Home Boeddhisme: geweld mag

Boeddhisme: geweld mag

Door Michel Dijkstra en Simone Bassie, Michel Dijkstra en Simone Bassie op 24 april 2014

Cover van 05-2014
05-2014 Filosofie magazine Lees het magazine
Boeddhisme is meer dan vredige Boeddhabeeldjes en rustgevende meditatie. ‘Compassie kan in het boeddhisme gepaard gaan met geweld.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Het boeddhisme staat bekend om zijn vredelievende karakter. Een aanhanger van deze filosofie zal niet snel wild om zich heen slaan, maar in de eerste plaats zijn geest kalmeren via meditatie. Zo blijft hij altijd vriendelijk. Volgens de boeddhistische denker Han de Wit is dit vreedzame beeld echter niet geheel juist: ‘Compassie kan in het boeddhisme gepaard gaan met geweld. Schokkend! Compassie is niet simpelweg lief en aardig zijn tegen de medemens, maar kan de vorm hebben van heel stevig “nee” zeggen en “nee” doen. Verzet mag.’
 
Deze ferme uitspraak van De Wit is afkomstig uit Oosterse denkers in de polder, een door filosoof Jan Flameling en politicus Hans Baaijens samengestelde interviewbundel. Beide auteurs zijn bijzonder geïnteresseerd in oosterse spiritualiteit, die vaak de nadruk op individuele vervolmaking lijkt te leggen. Tegelijkertijd ligt hun hart bij maatschappelijk geëngageerd handelen. Tussen beide interessegebieden bestaat overduidelijk een kloof, die misschien niet te overbruggen is. Toch hebben beide auteurs het gevoel dat spiritualiteit en politieke daadkracht verenigbaar zijn. Een spannend uitgangspunt, zeker in een tijd waarin Boeddhabeeldjes primair de vredigheid van vensterbank en voortuin moeten verhogen.

Zenmeester
Flameling en Baaijens vroegen vier boeddhistische coryfeeën (de filosofen Jan Bor en Henk Oosterling, zenmeester Ton Lathouwers en de boeddhistische psycholoog Han de Wit) of hun filosofie met politiek handelen is te verenigen. Van deze denkers geven vooral De Wit en Oosterling een bevestigend en concreet antwoord.

De Wit stelt dat de kern van het boeddhisme bestaat uit de dalervaring: ‘Dit zijn momenten waarin we met zoveel toewijding en overgave iets doen dat we niet meer bezig zijn met de vraag of we het goed of slecht doen of wat anderen ervan vinden.’ Hij noemt deze ervaringen met opzet dal- en geen piekervaringen, omdat de mens op zulke ogenblikken helemaal openstaat voor het leven: ‘We lopen niet meer met ons hoofd in donkere of op roze wolken.’ Volgens De Wit is de mens op zo’n moment op z’n best. Hij is niet meer op zichzelf gericht, maar wil zo goed mogelijk voor de wereld zorgen. In boeddhistische termen kun je deze geestesgesteldheid ‘verlichting’ noemen.

De dalervaring kan volgens De Wit de motivatie voor politiek handelen vormen, omdat je in jezelf het verlangen aanboort dat het met alles en iedereen goed mag gaan. Met een boeddhistische politieke ideologie heeft hij echter weinig op. Het gaat er juist om jezelf te bevrijden van elk ideologisch houvast, om op die manier volledig vrij te kunnen handelen. Alleen zo kun je echt voor de ander klaarstaan vanuit de belangrijkste boeddhistische deugd: compassie.

Dit mededogen houdt ook in dat je in sommige situaties de wet naast je neerlegt als dit de humaniteit bevordert. De Wit: ‘Je kunt je niet blind verschuilen achter regels, wetten of bevelen. De bereidheid om telkens weer bij elk moment met die vraag te leven in plaats van terug te vallen op een of andere ideologie, dat is de kern van de boeddhistische politieke stellingname.’ Hoe dit politieke handelen er in de praktijk uitziet, wordt echter niet duidelijk uit De Wits verhaal.

Rotterdam
De Rotterdamse filosoof Henk Oosterling probeert de oosterse spiritualiteit op een concretere manier naar het alledaagse leven te vertalen. Zo gebruikt hij boeddhistische inzichten voor zijn project Rotterdam Vakman-stad: een poging om sociaal minder goede wijken in zijn geliefde woonplaats te verbeteren. Een van de belangrijkste gedachten uit het boeddhisme vindt hij het idee dat de mens een knooppunt is. Dit betekent dat hij altijd verbonden is met anderen en andere dingen in een groot netwerk. Oosterling heeft deze gedachte uitgewerkt in zijn relationele filosofie: ‘Een filosofie die niet gebaseerd is op een individu, maar een denken dat primair uitgaat van relaties en van dynamische interacties.’

 
Wie beseft dat hijzelf niet het middelpunt van de wereld is, maar fundamenteel van anderen afhankelijk is, zal als vanzelf meer verantwoordelijkheid voor zijn daden nemen. Zo iemand leeft vanuit een houding van interesse voor de ander. Deze openheid verbetert niet alleen de intermenselijke relaties, maar ook de verhouding tussen mens en natuur. In zijn project Rotterdam Vakmanstad probeert Oosterling jonge kinderen dan ook zo veel mogelijk met de natuur in aanraking te brengen, bijvoorbeeld door ze zelf gewassen te laten verbouwen. Op die manier krijgen ze meer respect voor het milieu. Oosterling omschrijft deze werkwijze als ‘micropolitiek’: door klein te beginnen hoopt hij het verschil te maken.
 
Zowel De Wit als Oosterling laat zien dat oosterse spiritualiteit de politiek kan voeden. Als lezer blijf je echter met de vraag zitten hoe deze inzichten binnen het machtsspel van de partijpolitiek vruchtbaar kunnen zijn. Dit geldt ook voor Flameling en Baaijens. Vooral de laatstgenoemde blijft met zijn beginvraag zitten: ‘De antwoorden die ik kreeg, hebben me enigszins op weg geholpen: dagelijkse meditatie en contemplatie kunnen mij helpen en sterken in het vinden van een houding, in de juiste motivatie en moed die ik nodig heb.’
 
Hoe hij deze houding precies moet vinden blijft voor Baaijens een koan. Deze term uit het zenboeddhisme duidt een met de ratio niet op te lossen paradox aan, zoals: ‘Alles wat je wilt doen, werkt niet. Wat ga je doen?’ Het mooie van een koan is dat die de filosofisch denkende mens naar het leven terugverwijst. De enige manier om zo’n raadsel op te lossen, ligt besloten in het alledaagse bestaan: in je keuzes en handelingen vormt zich het antwoord. Baaijens verzucht dan ook dat hij er zijn ‘hele leven mee bezig zal zijn’. Zo mondt het boek uit in een fundamenteel open kwestie.
 
De vraag naar de verhouding tussen oosterse filosofie en politiek als koan betitelen, vormt echter juist de grote verdienste van Oosterse denkers in de polder. Het zou mooi zijn als enkele toppolitici het boek ter hand namen en hun eigen zenraadsel ontdekten. Wie weet zou dit tot een samenleving met iets meer compassie leiden. Of, zoals de oosterse denkers Han de Wit en Henk Oosterling stellen, een maatschappij die gebouwd is op openheid en belangstelling voor elkaar.