Home Achteruit naar voren gaan

Achteruit naar voren gaan

Door Jan Dirk Snel op 27 november 2012

04-2007 Filosofie magazine Lees het magazine

‘Inconsequent scepticisme en een inconsequent universalisme’, die woorden van Leszek Kolakowski zouden kunnen dienen als motto voor zijn net vertaalde essaybundel. Daarin deinst hij niet terug voor de absolutische uitspraken van het christendom, maar hij schrijft er nooit anders dan ironisch over.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Sinds Justus van Effen (1684-1735) hebben diverse schrijvers invoering van het ironieteken bepleit. Maar geen van hen heeft het ooit zelf in zijn werk toegepast. Dat zegt genoeg. Als je erbij moet vertellen, dat iets ironie is, is het geen ironie meer. Toch zou het interessant zijn om eens te zien waar een redacteur het ironieteken – tijdens de laatste boekenweek introduceerde het CPNB een ‘verzenuwd uitroepteken’ in de treffende omschrijving van recensent Arjan Peters – zou plaatsen bij de bundeling van artikelen van de Pools-Britse filosoof Leszek Kolakowski (1927), die in overleg met de auteur is samengesteld. Bij afzonderlijke zinnen of alinea’s of misschien toch maar bij volledige artikelen of zelfs het hele boek? De titel, Wilt u achteruit naar voren gaan, geeft een indicatie.

Ironie is een stijlfiguur waarbij we het tegendeel zeggen van wat we werkelijk bedoelen, althans in haar eenvoudigste variant. Op een bepaald moment merkt Kolakowski op dat wat hij zojuist heeft betoogd, ‘zijn titel zou kunnen ontlenen aan het fameuze traktaat van Abelard: Sic et non. Het zou me moeilijk vallen deze beschuldiging te weerleggen, tenzij door te zeggen dat Sic et non een geschikte titel is voor het grootste deel van het materiaal waaruit onze geest bestaat.’
 
Sic et non – ja en nee. Je kunt ja en nee tegenover elkaar stellen om na diepgaande afweging voor de ene of de andere optie te kiezen, maar je kunt de tegenspraak ook productief handhaven. Die methode ligt in feite aan de basis van de verrassende en grillige roman De Catacombe van Molussië van de filosoof Günther Anders, die nu door Piet Meeuse is vertaald en van een uitstekende toelichting voorzien. ’s Mans naam is al een uiting van speelse ironie, want hij werd als Günther Stern in 1902 in Breslau geboren, maar toen een krantenredactie vroeg hij of hij vanwege zijn publicatiedrift niet ook een andere naam kon kiezen, was zijn reactie: dan heet ik dus ook Anders. Dat bleef zijn schrijversnaam.

Anders, destijds getrouwd met Hannah Arendt, schreef zijn roman begin jaren dertig, maar hij werd pas in het jaar van zijn overlijden, 1992, gepubliceerd. Ook Meeuse benadrukt dat hij het boek schreef nadat hij kennisgenomen had van Hitlers Mein Kampf, en die historische achtergrond kun je zeker terugvinden, maar de tekst lijkt een parodie op de marxistische dialectiek, zou ik zo zeggen, ook al is de term me slechts een keer opgevallen.

Het gaat over de verhalen die twee gevangen elkaar vertellen, in een aardedonkere kerker in de totalitaire staat Molussië, waar bovengronds de leugen heerst. Alleen ondergronds geven opeenvolgende generaties elkaar met tussenpozen van een jaar of dertig de waarheid door. Olo, de oudere, en Yegussa, de jongere, zijn de zeventiende en de achttiende in de keten, maar misschien ook niet, want op den duur wordt alles onzeker. Ondergronds wordt de werkelijkheid niet alleen rechttoe rechtaan doorgegeven, maar wordt de waarheid ook gelogen, in een mengeling van fabels, liederen, lessen en analyses die soms ook ter plekke worden aangepast of verzonnen. Over de aanhangers van het premisme, de leer van Prem, in wie we Karl Marx zien doorschemeren, zegt Olo: ‘Ze zijn gelovigen van het ongeloof, dogmatici van de Verlichting en fanatici van het woord “werkelijkheid”.’ Verlichtingsfundamentalisten zijn niet pas recent ontdekt.

Alleen door de werkelijkheid te fabuleren wordt die bruikbaar. Het wonderlijke boek speelt met de tegenstelling tussen waarheid en leugen, realiteit en fantasie. Voortdurend lees je uitspraken als: bewijzen bewijzen niets. Het boek gaat tegen een mythische achtergrond ook over de moderne, kapitalistische maatschappij, waarin arbeid een marktgoed is geworden en de oude slaaf-meester-verhouding vervangen heeft: zie een prachtig verhaal over hoe juist een kapitalist de slavernij vernietigt. Het gaat over onderdrukking en verzet, maar ook over de weg van het compromis die naar de toekomst leidt. Je kunt proberen de elementen van een sleutelroman te ontcijferen, maar je kunt je beter door de verhalen laten meeslepen.

Gisting

Het boek is vooral een prachtige uiting van de revolutionaire gisting en verwarring die Europa in de twintigste eeuw in zijn greep had. Dat vormt ook de achtergrond van Kolakowski’s schrijverschap, die zijn loopbaan aanving in het communistische Polen. Misschien kun je Kolakowski het beste typeren als een ironisch theoloog. Eind jaren vijftig deed hij kerkhistorisch onderzoek in Nederland en Frankrijk dat resulteerde in zijn grote studie Chrétiens sans église over dissidente, tolerant gezinde christelijke groeperingen in de zeventiende eeuw en het is vreemd dat uitgerekend dit boek, dat een sleutel biedt tot zijn hele œuvre, nooit in het Nederlands verschenen is.

Juist in zijn kritiek op de communistische heilsleer lijkt Kolakowski zich aangetrokken te voelen tot de absolutistische aanspraken van het christendom. Vaak redeneert hij op een ironische wijze vanuit een christelijk perspectief. Zo beschrijft hij doodserieus de invloed van de duivel in de Europese geestesgeschiedenis. Of stelt hij de vraag of de absolute waarheidsaanspraak van het christendom staande gehouden kan worden zonder de toevlucht tot dwang te nemen. Ja, het kan, is zijn conclusie, maar zijn pleidooi voor tolerantie brengt ondertussen vooral de argumenten ertegen naar voren.

De waarde van de christelijke erfenis en het belang van historisch besef zijn zaken die Kolakowski steeds aan de orde stelt, maar eigenlijk niet door vanuit onze moderne seculiere situatie te redeneren en vervolgens argumenten voor de traditie aan te voeren, maar door ze als vanzelfsprekend te poneren. Dat is sterk en wat zwak tegelijk. Hoe zijn mensen te overtuigen die hier geen affiniteit meer mee hebben? Uiteindelijk kiest Kolakowski onomwonden voor een liberale samenleving die conservatieve en socialistische waarden – een gematigd interveniërende staat die naar evenwicht zoekt – honoreert. Menselijke waardigheid staat centraal in die samenleving. Kolakowski’s verdediging van eurocentrisme is uiteindelijk gebaseerd op het gegeven dat Europa zich zelf ook kritisch durft te bevragen en te relativeren. Hij beveelt ‘inconsequent scepticisme en een inconsequent universalisme’ aan.
Onder Kolakowski’s sceptische toon ligt een intens heimwee, dat het positieve bevestigt.

De catacombe van Molussië. Roman, vert. en nawoord Piet Meeuse, uitg. Lemniscaat, Rotterdam 2007, 312 blz., € 19,95
Wilt u achteruit naar voren gaan! Essays van een conservatief-liberaal-socialist, door Leszek Kolakowski, inl. Jacques De Visscher, vert. Herman Van Den Hautte en Ewa van den Bergen-Makala, uitg. Klement/Pelckmans, Kampen, 2007 182 blz, € 21,95