Home Schuld Wat is vergeving?
Schuld

Wat is vergeving?

‘Wie om vergeving vraagt, doet iets anders dan degene die zich verontschuldigt’, stelt ethicus Paul van Tongeren. Verontschuldigen is gericht op het wegnemen van schuld, terwijl vergeving juist het erkennen van schuld veronderstelt. Wie om vergeving vraagt, geeft toe dat hij daar geen recht op heeft.

Door Paul van Tongeren op 26 maart 2014

Wat is vergeving?
Cover van 01-2014
01-2014 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

De vraag ‘Wat is eigenlijk vergeving?’ is een typisch filosofische vraag, met alle problemen van dien. Wie wil weten waaruit het oppervlak van de planeet Mars bestaat, moet veel moeilijkheden overwinnen, maar uiteindelijk is de beantwoording van de vraag simpel: je gaat (of laat een robotverkenner) kijken en registreren. Maar waar zouden we moeten kijken om vast te stellen wat vergeving is? Daar waar ze zich voordoet? Maar hoe weten we of het vergeving is wat zich daar voordoet? Iemand zegt dat hij vergeeft, maar wie zegt dat hij niet liegt of zich vergist?

Bestaat er dan zoiets als ‘echte vergeving’ dat we als criterium kunnen gebruiken? Waar vinden we die? In het woordenboek? Maar wie zegt dat de omschrijving die we daar vinden klopt? Kunnen we een beroep doen op de ervaring? Misschien, maar het is goed mogelijk dat we zelf (nog) geen ervaring met vergeving hebben – dat we nog nooit iemand ‘echt’ vergeven hebben, of nog nooit ‘echt’ om vergeving hebben gevraagd. We maken dus gebruik van de ervaring van anderen, waarover we gehoord of gelezen hebben. Maar zelfs als we op onze eigen ervaring kunnen terugvallen, zal die ervaring geïnterpreteerd moeten worden: vergeving heeft alles te maken met de betekenis die eraan wordt toegekend en presenteert zich nooit als een te registreren feit.

In dit artikel probeer ik uiteen te zetten wat vergeving is, door haar te onderscheiden van de ermee verwante, maar ervan verschillende verontschuldiging en door haar te karakteriseren in termen van enkele begrippenparen. Ook op deze manier zal ik echter niet kunnen ‘vaststellen’ wat het juiste antwoord is; de uitkomst kan uiteindelijk niet meer dan een voorstel zijn.

Verontschuldigen versus vergeven

Wie om vergeving vraagt, doet iets anders dan degene die zich verontschuldigt. Wanneer ik mij verontschuldig, mijn excuses maak, verwacht ik begrip. Ik kom te laat voor een afspraak en verontschuldig me door te zeggen dat ik in de file heb gestaan. Ik zeg daarmee als het ware dat het niet mijn schuld is dat ik te laat ben; het lag aan het drukke verkeer. Natuurlijk, ik had eerder van huis kunnen gaan, maar ik verwacht dat de ander mij niet aanrekent dat ik dat niet heb gedaan.  

Ook in situaties waarin ik wel schuld heb, is verontschuldiging een poging om de schuld te verkleinen of weg te nemen. Ik probeer duidelijk te maken waarom ik gedaan heb wat ik deed, zodat de ander dat begrijpt. Idealiter is de reactie van de ander dat hij zegt dat hij in zo’n geval net zo gehandeld zou hebben. Vergissen is immers menselijk.

De verontschuldiging probeert – het woord zegt het al – schuld weg te nemen. Wie zich verontschuldigt zegt als het ware: ik begrijp weliswaar dat je geneigd bent mij een verwijt te maken, maar ik verwacht dat we het erover eens worden dat daar eigenlijk niet echt, of niet langer, een reden voor is.

Verontschuldiging is een zaak van begrip. Dat begrip vormt het neutrale midden waarin de verschillen worden weggenomen; de middelaar of mediator kan daartoe goed werk doen. Ondanks het Franse gezegde Tout comprendre, c’est tout pardonner moeten we stellen dat vergeving iets anders is dan begrijpen.

Wie om vergeving vraagt, neemt een radicaal andere positie in dan degene die zich verontschuldigt: hij erkent dat hij verkeerd gehandeld heeft en dat hij dat niet ongedaan kan maken. Hij heeft spijt over wat hij heeft gedaan, maar neemt de schuld op zich. Ook de vergeving waar hij om vraagt neemt die schuld niet weg, maar doet daar iets mee waardoor er een nieuwe situatie ontstaat. Wie om vergeving vraagt, geeft toe dat de ander wel degelijk het recht heeft om hem een verwijt te maken. Maar hij hoopt desondanks bevrijd te worden, misschien niet zozeer van iets, maar eerder tot iets: terwijl de verontschuldiging probeert iets weg te nemen, is de vergeving een gave, een geschenk.

Geven of nemen

Een geschenk is iets anders dan een betaling. Je betaalt wat je schuldig bent en door de betaling wordt de schuld weggenomen; de ongelijkheid wordt vereffend. Wanneer je een dienst hebt geleverd, heb je recht op betaling van de kosten. Wanneer je iets van iemand afneemt, ben je verplicht hem (terug) te betalen. Maar op een geschenk heeft niemand recht; dat is gratis. Het doorbreekt de reciprociteit van de markt. Daarom bestaat er geen maat voor een geschenk en zal het bij voorkeur excessief zijn: overdadig of juist ‘slechts een kleinigheid’. Het geschenk spot met de maat omdat het zich wil onderscheiden van de betaling, die eruit bestaat een schuld weg te nemen.  

Als vergeving een gave is – en het ‘ver-’ in ‘vergeven’ betekent misschien wel een intensivering van het geven –, dan hoort daar het ‘desondanks’ bij waarmee ze tegen vereffening ingaat. Vergeving is mogelijk (áls ze mogelijk is) ondanks een blijvende schuld, of ook: ondanks de vereffening van de schuld. Wie om vergeving vraagt erkent zijn schuld, erkent zelfs dat die schuld niet weggenomen kan worden. Niet alleen een moord, maar ook het verraad van ontrouw kan niet echt ongedaan gemaakt worden, ook niet door een ‘passende’ straf. Het is dan ook volstrekt begrijpelijk dat je haat blijft voelen jegens de moordenaar van je geliefde, ook nadat hij zijn straf heeft uitgezeten. Even onbegrijpelijk is het dat iemand, hoewel dat ze het gemis van haar geliefde nog altijd voelt en daaronder lijdt, toch de haat laat varen, en zelfs een soort liefde daarvoor in de plaats laat komen, een liefde die zich uitdrukt in het geschenk van vergeving.

Andersom is het ook niet in strijd met vergeving dat degene aan wie je vergeving schenkt niettemin zijn straf moet uitzitten of zijn boete moet betalen. Vergeving hoeft niet per se amnestie te impliceren. Want vergeving gaat niet over vereffening, maar over iets anders. In het recht heerst ook de reciprociteit van de markt, ook al wordt het strikte ‘Oog om oog, tand om tand’ er gematigd. Vergeving doorbreekt die economie. Vergeving gaat niet over rechtvaardigheid; ze spreekt niet de taal van het recht, maar die van de liefde. Rechtvaardigheid eist, maar vergeving schenkt.

De vraag om vergeving is daarom ook iets heel anders dan de eis van rechtvaardigheid. Wie om vergeving vraagt, erkent dat hij daar geen recht op heeft. Er zal doorgaans veel schroom zijn in zo’n vraag – als ze al gesteld wordt. Eerder zal de wijze waarop de vergeving ontvangen wordt duidelijk maken hoe welkom het geschenk en hoe echt de vraag om vergeving was.

Mogelijk of onmogelijk

Ik schreef over vergeving: ‘áls ze mogelijk is.’ Het begint namelijk een paradoxale aangelegenheid te worden: alleen datgene waarvoor je je niet kunt verontschuldigen, zou vergeven kunnen worden. Sommige auteurs hebben deze paradox op de spits gedreven en gezegd dat alleen het onvergeeflijke voorwerp van vergeving kan zijn (Derrida).

We kunnen het wat minder tegenstrijdig maken door te zeggen dat vergeving in elk geval nooit noodzakelijk is, niet afgedwongen kan worden door een wet, geen verplichting kan zijn op grond van een algemene norm, en geen logische conclusie kan zijn uit een redenering. Vergeving is mogelijk, maar slechts in zoverre dat er altijd een uitzondering op de regel mogelijk is, in zoverre dat het onverwachte niet uitgesloten kan worden.

Maar dat zou betekenen dat er geen principiële grenzen aan vergeving zijn, dat er geen onvergeeflijk kwaad zou bestaan. Betekent dat ook dat er geen voorwaarden voor vergeving zijn? Zelfs het Nieuwe Testament, waarin we worden opgeroepen om maar liefst zeventigmaal zevenmaal te vergeven (Mattheus 18:21), stelt blijkbaar grenzen aan vergeving: de ‘zonde tegen de heilige geest’ zou onvergeeflijk zijn (Mattheus 12:31). Generaties exegeten hebben gestreden over de vraag wat dat wel kan betekenen. Een van de voorstellen is dat de enige onvergeeflijke zonde zou bestaan uit de weigering om te vergeven. Dan zou er dus geen grens zijn aan vergeving. Anderen menen dat berouw (van de dader) vereist is voor vergeving (door het slachtoffer).

Het is niet verwonderlijk dat ‘Auschwitz’ of de Holocaust een belangrijke casus is in het denken over vergeving. De Franse filosoof (en zoon van Russische Joden) Vladimir Jankélévitch, die aanvankelijk had geschreven dat vergeving geen grenzen kent, heeft in een latere publicatie beweerd dat de vergeving in de dodenkampen gestorven is. Dat zou niet alleen te maken hebben met het feit dat de slachtoffers zelf niet meer kunnen spreken (hoe zou je ooit namens iemand anders kunnen vergeven?), maar ook met het feit dat de daders zelf nooit om vergeving hebben gevraagd.

Het belang van die vraag, of ook van het berouw van de dader, heeft te maken met een ander belangrijk aspect van vergeving en een verschil met rechtvaardigheid. Terwijl rechtvaardigheid primair de daad veroordeelt en vergeldt (zij het dat dat onvermijdelijk via een bestraffing van de dader gebeurt), richt vergeving zich vooral op de persoon van de dader. Terwijl rechtvaardigheid de dader bestraft vanwege de daad die hij heeft begaan, maakt vergeving de dader los van zijn daad. De daad wordt wel nog steeds veroordeeld, maar de dader wordt niet langer gehaat. Vergeving is immers de overwinning van de wrok die ik koester tegen de dader van de daad (Murphy) of zelfs de omkering daarvan in welwillendheid (Holmgren). Die gerichtheid op de dader heeft te maken met nog een ander kenmerkend aspect van vergeving.

Herinneren of vergeten

Door zich te richten op de dader, hoeft vergeving de daad niet te vergeten. De uitdrukking ‘vergeven en vergeten’ is waarschijnlijk onjuist. Vergeven is alleen maar mogelijk indien zowel dader als slachtoffer niet vergeet wat er gebeurd is. Maar vergeving vindt plaats (áls ze plaatsvindt) ondanks wat er gebeurd is en in de herinnering blijft voortbestaan. Dat toont nog eens de paradoxale aard van vergeving: het kwaad wordt als kwaad herinnerd, maar de boosdoener wordt er niet meer mee geïdentificeerd.

Dat betekent dat vergeving een speciaal soort herinneringsarbeid vraagt, misschien wel te vergelijken met de rouwarbeid waardoor we leren te leven met een verlies (Ricoeur 1995/2000). De dader herinnert zich wat hij gedaan heeft, het slachtoffer herinnert zich wat haar is aangedaan, maar het gaat in beide gevallen om een herinnering die ons niet vastplakt op dat wat ooit gebeurd is, maar ons er juist van bevrijdt. Hannah Arendt noemt vergeving (samen met belofte) als een van de kenmerken van het typisch menselijke handelen: beide, beloven en vergeven, bevrijden de mens. Belofte maakt de geschiedenis van een onberekenbaar toeval tot een gebeuren waarin we op iemand kunnen rekenen; vergeving doorbreekt de onverbiddelijke wetmatigheid van wraak en vergelding, en maakt een nieuw begin mogelijk; Scheler spreekt van een ‘wedergeboorte’.

Dat is misschien wel het meest kenmerkende van de herinnering zoals ze hier speelt: wie vergeeft herinnert zich de daad, maar bevrijdt de dader van identificatie met zijn daderschap: hoewel het verschrikkelijk is wat je gedaan hebt, val je niet samen met die daad; je kunt ook anders (Ricoeur 2000). Wie zich zo herinnert, geeft het herinnerde vrij aan een toekomst die nieuwe mogelijkheden biedt. Dat wat ik me herinner blijft niet opgesloten binnen de betekenis die het aanvankelijk had. Niet alleen de dader kan anders dan hij deed, ook de daad zelf kan in de loop van de geschiedenis nieuwe betekenissen krijgen.

Actief of passief

Dat brengt me op een laatste punt. Door vergeving ‘kan’ de daad een nieuwe betekenis krijgen en ‘kan’ de dader een ander worden. Dat ‘kan’ – maar succes is niet verzekerd. Vergeving is ook in dit opzicht iets merkwaardigs dat het een activiteit is die haar eigen effectiviteit niet beheerst.

Wie vergeeft ‘doet’ iets, maar zonder te weten of dat iets ook daadwerkelijk gebeurt. Wie zegt: ‘Ik beloof…’ zegt niet alleen iets, maar doet ook iets in dat zeggen. De belofte is gedaan, de verwachting is gewekt, de verplichting is gegeven. Wie zegt: ‘Ik vergeef je’ doet enerzijds iets dergelijks, maar met dit verschil dat het niet alleen van de eigen inzet afhangt of de vergeving inderdaad plaatsvindt. En dat op twee manieren: ten eerste ben je geen baas over je eigen wrok, evenmin als je de baas bent over je herinneringen. Ten tweede blijft vergeven ook in die zin een soort van geven dat het mede afhankelijk blijft van degene aan wie gegeven wordt. Ik kan immers geen geschenk geven aan wie het niet als geschenk ontvangt. Ik kan het proberen, maar het geven kan mislukken door de houding van de ander. Degene die vergeeft is niet heer en meester over zijn eigen daad; het blijft onzeker of het hem gegeven zal zijn werkelijk te vergeven. Vergeving is – hoeveel je er ook voor moet doen – ook voor degene die vergeeft een gave, met alle onzekerheid van dien.

Literatuur

  • Arendt, Hannah, The Human Condition, Chicago/Londen: University of Chicago Press, 1989, 236-243.
  • Derrida, Jacques, ‘Forgiveness.’ Studies in Practical Philosophy, 2000, 2 (2), 81-102.
  • Holmgren, Margret, Forgiveness and Retribution. Responding to Wrongdoing. Cambridge University Press, 2012.
  • Jankélévitch, Vladimir,
  • Le Pardon. Parijs: Aubier-Montaigne, 1967.
  • L’imprescriptible. Pardonner? Dans l’honneur et la dignité. Parijs: Seuil, 1986.
  • Murphy, Jeffrie G., Getting Even. Forgiveness and Its Limits. Oxford/New York: Oxford University Press, 2003.
  • Ricoeur, Paul,
  • – ‘Le pardon, peut-il guérir?’ (L’Esprit, januari 1995) (Nederlandse vertaling: ‘Kan vergeving genezen?’, in: P. van Tongeren (red.), Is vergeving mogelijk? Leende: Damon, 2000, 13-18.)
  • – ‘Le pardon difficile’, in: La mémoire, l’historie, l’oubli. Parijs: Seuil, 2000, 591-656.
  • Scheler, Max, ‘Reue und Wiedergeburt’, in: M. Scheler, Vom Ewigen im Menschen, Band I. Leipzig 1921, 5-58.