Home Vooruitgangspessimisme

Vooruitgangspessimisme

Door Rutger Claassen op 14 juni 2016

Cover van 02-2016
02-2016 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Het geloof dat onze kinderen het beter zullen hebben dan wij, is op de een of andere manier verloren gegaan, schrijft Rutger Claassen. Toch is dat geen reden tot pessimisme. Aan de hand van vier stellingen toont hij dat er nog genoeg stof is voor vooruitgangsdenkers.

Vorig jaar schreef Marcel van Dam na 24 jaar onafgebroken dienst zijn laatste column voor de Volkskrant. Hij vertelt daarin over het wekelijkse diner met zijn vrienden, en hoe zij daar de wereldproblemen bespraken. De laatste alinea luidt:

‘Ik vertelde mijn vrienden dat ik als gevolg van de collectief gekozen race to the bottom en de aanpak van het klimaatprobleem het geloof in de vooruitgang was kwijtgeraakt. Zij konden zich wel vinden in de veronderstelling dat bij ons, en wellicht in het hele Westen, de mensheid tussen ongeveer 1960 en 1980 zijn beste tijd weleens gehad zou kunnen hebben.’ (de Volkskrant, 29 januari 2015)

We hebben onze beste tijd gehad. De rek is uit de vooruitgang. Het zijn passende slotwoorden voor de steeds pessimistischer geworden Marcel van Dam. Maar heeft hij gelijk? Van Dam staat niet alleen in zijn ‘vooruitgangspessimisme’. Er was een tijd dat die vooruitgang vanzelfsprekend was. Dat werd vaak uitgedrukt met de frase dat ‘onze kinderen het beter zullen hebben dan wijzelf’. Dit geloof is op de een of andere manier verloren gegaan. We modderen voort op de ingeslagen weg, maar zonder de bezieling die daar ooit deel van uitmaakte. Het grootste slachtoffer hiervan is de politiek. Deze is verworden tot probleemmanagement, een krampachtig reageren op bedreigingen – van klimaatverandering tot immigratie – in plaats van zelfverzekerd sturen op weg naar een betere wereld.

Laten we proberen dit vooruitgangspessimisme nader te ontleden. Het lijkt mij te berusten op de volgende vier stellingen. Bij elk van deze stellingen zou men kanttekeningen kunnen plaatsen, en dan komen we beduidend positiever uit.

Stelling 1. Wij hadden een idee van vooruitgang: groei en welvaart

Met ‘wij’ wordt hier verwezen naar het Westen. Het westerse vooruitgangsgeloof kan natuurlijk op verschillende manieren beschreven worden. Sinds de Verlichting heerst het idee dat mensen dankzij hun redelijke vermogens de samenleving stelselmatig kunnen verbeteren en zo een menswaardig bestaan voor iedereen kunnen bewerkstelligen. Daarbinnen zijn vele ingrediënten: opkomst van wetenschap en technologie, beheersing van de gevaren van de natuur, een humanere behandeling van gevangenen, een democratisch staatsbestel enzovoort.

Alle pogingen van filosofen ten spijt om het centrale doel van de Moderne tijd te karakteriseren in verheven termen als ‘menselijke vrijheid en waardigheid’, ‘humaniteit’ of ‘compassie’­ (daarover later meer), is het in de praktijk dominante element van deze ontwikkeling veel platter geweest: de welvaartsgroei. Of we nu de afgelopen eeuwen moreel betere mensen zijn geworden of juist niet, onomstotelijk staat vast dat we heel veel rijker zijn geworden.

De econoom Galbraith schreef een halve eeuw geleden al dat als politici zeggen dat ‘het een goed jaar’ was, ze nooit refereren aan vooruitgang in de gezondheidszorg of het onderwijs. Ze bedoelen dan altijd dat de economie gegroeid is (Galbraith 1998: 99). De grote triomf van het welvaartsideaal kwam met de doorbraak van de consumptiemaatschappij, na de oorlog. De grootste veranderingen vonden plaats tijdens het leven van mijn grootouders, die geboren zijn rond 1920. De wereld van hun jeugd was onherkenbaar veranderd toen zij tachtig jaar later stierven.

Stelling 2. Dit idee van vooruitgang is niet adequaat meer
Vanaf het begin der tijden beweren filosofen, profeten en andere wijzen dat welvaart geen intrinsiek, oftewel innerlijk, nut heeft. Plato en Aristoteles, christelijke filosofen en hun talloze hedendaagse opvolgers zeiden en zeggen het: geld maakt niet gelukkig. Maar dat deze strijd tegen de hebzucht een zo belangrijk onderdeel van alle moraalsystemen was, duidt er al op dat we hier met een krachtige neiging in de menselijke geest te maken hebben. Mensen willen graag meer dan ze nu hebben of dan de buren hebben. Maar om deze tijdloze kritieken op het streven naar materiële welvaart gaat het mij hier niet.

Relevanter voor de discussie over vooruitgang is de observatie – die ook door Galbraith werd gedaan – dat welvaartsgroei op een bepaald niveau onderworpen is aan afnemende meeropbrengsten’. We kunnen accepteren dat welvaart tot op zekere hoogte wel degelijk iets goeds is, en dat iedereen terecht uit een toestand van bittere armoede wil ontsnappen. Maar is eenmaal een bepaald niveau bereikt, dan maakt verdere groei niet meer veel gelukkiger. Het streven naar nieuwe rondes groei wordt daarmee telkens minder efficiënt. Sterker nog, er ontstaan averechtse effecten van het streven naar verdere welvaartsgroei, de kosten worden steeds hoger. De CO2-uitstoot en andere indicatoren­ van vervuiling en overbelasting van de natuur zijn bijvoorbeeld sterk gekoppeld aan de groei van de productie.

Ondanks deze diagnose is de hele samenleving nog steeds ingericht op en doordrenkt van het streven naar meer groei. Alle instellingen van de politiek, het bedrijfsleven, het onder wijs en de universiteiten, de kinderopvang en gezondheidszorg, en de banken en verzekeraars zijn nog steeds in grote mate gericht op het verhogen van de arbeidsproductiviteit om zo meer welvaart te creëren. Maar tegelijkertijd lijken dit pogingen tegen beter weten in. We kennen de prognoses voor de komende decennia: 1 à 1,5 procent groei per jaar maximaal. In China zijn ze in paniek omdat de groei gezakt (!) is naar 7,5 procent. Het is maar wat je gewend bent. Hoe dan ook, de gouden tijden komen nooit meer terug. In een zeer behartenswaardig boek schetst Jaap van Duijn de gevolgen voor het denken over de toekomst:

‘Het bereiken van de ongekend hoge materiële welvaart heeft als bijzonder, maar tevens verontrustend neveneffect gehad dat ons toekomstperspectief steeds beperkter is geworden. ‘Toekomst’ in economische zin heeft altijd betekend: de verwachting van, dan wel in ieder geval de hoop op, verbetering, bevrijding van armoede, meer welvaart en betere vooruitzichten, voor het bereiken waarvan mensen bereid waren offers te brengen. Zij spaarden, ontzegden zich bepaalde genoegens in de verwachting dat alles later wel zou komen. Er zat lengte in doen en handelen. Maar met het realiseren van zo’n grote welvaart in zo korte tijd lijkt die lengte verdwenen te zijn. Met het realiseren van die eeuwige ‘hoop op een betere toekomst’ is de toekomst zelf ook verdwenen. De wereld aan het begin van de eenentwintigste eeuw is er een van instant gratification geworden.’ (Van Duijn 2007: 265)

Dit is een verontrustende diagnose. Het verdwijnen van de toekomst slaat het tijdsperspectief helemaal plat. Tegelijkertijd is niet duidelijk wat het antwoord moet zijn. Stel dat we de toekomst weer ‘lengte’ weten te geven, en mensen weten aan te zetten tot sparen en uitstel van behoeftebevrediging, dan creëert dat alleen meer hogere welvaart in de toekomst. Zo komt het probleem van ‘toekomst-verdwijning’ op een later tijdstip in heviger mate terug. En inderdaad is Van Duijns boek voor de helft een overzicht van mogelijkheden om de groei (toch weer) te vergroten, en voor de andere helft een pleidooi voor een nieuw idee van welzijn (zie stelling 4 hierna). In die ambiguïteit, in dat hinken op twee gedachten, is zijn boek de perfecte illustratie van onze hedendaagse cultuur. Enerzijds geloven we niet echt meer in verdere welvaartsgroei als inspirerend beginsel, maar anderzijds:

Stelling 3. Het is belangrijk, zelfs onmisbaar voor een samenleving om een geloof in vooruitgang te hebben
Dit is een belangrijk onderdeel van het vooruitgangspessimisme. De eerste stellingen zouden van weinig waarde zijn als een vooruitgangsgeloof onnodig is. Spreekwoorden als ‘hoop doet leven’, of in het Engels ‘optimism is a moral duty’, lijken dat te weerspreken. Geloof in vooruitgang is zo noodzakelijk als de lucht die wij inademen. De conclusie dat onze beste dagen achter ons liggen, lijkt onverteerbaar: dat zullen we nog wel eens zien!

Toch is het goed om dit idee van vooruitgang als een noodzakelijk geloof niet te snel voor waar aan te nemen. Vooruitgang is zelf een notie met een geschiedenis. Hoewel met wortels in het christendom, is het idee van vooruitgang toch voornamelijk gebonden aan de moderne westerse beschaving van de laatste eeuwen. Het idee veronderstelt een lineair opgaand tijdsperspectief. Daar tegenover wordt vaak een meer cyclisch tijdsbesef geplaatst, waarin er geen wezenlijke verbeteringen of veranderingen optreden, maar dezelfde grondpatronen (‘leven met de seizoenen’) houvast geven aan het leven. Misschien moeten we dus wel terug naar zo’n cyclisch tijdsbesef – dan zijn we van het hele probleem af. De onmiddellijke tegenvraag is natuurlijk: kan dat wel? Is de geest niet uit de fles? Is het niet onmogelijk, voor een mensensoort die eenmaal aan de vooruitgang heeft geroken, om de wens daartoe weer te laten varen?

Wat in ieder geval een praktisch gevolg lijkt van het verlies van een idee van vooruitgang, is dat politiek handelen in toenemende mate een angstig reageren op bedreigingen is geworden. Het is niet alleen psychologische noodzaak om een idee van richting te hebben, een kompas om de toekomst actief vorm te geven. Als zo’n kompas afwezig is, leidt dat tot ook politieke gevolgen. De politiek – althans de toonaangevende partijen die het zo goed deden in het tijdperk van de vooruitgang – dobbert lusteloos rond, rennend van brandje naar brandje. Zij is daarbij speelbal geworden van populistische partijen, die behendig de angst voor achteruitgang exploiteren.

Het grootste slachtoffer is de partij die van oudsher het meeste vooruitgang beloofde: de sociaaldemocratie, die alle arbeiders een beter bestaan (auto voor de deur!) voorspiegelde. Maar ook de andere traditionele partijen lijden onder het verdwijnen van een helder richtsnoer voor de toekomst. In zo’n klimaat worden opiniepeilingen belangrijker dan idealen, en daadkrachtig leiderschap belangrijker dan vergezichten. Aldus het vooruitgangspessimisme.

Stelling 4. Er is geen nieuw idee van vooruitgang voor in de plaats gekomen
De hierboven genoemde afnemende meeropbrengsten en averechtse effecten worden al decennia onderkend. In de tussentijd zijn er genoeg ideeën gelanceerd voor een nieuw idee van vooruitgang. Deze kunnen worden samengevat als: weg van welvaart, naar een breder idee van welzijn, of ‘kwaliteit van leven’. Als welvaart uiteindelijk dient om ons gelukkig te maken en als die link tussen welvaart en geluk niet meer zo betrouwbaar is, kunnen we beter kijken naar robuustere indicatoren voor menselijk geluk.

Sociologen als Richard Layard (zie zijn boek Happiness) vatten dat onderzoek samen en laten zien hoe het hebben van stabiele relaties, een goede gezondheid, maatschappelijke vrijheid, betekenisvol werk en andere zaken daarvoor belangrijk zijn. Zelfs als we sympathiseren met deze welzijnsagenda, dringt zich – na decennia van kritiek op de consumptiemaatschappij – de vraag op: waarom nestelt dit postmaterialistisch vooruitgangsgeloof zich dan niet tussen de oren van westerse bevolkingen? Zijn wij collectief irrationeel in de hardnekkige hang naar meer welvaart? Zijn het de systemen (het kapitalisme) en gevestigde belangen die ons op de automatische piloot doen doordenderen?

VOORUITGANGSOPTIMISME

Dit is het verhaal van het vooruitgangspessimisme. De vraag is nu: wat moeten we ermee? Zijn er redenen om niet weg te zinken in dit pessimisme? Zijn er kanttekeningen te plaatsen bij het verhaal van de pessimist? Ik zou vier zaken willen noemen, bij wijze van antidotum.

Ten eerste is het vooruitgangspessimisme voorbarig, in die zin dat welvaartsgroei nog steeds relevantie heeft. Dat geldt in meest prangende zin voor die delen van de wereld waar mensen nog steeds in grote armoede leven. In opkomende economieën in Azië zie je veel dynamiek en optimisme, iets dat wij graag bij wijze van zelfkwelling contrasteren met het oude vermoeide continent Europa. Maar er is geen reden hen welvaartsgroei te misgunnen. Maar ook in het Westen kan productiviteitsgroei zinvol zijn op selectieve schaal, bijvoorbeeld daar waar technologische innovaties mensen bevrijden van geestdodend werk. Dat leidt wellicht tot nieuwe problemen (waarover hierna meer), maar de welvaartsgroei zelf kan wel degelijk positief zijn, afhankelijk van de kwaliteit van die groei. Cruciaal is om voorbij het getal van het BNP te kijken naar de zaken waarin groei wordt gerealiseerd, en in hoeverre die bijdragen aan een kwalitatief goed leven. In die zin is de kwaliteit van een ‘leven-agenda’ geen opponent van een ‘groei-agenda’, maar de lens waardoor wij naar welvaart moeten leren kijken.

Ten tweede is er het vraagstuk van rechtvaardige verdeling van de welvaart. In recente debatten over ‘robotisering’ is de verdwijning van arbeid ook wel als spookbeeld gebruikt. Want wat als er geen eenvoudige arbeid meer te doen is? Hoe moeten de lagere sociale klassen dan aan hun geld komen? Bij een rijker wordende samenleving kan dat niet anders dan een luxeprobleem zijn: een verdelingskwestie. Een rechtvaardige verdeling van arbeid en inkomen in een hoogtechnologische economie is een opgave voor de toekomst waar nog veel vooruitgang te boeken valt. Blijvend binnen het ‘materialistische paradigma’ wordt de vraag naar rechtvaardige verdeling eerder meer dan minder prangend. Ook dat is een kwestie van vooruitgang. De klassieke utopieën, zoals die van Thomas Moore, ruimden niet voor niets een belangrijke plaats in voor meer egalitaire verhoudingen. Recent hebben velen benadrukt hoe te grote ongelijkheden disfunctioneel kunnen zijn voor een samenleving als geheel – dus niet alleen voor de armsten zelf (zie bijvoorbeeld Wilkinson en Pickett). Een strijd voor een rechtvaardige verdeling heeft in het verleden veel positieve politieke energie losgemaakt. Op dit moment lukt dat niet, maar de toekomst kan anders zijn dan het heden.

Ten derde, de schaduwzijden van de welvaart moeten worden geadresseerd. Klimaat­ verandering en het perspectief van een onleef bare planeet kunnen hier als leidend voorbeeld dienen. De wereld van instant gratification die Van Duijn hierboven schetst, moet om überhaupt met dergelijke grote problemen om te gaan worden omgebogen in een wereld waarin de lange termijn centraal staat. De crux is hier om instituties te ontwikkelen die in staat zijn om een langetermijnperspectief in te nemen: overheden die niet alleen denken in termijnen van vier jaar tot aan de volgende verkiezingen, bedrijven die niet alleen denken aan de volgende kwartaalcijfers. Is dat mogelijk op het moment dat de baten in de toekomst niet meer toevallen aan de huidige generaties? De cirkel van sparen en ontzien, om daarna te oogsten en profiteren, strekt zich immers over meerdere generaties uit. Waarom jezelf iets ontzeggen op het moment dat je daar zelf de vruchten niet meer van plukt? We zijn gewend eigenbelang, in financiële of materiële zin, tegenover moreel handelen ten bate van anderen te plaatsen. Een oplossing vereist dat we die tegenstelling ondermijnen door de definitie van ‘onszelf’ te verruimen. Ook toekomstige generaties zijn ons belang. Dat accepteren de meeste mensen voor hun eigen (klein)kinderen. Nieuwe instituties zouden ons eraan moeten laten wennen dit ook voor andermans kinderen zo te beleven.

EIGEN LEVENSPAD

Deze drie punten concentreren zich nog op het welvaartsparadigma, als aanvulling of correctie daarop. Ten slotte moeten we toch op de filosofische vooruitgangsdromen van de Verlichting terugkomen. Die gingen niet over welvaart, maar over vrijheid. De belangrijkste verworvenheid van het Westen is niet de welvaart, maar de creatie van een samenleving waarin iedereen in vrijheid kan leven: de democratische rechtsstaat. Grondrechten scheppen daarin voor iedereen centrale vrijheden – zoals de vrijheid van meningsuiting, of de vrijheid van religie – waardoor mensen zelf hun eigen levenspad kunnen uitstippelen, zonder dwang van anderen. Democratie schept de mogelijkheid controle uit te oefenen op de macht en waar mogelijk zelf aan die macht deel te nemen. Althans, dat is de theorie. Het perspectief van de filosoof Kant en vele anderen was een leven waarin mensen zelf de regie in handen hebben, dus autonoom kunnen functioneren. Het was dit perspectief dat, via Hegel en in 1989 via Fukuyama, als het ‘einde van de geschiedenis’ gold. Een beter idee voor de inrichting van een samenleving zou niet mogelijk zijn: de vrije geest die ‘zichzelf realiseert’ in de sociale werkelijkheid tot het einde der tijden. Is dit nog een aanlokkelijk vooruitgangsgeloof ?

Het is merkwaardig gesteld met het ideaal van de vrije, open samenleving. Aan de ene kant lijkt zij namelijk niet op een richtinggevende utopie, maar op een bewuste privatisering van het geloof in vooruitgang. Een samenleving die als doel heeft dat ieder individu zelf kan bepalen wat voor hem of haar als een goed of geslaagd leven telt, heeft geen collectief doel meer. Zij verbiedt zichzelf altijd het hebben van zo’n collectief doel. De samenleving als geheel is doelloos, alleen individuen hebben levensdoelen. Het enige doel van de samenleving is het ‘organiseren van die doelloosheid’: zorgen dat autonome individuen, hoewel ieder op een eigen koers, in harmonie met elkaar leven. Aan de andere kant leert de geschiedenis hoe moeilijk dit samenleven is en lijkt het realiseren van een vrije samenleving van autonome individuen toch telkens meer collectieve inspanningen te vereisen dan gedacht.

De vrijheid spreekt niet vanzelf en moet telkens verdedigd worden – dat zeggen we elkaar na op 4 en 5 mei. Maar dit gaat verder dan de militaire of fysieke verdediging tegen agressie van binnenuit of van buitenaf.

VRIJHEID ALS PROJECT

De harmonisatie van de vrijheid van iedereen met alle anderen is immers een project dat voortdurend van karakter verandert. Onder ‘alle anderen’ werden van oudsher alleen mede-burgers verstaan. Maar de migratiegolven van de afgelopen tijd drukken ons weer met de neus op het feit dat ook mensen uit andere politieke gemeenschappen een claim kunnen doen op onze gemeenschap. Dan gaat het erom opnieuw te bepalen: voor wiens vrijheid werken wij? De bescherming van de vrijheid moet worden uitgebreid, maar is het mogelijk om grote groepen nieuwe burgers te verwelkomen en tegelijkertijd de eigen vrijheid te bewaren? Op een geheel andere manier gaat het debat over klimaatverandering daar ook over. Het rekening houden met de negatieve gevolgen van onze levensstijl voor toekomstige generaties betekent het uitbreiden van onze zorg naar een nieuwe groep, nog niet bestaande burgers die ook een claim maken (als zij eenmaal geboren zijn…) op een leven in vrijheid. En recent wordt steeds meer de vraag gesteld of ook dieren niet een bepaalde rechtsstatelijke bescherming zouden verdienen: vrijheidsrechten voor dieren?

Dit zijn allemaal voorbeelden waaruit blijkt dat de utopie van de vrije samenleving een levend project is, waarvan de contouren nog niet definitief geschetst zijn en misschien wel nooit definitief geschetst kunnen worden. Stof genoeg dus, voor vooruitgangsdenkers. Terugkijkend lijkt het denken over vooruitgang louter in termen van verdere materiële vooruitgang voor rijke samenlevingen eigenlijk iets puberaals, iets dat past bij een bepaald ontwikkelingsstadium. Wie daaraan vooruitgang blijft afmeten, zal in het Westen in de komende decennia waarschijnlijk teleurgesteld raken. Maar die teleurstelling komt voort uit een verwachting die hoognodig herziening behoeft.

Literatuur

•          Duijn, J. van (2007), De groei voorbij. Over de economische toekomst van Nederland na de booming nineties. Amsterdam: De         Bezige Bij.
•          Galbraith, J. K. (1998), The Aff luent Society. Londen: Penguin Books.
•          Layard, R. (2006), Happiness. Lessons from a New Science. Londen: Penguin Books.
•          Wilkinson, R. en K. Pickett (2009), The Spirit Level. Why More Equal Societies Almost Always Do Better. Londen: Alan Lane.

Relevante berichten

Een kerk voor het vrije woord
Een kerk voor het vrije woord

Een kerk voor het vrije woord

De Balie opende vorige week zijn deuren als gebedshuis, op grond van een heilig geloof in democratie, de rechtsstaat en de heilzame, bindende werking van cultuur. Waarom zou een cultuur- en debatcentrum zich anno 2022 geen seculiere kerk mogen noemen? We vroegen het Balie-directeur Yoeri Albrecht en Denker des Vaderlands Paul van Tongeren.

Lees meer
chronische ziekte
chronische ziekte

Waarom het begrip ‘chronische ziekte’ niet vanzelfsprekend is

Het aantal mensen met een chronische ziekte in Nederland stijgt, stellen onderzoekers. Sanneke de Haan, bijzonder hoogleraar psychiatrie en filosofie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, laat zien waarom het begrip ‘chronische ziekte’ niet zo vanzelfsprekend is als het lijkt.

Lees meer
Bertrand Russell over ‘het probleem van China’
Bertrand Russell over ‘het probleem van China’
Niet-westerse filosofie

Bertrand Russell over ‘het probleem van China’

Toen de Britse filosoof Bertrand Russell een jaar lesgaf in China, raakte hij diep onder de indruk van het land. Vooral het vermogen van de bevolking om gelukkig te zijn raakte hem. Wel maakte hij zich zorgen over de groeiende invloed van het Westen. Is het China gelukt om zijn eigenheid ten opzichte van het Westen te bewaren?

Lees meer
Weekendlijstje: Beginnen, presteren en jezelf leren kennen.
Weekendlijstje: Beginnen, presteren en jezelf leren kennen.

Weekendlijstje: Beginnen, presteren en jezelf leren kennen.

S10 staat dit weekend in de finale van het Eurovisie Songfestival. Tijdens een interview bij Matthijs gaat door vertelt ze dat ze zichzelf toestemming heeft gegeven om haar dromen na te jagen en dit avontuur aan te gaan. Het resultaat: meer zelfinzicht en een bijzondere prestatie. Dit weekend een lijstje over durven beginnen, presteren, en jezelf leren kennen.

Lees meer