Home Film De filosofische videotheek: Olympia
Film

De filosofische videotheek: Olympia

Door Jacques de Visscher op 07 november 2014

Cover van 01-2012
01-2012 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

Films over de Olympische Spelen hebben een archetype: Olympia van Leni Riefenstahl, gemaakt in 1936 tijdens de Spelen in Berlijn en uitgebracht in 1938. De film heeft de reputatie een naziprent te zijn of toch ten minste een propagandafilm voor het toenmalige nationaalsocialistische regime. Kijken we vandaag naar Olympia, dan ontgaat het propagandistische element ons niet. Er zijn de vele mannen in uniform en het regelmatig zichtbare hakenkruis, het bekende (en nu verfoeide en zelfs verboden) embleem op de vlaggen en op de sporthemdjes van de Duitse deelnemers. Er is de nationale Hitlergroet van de gelauwerde Duitse atleten en de even nationale fascistengroet van de Italianen (merkwaardig genoeg neemt ook de Franse delegatie deze groet over als ze tijdens de openingsoptocht voorbij de eretribune stapt). Verder valt de geëxalteerde toon van de commentator op als Duitsers, Italianen en Japanners een wedstrijd winnen. We vergeten de vermelding niet dat sommige baanlopers Amerikanen van het zwarte ras zijn – niettemin krijgt recordloper Jesse Owens heel veel aandacht – en ten slotte zijn er de beelden van het toekijkende Duitse staatshoofd, toen nog geen vijand van de westerse mogendheden. Onvermijdelijk bekijken we de film vandaag met ogen die weten wat er in 1938 en daarna is gebeurd.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Nemen we nu enige afstand van de aanhechting van Oostenrijk en Tsjecho-Slowakije, de Duitse inval in Polen, de Jodenvervolging en de Tweede Wereldoorlog die Europa en het Verre Oosten in brand heeft gezet, dan zien we de film ‘op zichzelf’, zonder dat specifieke historisch-politieke perspectief of preciezer, zonder de bijgekomen associaties die we van eindeloze commentaren blijven voorzien. Zonder die connotaties ‘achteraf’ zien we een bijzonder goedgemaakte documentaire van een gigantisch sportevenement: kunstzinnige wit-zwartfotografie, merkwaardig gecoördineerde camerawerking en bijhorende vlotte montage, spitsvondige kikvors- en vogelperspectieven, de naar het schijnt eerste travellings, sprekende beelden van het enthousiaste publiek en van de zich inspannende sportmannen en sportvrouwen. Hun close-ups hebben zelfs geschiedenis gemaakt. Bovendien heeft de cineaste, Leni Riefenstahl (1902-2003),aan deze Olympische Spelen een evolutionistisch-esthetische context gegeven: er is een proloog die suggereert dat de Spelen de dynamiek in de opgang van de mens uitdrukken.

De idee dat wanneer de mooiste mannen zich met elkaar in de sport gaan meten tegelijk hun moed en wilskracht tonen (en dus deugdzamer worden), dateert van de Atheense gouden eeuw. Maar schoonheid was toen ook de uitdrukking van harmonie, belichaamd in evenwichtige verhoudingen waarvan de architectuur en de beeldhouwkunst zinnebeelden waren. Buitenschaligheid, mateloosheid en overmoed bleven ondeugden. In het perspectief van de vooruitgang laat Riefenstahl het beeld van de diskobolos van de antieke beeldhouwer Myroon overvloeien in de houding van een moderne atleet. Zij toont de gang van de moderniteit.

De glans van deze geijkte schoonheid krijgt letterlijk een vurige uitstraling: vanuit Marathon, waar tijdens de Peloponesische Oorlog de eerste ‘marathon’ van start ging, vertrekt traditiegetrouw om de vier jaar een estafette waarin lopers een fakkel naar de plaats van de Spelen overbrengen om uiteindelijk daar in het stadion het Olympische vuur aan te steken in het teken van een ‘Feest van de Mensheid’. Ook dat zien we in Riefenstahls film, waarvan het eerste deel de ondertitel Fest der Völker meekrijgt. Het tweede deel, dat een proloog bevat met esthetiserende beelden van oefenende atleten, heet Fest der SchönheitOlympia staat dus in het teken van de maakbaarheid van het schone: het schone van de geoefende en presterende lichamen, het schone van de competitie, het schone van de aanmoedigingen van het enthousiaste publiek, het schone van de overwinning van het land dat zijn gezanten op het erepodium kan plaatsen waar de kampioenen een lauwerkrans op het hoofd krijgen. Er is geen vuiltje aan de lucht.

Olympia heeft navolging gekregen, onder meer in Tokyo Orimpikku 1965 van Kon Ichikawa, niet alleen omwille van de cinematografische kwaliteiten, maar ook omwille van de betekenis van de sportende mens in onze activistische cultuur, waarvan de Spelen een zinnebeeld vormen. Riefenstahl associeert sportprestaties met elegante schoonheidbeoefening. Hoewel zij naast haar Hitler-idolatrie ook voor dit ‘manifest’ werd bekritiseerd, evoceert ze niets meer (en ook niets minder) dan het universeel voorgehouden ideaal dat de schoonheid van de menselijke gestalte zich vooral toont in presterende atletische lichamen van mannen en vrouwen. Voor sommigen heet dit mens sana in corporesano. De conventionele en tegelijk ideologische vertaling hiervan luidt: een gezonde geest in een gezond lichaam, alsof we aan sport zouden moeten doen om een gezond en schoon lichaam te hebben dat dan op zijn beurt een gezonde geest zou garanderen of voortbrengen. Dit oorzakelijk verband is niet de teneur van de passus in Iuvenalis’ Saturae. Eigenlijk gaat het over de wens dat we in de eerste plaats een gezonde geest zouden hebben, en dan het liefst in een gezond lichaam. Dit past trouwens in het Griekse ideaal (Plato) dat niet zozeer de zorg voor het lichaam van tel is, maar de zorg voor de ziel.

Van dit laatste zien we in Olympia bitter weinig. Zou iemand dit verwachten? De esthetisering van de grensverleggende atletische lichamen camoufleert dat de meeste sportprestaties geest en ziel verdwazen. Niettemin toont de film een soort religio, een vredelievende ceremonie via sport. Huichelarij? Hedendaagse filmopnamen van sportwedstrijden zijn cynischer en onthullen onomwonden geweld en verbetenheid. De elegantie van Olympia – ‘geregisseerde onschuld?’ kunnen we ons afvragen met bioloog Midas Dekkers in zijn verhelderend boek Lichamelijke oefening – maakt plaats voor beelden van agressiviteit en brutaliteit, van grofheid en hysterische uitbarstingen bij elk scoren, van onderuit halen en schelden, van rivaliteit en ontroostbaar verdriet bij elke nederlaag. In dit perspectief gaan niet alleen sporthelden elkaar te lijf, ook het publiek, op zoek naar gezondheid, laat zich in dit geweld niet onbetuigd.