In de zomer van 1828 pakte schrijfster Johanna Schopenhauer haar koffers en vertrok met haar dochter Adele op reis. De beide dames gingen per koets door België. Twintig jaar eerder was Johanna daar met haar man al geweest, maar vader Schopenhauer was inmiddels dood. Zoon Arthur bleef thuis.
Dit artikel is exclusief voor abonnees
Tijdens de reis houdt Johanna een nauwkeurig verslag bij. Ze is dol op de Belgische steden. ‘Ik heb me zelden na enkele dagen zo gemakkelijk thuis gevoeld als in Antwerpen. De vele families uit het buitenland die hier gevestigd zijn – Duitsers, Fransen, Engelsen en Italianen – verdrijven de monotonie uit het gezelschapsleven en de verroeste stijfheid die dikwijls al te voelbaar is in handelssteden die niet meteen zeesteden zijn.’ Over Brussel: ‘Mooie grote huizen in moderne stijl worden afgewisseld door hoge smalle puntgevelhuizen zoals dat in alle oude steden het geval is, maar hier zorgen de hoge spiegelblanke vensters en de lichte olieverf ervoor dat de oude huizen er niet minder vriendelijk uitzien dan de nieuwe.’ Johanna’s algehele indruk over België: ‘Behaaglijk, vriendelijk en onbeschrijflijk proper’.
Eigenlijk heeft het land maar één nadeel: ‘Jammer genoeg was er in de herberg geen andere gids te vinden dan een invalide met een houten been, die er tamelijk verbeurdverklaard uitzag en die slechts enkele woorden Frans uitbraakte en voor de rest alleen Vlaams sprak. Hij hinkte voorop en wij gingen achter hem aan, zonder acht te slaan op de stortregen die net viel.’ Inderdaad: het weer.