Home De leugen van de identiteit
Identiteit

De leugen van de identiteit

Door Patrick van IJzendoorn op 31 januari 2013

06-2002 Filosofie magazine Lees het magazine

Terwijl de noodsirenes loeiden, de bommen ontploften en de stroom was uitgevallen in het belegerde Belgrado, slaagde actualiteitenrubriek Netwerk er destijds in contact te leggen met haar correspondent. “Hoe is de sfeer daar?”, luidde de eerste vraag vanuit Hilversum. Op zo’n moment lukt het inderdaad alleen een Nederlander te denken aan de sfeer, de  gezelligheid. Oorlog moet wel leuk blijven, en de mensen zichzelf. Ook tijdens de formatie van het centrum-rechtse kabinet kreeg Fortuyn-volgeling Mat Herben er geen genoeg van te vertellen in wat voor goede sfeer er werd gesproken over het ‘leefbaar’ maken van Nederland, hetgeen vooral neerkomt op het buitensluiten van vreemdelingen.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

In de nostalgische geest van het ‘pimmisme’ moet onze polder in oude glorie worden hersteld.

De Franse filosoof Jean-Luc Nancy (1940) gruwt van de kleinburgerlijke contrarevolutie die in Europa woedt. In zijn essays De indringer en De stad in de verte laat hij uit twee verschillende perspectieven zien dat het bestaan juist onlosmakelijk verbonden is met het vreemde.

In De indringer verhaalt hij over zijn harttransplantatie. Het hart van een vreemde verlengde wel zijn leven, maar voelde vreemd aan, misselijkmakend soms. Hij ging zichzelf beschouwen als een indringer in een vreemd, identiteitloos lichaam, dat vast ook nog wel ten prooi zou vallen aan kanker, “het symbool, de messcherpe, gekartelde en verwoestende gedaante van de indringer”. Volgens Nancy toonde de harttransplantatie duidelijk wat existentieel altijd al gaande was: elk ‘zelf’ is van meet af aan blootgesteld aan een ‘andersheid’, variërend van een aspirientje tot antibiotica.

Zuiverheid bergt altijd onzuiverheid in zich: een geliefd thema in de films van David Lynch, zoals het recente Mulholland Drive, dat zich in Los Angeles afspeelt. Ook dat is de plaats van handeling van Nancy’s tweede essay. Deze door vreemdheid gevormde metropool is allesbehalve gezellig. In tegenstelling tot klassieke, burgerlijke steden als Londen, Parijs, Athene en Utrecht heeft Los Angeles gezicht noch herkenningsteken, of het moeten de letters ‘Hollywood’ zijn. Het vormt dan ook een decor, of zoals Nancy het omschrijft: “een minuscuul ik dat drijft aan de oppervlakte van een dichtbevolkte stroperigheid, van een samengeweven, gegroefd, voortgestuwd Daß, dat in alle richtingen uitdijt…”

Los Angeles is voortdurend aan het worden, een openhartoperatie in uitvoering.
Nancy’s essays passen binnen het ‘discours van de ander’, handelskenmerk van de hedendaagse Franse filosofie. Ze doen met name denken aan het essay Over gastvrijheid van geestverwant Jacques Derrida uit dezelfde reeks. In een oergezellig politiek klimaat zorgen zulke uiteenzettingen voor frisse lucht.

De Indringer – Jean-Luc Nancy, uitgeverij Boom/Sun, Amsterdam, 2002, 80 blz.,  € 12,50.