefort, 1988). Op de democratische politieke scène worden de krachten die de samenleving doorkruisen zichtbaar, en krijgen spanningen en conflicten symbolisch een plaats. Ín de samenleving zou de verdeeldheid kunnen leiden tot reële en erg chaotische conflicten tussen individuen. Door het conflict te evacueren naar een plaats búiten de samenleving (het politieke toneel) die voor iedereen zichtbaar is, wordt het maatschappelijke conflict gedomesticeerd (we kunnen ons ermee identificeren zonder het zelf te moeten uitvechten) en kan het een bron van eenheid worden (we zijn immers allemaal betrokken bij hetzelfde conflict).

Onder Leforts opvatting van politiek schuilt ook een bepaalde opvatting van maatschappelijke integratie. De eenheid van de samenleving ontstaat niet spontaan uit private of economische interacties (zoals liberale auteurs graag geloven), maar hoeft ook niet per se te steunen op een uitgebreide verzameling aan gedeelde culturele of ethische waarden (zoals communitaristische of nationalistische auteurs beweren). In plaats daarvan kan de politieke sfeer zélf een bron van eenheid zijn. De dynamiek van het politieke conflict en de betrokkenheid van de burgers op de publiek-politieke sfeer kunnen zelf een voldoende sterke bron van sociale integratie vormen. Voor Lefort is een dergelijke vorm van integratie, door middel van een scène waarop de samenleving zichzelf als verdeeld voorstelt, zelfs een noodzakelijke voorwaarde van vrijheid. Waarom?

Ten eerste omdat die scène een ‘vormend’ effect heeft op de rest van de samenleving. Waarden zoals gelijkheid en vrijheid, die worden verbeeld op de politieke scène en belichaamd in politieke procedures, sijpelen door en bepalen hoe we ons ook in andere domeinen tot elkaar verhouden (cf. Kateb, 1981). Lefort volgt daarin Tocqueville, die expliciet beschrijft hoe de ‘imaginaire’ principes uit de politieke sfeer bepalen hoe men- sen naar zichzelf en naar anderen kijken. Werden sociale verhoudingen in het ancien régime gezien doorheen een schema van hiërarchische statusposities, dan zien individuen in een democratische samenleving elkaar steevast doorheen het (‘imaginaire’) beeld van gelijkheid, ondanks de materiële (‘reële’) ongelijkheden (Tocqueville, 1992:692-697). Denk ook aan electorale procedures, waarin we elkaar symbolisch erkennen als ‘gelijken’ door aan eenieder officieel een gelijke hoeveelheid beslissingsmacht toe te kennen. Daarmee is meteen ook gezegd dat de politieke sfeer van belang is voor onze zelfvoorstelling als politieke actoren. Het is door onze identificatie met de gebeurtenissen op het politieke toneel dat we een beeld van onszelf krijgen als burgers en dat we onszelf herkennen als deelnemers in een maatschappij breed netwerk van machtsverhoudingen. Het geënsceneerde politieke conflict activeert dus ons zelfbeeld als politieke actoren en maakt duidelijk dat we politiek gesitueerde wezens zijn. Kortom, het is de politieke sfeer die ons zelfbeeld als vrije, gelijke burgers instelt en in stand houdt.

Democratische representatie is ook om een tweede reden belangrijk voor Lefort. De zelfvoorstelling van de samenleving doorheen een geproceduraliseerd conflict toont dat sociale verhoudingen steeds opnieuw in vraag kunnen worden gesteld. Verschillende elementen van ons politieke systeem dragen daartoe bij. De regelmaat waarmee verkiezingen georganiseerd worden, bijvoorbeeld, wijst politici op de tijdelijkheid van hun macht. Terwijl premoderne machthebbers als het ware met de macht samenvielen of alleszins konden beweren dat die macht hun om (boven)natuurlijke redenen toekwam, worden democratische leiders – door de onafwendbaarheid van volgende verkiezingen – herinnerd aan het feit dat ze niet de onbetwiste ‘belichaming’ van het volk zijn en dat de plaats van de macht officieel ‘leeg’ blijft.

Ook het meerpartijensysteem is essentieel voor het bewaren van onze vrijheid. De manier waarop partijen elkaar bestrijden, in een vocabularium van rechten en rechtvaardigheid, bepaalt hoe ook elders in de samenleving over politieke kwesties gedacht en gediscussieerd wordt. Bovendien geven de politieke partijen ideologische helderheid en diversiteit aan die discussies. De permanente aanwezigheid van meerdere partijen op het politieke toneel toont dat ‘de wil’ van ‘het volk’ geen uniform geheel is. Partijen belichamen op een zichtbare manier de verschillende ideologische posities en vertalen die posities ook in een concreet beleidsprogramma dat de potentie heeft om onze samenleving in een specifieke richting te duwen. Met andere woorden, partijen bieden concurrerende interpretaties van het heden en de toekomst: ze herinneren ons eraan dat de huidige toestand niet eenduidig is en dat er meer dan één toekomstige samenleving is. Op die manier leert het partijpolitieke conflict ons niet alleen in een geest van tolerantie naar andere standpunten te kijken. Het maakt ook duidelijk, meer fundamenteel, dat het echt verschillende kanten op kan met onze samenleving en dat we in die zin vrij zijn.
 

Lefort voorbij de natiestaat

Het democratische bestel waar Lefort vurig voor pleit lijkt vandaag niet zoveel verdediging meer nodig te hebben. De triomf van de democratie is zo compleet dat een verdediging van de democratie haast banaal lijkt. Toch kunnen de ideeën van Lefort nog relevant zijn. Niet zozeer om nogmaals het belang van democratie in de nationale arena te onder- strepen, maar misschien wel om een aantal zorgwekkende evoluties in de ‘supranationale’ arena te duiden.

Het is voor iedereen duidelijk dat zich steeds meer macht opstapelt op beslissingsniveaus bóven de natiestaat. Daarmee is echter ook de vraag naar de democratie op een nieuwe manier aan de orde. Wat betekent het dat steeds meer beslissingen aan de natiestaat ont- snappen? Moeten die beslissingen niettemin democratisch genomen worden? En kan het supranationale politieke niveau überhaupt gedemocratiseerd worden?

Jammer genoeg heeft Lefort daar weinig over geschreven. Nochtans is die globalisering tastbaar geworden tijdens zijn intellectuele carrière, en ook de uitbouw van de meest succesvolle supranationale politieke structuur – de Europese Unie – overlapt met Leforts meest actieve periode. Zoals hij later zelf toegaf vormen die kwesties inderdaad een blinde vlek in zijn werk; ze waren eenvoudigweg nooit aan de orde in het Franse publieke debat. Het is pas in enkele late teksten uit de jaren 1990 dat het thema van de mondialisering opduikt.

Lefort reflecteert daar onder meer over de wijzigende rol van de natiestaat en over de opkomst van het internationale recht. Op één plaats heeft hij het over de technocratische tendensen van de EU (Lefort 2007: 939). Hij wijst er ook op dat sociale banden hoe langer hoe meer uitsluitend in functionalistische termen geduid worden en waarschuwt voor het gevaar van een ‘desymbolisering van onze sociale verhoudingen’ (Lefort 2007: 946). Elders toont Lefort zich hoopvol ten aanzien van een eengemaakt Europa, een eenmaking die volgens hem kan verder bouwen op een eenheid die ouder is dan de huidige opdeling in natiestaten: het Europa van de vrije steden met een humanistische cultuur, zoals dat in de late middeleeuwen ontstond (Lefort 2007: 1018).

Die korte opmerkingen van Lefort stellen echter veelal teleur. Het zijn vrijblijvende observaties, en hun terloopse karakter biedt weinig houvast voor een meer fundamentele reflectie over onze post nationale constellatie. Dat neemt niet weg dat Leforts visie op politiek en democratie een aantal belangrijke elementen bevat voor een kritische analyse van onze nieuwe politieke conditie. Hieronder suggereer ik twee mogelijke ‘Lefortiaanse’ richtingen voor een dergelijke analyse.
 

Een wereld zonder politiek?

Een van de meest merkwaardige effecten van de huidige globale of post nationale toestand is dat politieke tegenstellingen – in de klassieke zin van het woord – steeds minder belangrijk lijken te worden. Naarmate meer bevoegdheden worden uitgeoefend door supranationale instellingen die uitdrukkelijk ‘niet-politiek’ zijn (denk aan het IMF of de WHO, maar ook de Europese Commissie is in veel opzichten eerder een bureaucratische dan wel een politieke instelling), worden meer en meer conflicten herleid tot technische, juridische, of andersoortige problemen. Het politieke lijkt zich terug te trekken uit ons leven, dat daardoor langzaamaan ‘gedepolitiseerd’ raakt. Daarmee dreigt een specifiek type van menselijke verhoudingen verloren te gaan. Allerlei andere menselijke verhou- dingen zullen allicht blijven bestaan (economische, juridische, culturele, private, …), maar er lijkt steeds minder aanleiding voor mensen om op een politieke manier met elkaar om te gaan, dat wil zeggen, om hun onderlinge relaties te verstaan in het licht van politieke ideeën of van politieke entiteiten. We dreigen te eindigen in wat sommige auteurs ietwat dramatisch omschrijven als een ‘postpolitieke’ wereld. Onder meer de Franse filosoof Pierre Manent, een jongere tijdgenoot die sterk door Lefort geïnspireerd is en jarenlang een collega van hem was aan de Parijse Ecole des Hautes Etudes en Sciences Sociales, heeft die ‘postpolitieke’ dreiging uitgebreid beschreven (Manent, 2006).

Parallel aan de historische evolutie van de natiestaat naar een meer globale constellatie voltrekt zich volgens Manent een geleidelijke ‘depolitisering’ van onze wereld.

De spil van die evolutie is het individu dat alsmaar meer autonomie opeist. Aanvankelijk was de natiestaat een instrument in⁄ dienst van de individuele emancipatie. De natiestaat verschafte zijn burgers onderwijs, politieke macht en sociale rechten; middelen waarmee het individu zich langzaamaan kon loswerken uit allerlei verbanden van onmondigheid en onderdrukking. Nu het individu volkomen geëmancipeerd en ‘vrij’ is, lijkt het zich ook te willen emanciperen van dat allerlaatste verband waarvan het deel uitmaakt, namelijk de politieke gemeenschap. Individuen, aldus Manent, zijn vandaag zodanig gericht op hun persoonlijke autonomie dat ze elke niet-zelfgekozen band willen doorknippen. Maar door de banden met hun politieke gemeenschap te willen opgeven, zien zij over het hoofd hoeveel ze aan dat politieke verband te danken hebben. Niet alleen in materiële zin, omdat de staat de instituties overeind houdt waarbinnen individuen zich kunnen ontwikkelen. Maar ook in meer ‘spirituele’ of ‘symbolische’ zin: het is enkel door deel uit te maken van een politiek verband en door mijzelf gerepresenteerd te weten in de politieke ruimte, aldus Manent, dat ik bewust kan worden van mijzelf als een vrij burger en als een politiek actor. Voor Manent is dit de voornaamste reden om deel uit te maken van een natiestaat: de natiestaat heeft het vermogen om individuen om te vormen tot politieke actoren.

Supranationale politieke instellingen, aldus Manent, hebben dat vermogen niet. Manent richt zijn pijlen in het bijzonder op de Europese Unie, en beweert dat deze er niet in slaagt om haar burgers een beeld van zichzelf te geven als Europese burgers. De schaal van de EU en het gebrek aan echte, politieke instellingen maakt dat burgers zich niet vertegenwoordigd voelen en dat hun gevoel van betrokkenheid afneemt. Volgens Manent zijn dit geen tijdelijke tekortkomingen van het onvoltooide Europese project, maar symptomen van de eigenlijke natuur ervan. Achter het Europese idee schuilt volgens Manent een diepgewortelde afkeer, niet gewoon voor het principe van nationale identiteit, maar voor elke vorm van politiek toebehoren. In die zin zijn supranationale instellingen het evidente resultaat van een steeds verder hollende individualisering. Na zich van alle oudere banden te heb- ben geëmancipeerd met behulp van de natiestaat, knipt het individu nu ook de banden met het nationale burgerschap door. De Europese culturele en economische ruimte, aldus Manent, biedt allerlei opwindende mogelijkheden voor een dergelijk, vrij zwevend individu. Maar wat ze niet kan bieden is een collectief politiek project, een gemeenschap die door het individu mee kan worden vormgegeven. Wat verloren gaat, met andere woorden, is de context waarin een individu zichzelf kan zien, niet gewoon als een individu, maar als een politieke actor met macht en verantwoordelijkheid ten aanzien van een gemeenschap. Een pessimistisch gestemde Manent vraagt zich ten slotte af waarom jongeren zich überhaupt nog zouden inzetten voor de samenleving indien ze niet langer het gevoel hebben deel uit te maken van één specifieke samenleving.

Manents analyse van de Europese Unie kadert in een conservatief getint, Eurosceptisch pleidooi voor het bewaren van de natiestaat – een spoor waarop Lefort, die veel Europeser gezind was, hem zeker niet zou volgen. Maar Manents analyse van de ‘depolitisering’ van de inwoners van Europa sluit wél aan bij Leforts eigen bekommerissen. Op het einde van zijn leven had Lefort sterk het gevoel dat onze politieke betrokkenheid langzaamaan afbrokkelt. Hij was daarbij ook beïnvloed door een zekere nostalgie naar het politieke activisme uit zijn eigen jeugdjaren en naar de felle politieke conflicten waarin hij betrok- ken was in het Parijs van kort na de Tweede Wereldoorlog. Lefort gelooft dat er momenteel een brede terugtrekking uit het politieke aan de gang is. Een enkele keer wijt hij die individualisering – de neiging van onze samenleving om zichzelf uitsluitend nog te zien als een ‘samenleving van individuen’ – aan de toenemende druk van neoliberale ideeën (Lefort 2007: 941).

Lefort legt echter zelden of nooit het verband met de geleidelijke degradatie van de natie- staat en met de opkomst van supranationale instellingen. De analyse van Manent doet dat – terecht – wél, en ook enkele andere auteurs interpreteren onze hedendaagse situatie in gelijkluidende termen. John Pocock, de historicus van het republicanisme, schrijft bijvoorbeeld dat de huidige ontmanteling van de nationale soevereiniteit er doelbewust op gericht is om een ‘niet-politieke’ (of ‘postpolitieke’) wereld tot stand te brengen, een wereld waar individuen zich uitsluitend definiëren doorheen economische transacties en waar geen enkele context voor politiek handelen overblijft (Pocock 2005:279-283).

Leforts werk bevat geen ready-made recepten om die evolutie tegen te gaan. Maar het bevat wel bijzonder gedegen inzichten in het ‘vormende’ effect van politieke instituties, dat wil zeggen, in het verband tussen representatieve politieke instituties en de manier waarop individuen zichzelf verstaan binnen de samenleving als geheel. Ons zelfbeeld als vrije en gelijke burgers met een rol in het uitoefenen van de collectieve macht staat of valt met het bestaan van een democratisch politiek toneel waar dat zelfbeeld geactiveerd wordt, zo leert Lefort ons. In dat opzicht heeft hij, beter dan wie ook, begrepen wat er op het spel staat indien de functie en de geloofwaardigheid van onze bestaande, nationale politieke instellingen worden afgebroken (of: indien we er niet in slagen om gelijkwaardige instellingen op te trekken op het supranationale niveau).
 

Democratie zonder representatie?

Er is nog een tweede reden waarom de ideeën van Lefort relevant zouden kunnen zijn in onze nieuwe, geglobaliseerde conditie. In de discussies omtrent supranationale instellingen (denk opnieuw aan de EU of aan de WHO) circuleren namelijk enkele merkwaardige theorieën over de legitimiteit van deze instellingen. Die theorieën zijn merkwaardig omdat ze weliswaar geloven dat deze instellingen democratisch gelegitimeerd moeten worden, maar tegelijk volhouden dat dit niet hoeft te gebeuren langs klassieke, representatieve weg (met omslachtige procedures en instellingen zoals verkiezingen of volksvertegenwoordigingen). Dergelijke theorieën opereren dus met een expliciete ‘disanalogie’ tussen nationale en supranationale politiek: ze zien geen reden om de representatieve instellingen van de klassieke natiestaat – met centraal daarin een geënsceneerde competitie om macht – te reproduceren op supranationaal niveau. In plaats daarvan geloven ze dat die nieuwerwetse supranationale instellingen ook op een nieuwerwetse manier gelegitimeerd kunnen worden.

Sommige auteurs beweren bijvoorbeeld dat dergelijke instellingen democratisch legitiem zijn zolang hun prestaties (in termen van economische stabiliteit of groei) grosso modo aan onze verwachtingen voldoen – net zoals we als consumenten tevreden kunnen zijn over de diensten van een bedrijf. Andere auteurs zijn een tikje ambitieuzer en doen allerlei voorstellen voor nieuwsoortige democratische procedures. Ze geloven dat het mogelijk moet zijn om via hoorzittingen, comités en andere overlegprocedures in elk beleidsdomein inspraak te geven aan de betrokken individuen of groepen, zonder dat die inspraak hoeft te verlopen via gepolitiseerde en gemediatiseerde procedures. De voorwaarden van legitieme democratische besluitvorming kunnen immers net zo goed (en misschien zelfs beter!) gerealiseerd worden in een fijnmazig netwerk van overlegorganen, waarin burgers ‘functioneel participeren’ al naar gelang hun betrokkenheid bij het betreffende domein. Indien de besluitvorming transparant verloopt, indien alle betrokkenen inspraak hebben en indien er ook effectief met die input rekening gehouden wordt, zijn klassieke democratische procedures overbodig. Meer nog, die ouderwetse procedures lijken nodeloos complex en inefficiënt in het licht van meer rationele inspraakmodellen.

Wat loopt er fout in deze opvatting van democratie? De auteurs van dergelijke modellen laten zich misleiden door een ‘positivistische’ illusie. Ze geloven met name dat de rol van politieke instellingen samenvalt met de zichtbare, empirisch vaststelbare functie ervan, namelijk het formuleren en implementeren van oplossingen voor een aantal collectieve problemen. Het is precies tegen een dergelijke, reductieve lezing van politiek dat Lefort zich altijd verzet heeft. In ‘La Question de la démocratie’, allicht zijn belangrijkste publicatie (Lefort, 1988: 9-20), neemt hij het expliciet op tegen dat positivistische misverstand. Politieke instituties hebben geen louter functionele rol in de samenleving, maar zijn op een meer intieme manier verweven met de betekenis van dat samenleven. Ons zelfverstaan als een democratische, vrije samenleving, aldus Lefort, is nauw verbonden met de aanwezigheid van een toneel waarop een voortdurend conflict gaande is over de juiste interpretatie van heden en toekomst. Omwille van dat ‘intieme’ verband kunnen de klassieke, representatieve instellingen niet zomaar langs de kant geschoven worden, zelfs niet wanneer er meer ‘efficiënte’ alternatieven beschikbaar lijken.

Nochtans is dat precies wat momenteel gebeurt. Steeds meer bevoegdheden vallen in handen van een gedecentraliseerd netwerk van supranationale bestuursorganisaties. De beslissingen die zo ontstaan kunnen maar moeilijk worden begrepen als de beslissingen van een vrije, zichzelf besturende gemeenschap, aangezien deze gemeenschap niet eens over de institutionele middelen beschikt om zichzelf als dusdanig te herkennen. Bij gebrek aan een politieke scène waarop de krachtverhoudingen en de verschillende beleidsmogelijkheden zichtbaar belichaamd worden, verschijnt het mondiale ‘beleid’ onvermijdelijk als een eenzijdig opgelegde orde die ons overkomt, eerder dan dat we er zelf de auteur van zijn.

Opnieuw, het werk van Lefort bevat geen recepten om die evolutie tegen te gaan. Maar Leforts analyse van democratische representatie reikt wel een mogelijk vocabularium aan waarmee we kunnen uitleggen wat er verkeerd is met beslissingen die genomen worden in een amorf netwerk van onvoldoende zichtbare instellingen. Leforts conceptuele apparaat lijkt daarvoor veel beter toegerust dan andere opvattingen van democratie, die veelal geen enkele aandacht hebben voor de ‘symbolische’ of ‘representatieve’ rol van politiek.

Literatuur

  • Kateb, G. (1981). The moral distinctiveness of representative democracy. Ethics, 91(3):357-374. Lefort, C. (1988). Democracy and Political Theory. Cambridge: Polity.
  • Lefort, C. (2007). Le Temps présent. Ecrits 1945-2005. Parijs: Belin.
  • Manent, P. (2006). A World Beyond Politics? A Defense of the Nation-State. Princeton, NJ: Princeton University Press.
  • Pocock, J. (2005). The Discovery of Islands. Cambridge: Cambridge University Press.
  • Tocqueville, A. de (1992). De la Démocratie en Amérique II. In Oeuvres II. Parijs: Gallimard.