Log in

Wachtwoord vergeten?

Word lid Log in Contact

Filosofie.nl

Wijsgerig Perspectief nr. 2/2021

Speculatief realisme in de kunst

Marina Sulima en Lietje Bauwens

Het speculatief realisme is van grote invloed geweest op kunst, zo laten Marina Sulima en Lietje Bauwens zien. Beiden beschrijven hoe zij zich in hun artistieke projecten door deze filosofie hebben laten inspireren.

Het precieze begin van het speculatief realisme is moeilijk te traceren, maar de samenkomst van Ray Brassier, Quentin Meillassoux, Graham Harman en Iain Hamilton Grant in 2007 was een belangrijk moment – niet geheel toevallig vond deze plaats op Goldsmiths College, een kunstacademie. Een van hun belangrijkste ideeën is dat we alleen met onze onvoorspelbare werkelijkheid kunnen omgaan als we deze op een speculatieve manier benaderen. Het is dan ook niet gek dat deze speculatieve theorie in de smaak valt bij kunstenaars. Voor dit themanummer hebben we twee kunstenaars, Marina Sulima en Lietje Bauwens, gevraagd te beschrijven hoe speculatief realisme ze geïnspireerd heeft.

Marina Sulima schrijft over haar filmproject Parcelpaedia waarvoor ze in 2020 een ‘Wildcard’ (een geldbedrag om een nieuw filmproject mee te realiseren) van het Nederlands Filmfonds ontving. Haar filmproject is een mengvorm van liveaction, animatie, illustratie en tekst waarmee ze op artistieke wijze reageert op het ‘Italiësyndroom’ – een vorm van depressie die kenmerkend is voor Oost-Europese migranten werkzaam in de zorg in Italië. Het speculatief realisme heeft haar geïnspireerd om dit verhaal te vertellen via objecten: de pakketten die Moldavische migranten naar huis sturen.

Lietje Bauwens is gefascineerd door samenwerkingen tussen kunstenaars en speculatieve academici, en de manier waarop deze zich verhouden tot de inhoud van de theorie: hoe zorg je er voor niet alleen over het onbekende maar ook vanuit het onbekende zelf te denken? In verschillende artistieke projecten (Perhaps it is High Time for a Xeno-Architecture to Match en Speculative Facts) experimenteerde ze met de balans tussen ‘wat is’ en ‘wat kan zijn’ en komt uit bij een speculatie die vertrekt vanuit de ervaring.

Marina Sulima: Parcelpaedia

Neem pakketdozen. Met hun zachte maar robuuste karakter dragen ze bij aan de overvloed op de stellingen van een supermarkt in Noord-Italië, laten we zeggen te Padua. Na een korte periode van onzichtbaarheid achter in diezelfde supermarkt, belandt zo’n doos in de handen van een Moldavische. In de korte tijd die zij vrij heeft, vult ze het met gerstekoffie, pasta en sokken. De vrouw is een ‘badante con vitto e alloggio’, een zorgverlener die inwoont bij degene die ze verzorgt, in dit geval een vrouw van 92. Op zondagmiddag, nadat ze het landschap van rimpels van haar patiënt met zachte hand heeft gewassen, omwikkelt ze elke week de door herhaaldelijk gebruik verweerde doos met plakband. Spoedig komt de doos weer in een minibusje terecht. Ditmaal is de bestemming Moldavië.

Een semiofficiële infrastructuur bestaande uit witte minibusjes die zich op zater- en zondagen verzamelen op de parkeerplaatsen van verscheidene Italiaanse steden, transporteert duizenden pakketten naar Moldavië. Al meer dan 20 jaar sturen Oost-Europese migranten heerlijke lekkernijen, kleding en goedkope schoonmaakmiddelen naar hun families in hun thuisland. Ik weet dit door het onderzoek dat ik de afgelopen tien jaar van mijn leven per ongeluk heb gedaan: mijn moeder is een van die vele Moldavische zorgverleners in Italië. Net als honderdduizenden anderen verliet zij rond 2005 haar thuisland, gedwongen door de onophoudelijke economische crisis die volgde op de val van de Sovjetunie. Ook zij stuurde iedere week een pakket. Mijn kennis hierover komt dan ook voort uit zintuigelijke ervaringen: het geluid van scheurend plakband, door mijn moeder om het pakket gewikkeld; de geur van hazelnootchocola (merk Lidl) in diezelfde doos; het zachte gevoel van een trui die een pot olijven omwikkelt.

Met Parcelpaedia probeerde ik de rommelige werkelijkheid uit te beelden

Het zijn dit soort pakketten die ik als uitgangspunt nam bij het maken van een hybride korte fictiefilm over het ‘Italiësyndroom’. Hoewel ‘Italiësyndroom’ geen wetenschappelijke diagnose is, wordt de term vaak gebruikt om de eenzaamheid, hulpeloosheid, achtervolgingswaan en zelfmoordgedachten onder Oost-Europese migranten te beschrijven. Voor het in kaart brengen van deze specifieke vorm van zorgmigratie en de tentakelachtige consequenties ervan, leek het pakket een perfect object.

Verhalen vertellen met objecten

Mijn keuze(?) om een verhaal te vertellen via zulke pakketten, waarbij het object een belangrijk rol speelt, komt voort uit mijn aantekeningen over speculatief realisme, objectgeoriënteerde ontologie (OOO) en actor-netwerktheorie (ANT), evenals observaties bij het werk van verscheidende kunstenaars en filmmakers. Deze aantekeningen en observaties strekken zich uit over de pagina’s van mijn notitieboekje in rijen, kolommen en vrije vormen, afgewisseld met schetsen van pakketten en van etiketten van Italiaanse producten. In een andere kleur noteerde ik lijstjes met mijn emoties en de ervaringen waar deze op teruggingen. Al deze thema’s wezen op een voorkeur voor beelden en ideeën die de strijd aangaan tegen het antropocentrisme. Ik vreesde deze thema’s slechts op een oppervlakkige wijze in het project te kunnen toe-eigenen, maar ‘stayed with the trouble’, zoals Donna Haraway zou zeggen. Daarbij paste ik tot op zekere hoogte Bruno Latours idee van het herdefiniëren van het sociale toe, waarbij het sociale wordt gevormd door zowel menselijke als niet-menselijke actoren.

Het leek me zinvol om het ‘Italiësyndroom’ in dat licht te bezien en objecten, fenomenen en organisaties te benaderen als echte actoren. Dit betekende de complexiteit van het verschijnsel te erkennen en de onzichtbare (arbeidsmigranten zonder papieren) en levenloze (pakketten) actoren aan het licht te brengen in de context van de zorg in Italië. Voor mij was het pakket ondertussen uitgegroeid tot meer dan de kartonnen wanden die andere levenloze producten omvatten. Het enige wat ik hoefde te doen was er een volwaardig filmacteur van te maken die door te bewegen, te scheuren, of in te deuken een impressie geeft van zijn bijdrage aan de migratiestromen op het Europese continent: een actief subject dat de relatie van migranten met hun thuisland belichaamt.

In de OOO, gewijd aan het begrijpen van ‘objecten’ en niet-levende dingen, vond ik een andere verzameling ideeën die ik kon inzetten bij het ontwikkelen van mijn project over het ‘Italiësyndroom’. OOO hield mijn fascinatie met niet-levende subjecten in stand en stelde me in staat het pakket te onderzoeken als een object dat niet alleen direct verknoopt is met Moldavisch-Italiaanse migratie, maar dat ook een eigen leven leidt. Deze perfecte niet-mens drong zich aan mij op wanneer ik mijn gedachten liet gaan over de zorg in verschillende delen van Europa. Via het pakket kon ik verplaatsingen bevragen, vormen van zorgverlening markeren en de onzichtbare netwerken onthullen die migranten en hun gezinnen met elkaar verbinden. Het ‘sociale’ bevindt zich te midden van deze door pakketten bemiddelde verbindingen.

Speculatief leren denken

Dusdanig geïnspireerd, concentreerde ik me op de speculatieve aspecten van het denken. De aantrekkingskracht van het speculatief realisme ligt in het knagende gevoel dat ontstaat wanneer je de werkelijkheid nauwkeurig probeert te beschrijven. De twijfel en onzekerheid over de werkelijkheid van objecten en materialen schept een zekere rommeligheid rondom het onderscheid tussen mens en niet-mens, sociaal en inert materiaal. Met Parcelpaedia heb ik deze rommeligheid geprobeerd uit te beelden via de speelse relatie tussen een mens en een niet-mens.

Ik introduceerde een fictieve arts, Dr. Cara, die op pseudo-medische wijze pakketten onderzoekt en zodoende inzicht krijgt in de geestelijke gesteldheid van migranten. Zijn aanpak omvat mysterieuze handelingen als het betasten, schudden, ontleden, of onderzoeken van een pakket met behulp van een gefingeerd echografieapparaat. Deze ‘aanpak’ werd ’gedocumenteerd’ in een kwartierlange film; de notities vastgelegd in een ‘medisch dossier’; de praktijk als geheel is gegrond in een fictieve pakkettenencyclopedie: Parcelpaedia. Door een verband te creëren tussen de inhoud van een pakket en de emoties bij het inpakken van dit pakket, bleef ik dicht bij de omstandigheden achter het ‘Italiësyndroom’. Door deze met humor te verbeelden, kon ik dit verband op een speelse manier herdefiniëren.

Al deze aspecten werden gevoed door een ‘wat-als?’-vraag. Wat als we pakketten als belangrijke objecten bestuderen? Wat als we niet-mensen proberen te begrijpen? Wat als we meer aandacht besteden aan arbeidsmigranten, hun werkomstandigheden, en de band die ze met hun thuisland hebben? Wat als we inzien dat deze mensen, tijdens de covid-pandemie tot ‘essentieel personeel’ gedoopt, die het zorgsysteem in stand houden, de mogelijkheden missen voor zichzelf te zorgen? Wat als ik een lekkende pot olijven uit een pakket als iets anders zou behandelen dan als een stinkend ongelukje? Tot slot, wat als dr. Cara, door zich op pakketten te richten, de verhalen van verschillende ‘bandante’ verbeeldingsrijk zou herinterpreteren en daarmee hun onzichtbare werk zou vermenselijken? Mijn doel was om de uiterste inspanningen te benadrukken die migranten moeten doen om de band met hun families te behouden. Beschimmelde producten, opgedroogde tranen, geplette blikjes kunnen, door audiovisuele associatie, de kijker aan het denken zetten over de pijn die voortkomt uit gezinsscheidingen, over de geestelijke gezondheid en de werkomstandigheden van een migrant zonder papieren.

Ramia Mazé stelt dat ontwerppraktijken nooit neutraal kunnen zijn, voor zover speculatief denken in de kunsten vaak lijkt voort te komen uit sociaal-politieke kwesties. Het zou naïef en verdacht zijn als kunstprojecten zouden pretenderen onmiddellijke oplossingen voor problemen te genereren. In plaats daarvan maken ze het mogelijk een probleem en de omstandigheden waaruit het is ontstaan, op een verbeeldingsrijke manier te interpreteren. Het introduceren van de pseudo-medische-pakket-praktijk van Dr. Cara stelde me in staat de strenge categorisering van depressiesymptomen op speelse wijze af te breken, waarmee ik de weerstand tegen het erkennen van het Italiësyndroom kon benadrukken.

Geplette blikjes zetten de kijker aan het denken over de werkomstandigheden van een migrant

De migratie met in zijn kielzog die grote hoeveelheid pakketten, vormt een minuscuul, maar karakteristiek onderdeel van het fenomeen migratie in Europa. De complexiteit hiervan wijst op onderlinge verknopingen die niet altijd zichtbaar of voorspelbaar zijn. In Italië zijn clandestiene Moldavische migranten een goedkoop arbeidspotentieel van zorgverleners; de gevaarlijke en dure methodes om Italië te bereiken – voor derden winstgevend – worden daarbij vaak genegeerd. De surrealistische tocht die kartonnen dozen maken over het Europese continent, wordt zelf haast een symptoom van de geestelijke klachten die voortkomen uit de scheiding tussen de migrant en zijn/haar gezin. Pakketafval eindigt, bij gebrek aan georganiseerde afvalverwerking, in rivieren en op Moldavische vuilnisbelten. In Parcelpaedia onderzoekt Dr. Cara deze migratie en de ‘rommel’ die met en via het pakket ontstaat. Ik volgde de route van een pakket en bouwde er op speculatieve wijze een hele praktijk omheen door vast te blijven houden aan de onzekerheid over de definitie van het fenomeen. Ideeën verwant aan het speculatief realisme bleken een goede manier om er op deze manier ‘een rommeltje van te maken’.

Lietje Bauwens: vanuit het onbekende denken

Mijn interesse in de cross-over tussen speculatief realisme en kunst, en de populariteit hiervan, richtte zich vooral op tekstuele experimenten, vaak in performatieve settingen. Mij vielen twee tegengestelde bewegingen op: enerzijds nodigden kunstenaars (niet per se inhoudelijk aan het speculatief realisme verbonden) theorieteksten als actoren uit op het podium om deze vervolgens via performatieve manipulaties te ontwikkelen in (nog) onvoorspelbare richtingen. Anderzijds begaven ‘speculatieve theoretici’ zich meer en meer buiten de muren van de universiteit. Zij zien hun artistieke experimenten niet als zijproject, maar als essentieel aan hun onderzoek. Het gemeenschappelijke van deze bewegingen zit in de poging het onbekende te injecteren in ons denkvermogen, en dit beetje bij beetje uit te rekken zodat ook contingentie hierbinnen een plek kan krijgen. Beide bewegingen pogen voorbij te gaan aan de gekwantificeerde en geformatteerde beperktheid van hedendaagse (academische) taal en proberen de vorm van het speculatief realisme aan te laten sluiten bij de inhoud ervan.

Een fascinerende ontwikkeling die ook kritische vragen opwerpt: kunnen performatieve en artistieke ingrepen theorieteksten verrijken? Op welk punt neemt de speculatieve manipulatie zodanig de overhand dat er van kennisontwikkeling geen sprake meer is? Het speculatief realisme wordt veelal als een rationeel project bestempeld: door wat zich buiten de menselijke waarneming afspeelt ook als ‘werkelijk’ te aanvaarden, wordt het mogelijk het imaginaire een plek te bieden binnen ons kennisapparaat. Filosoof Reza Negarestani zet zich dan ook af tegen voorstellen die het humanistische, rationele project achter zich willen laten – zoals post-, trans- en non-humanistische overtuigingen doen – en stelt daarentegen een inhumanisme voor. Geen ontkenning, maar een toewijding aan het humanisme en aan de rationaliteit als continue (re)constructies en herzieningen van wat het (op dit moment) betekent om mens te zijn. Alleen vanuit een analyse en erkenning van ‘wat is’, kan worden toegewerkt naar ‘wat kan zijn’. Speculatieve kennisontwikkeling is dus altijd zowel een ‘denken over’ als een performatieve beweging die het (nog) ongekende aftast en omarmt. De grenzen van de rede moeten niet alleen in kaart worden gebracht, maar ook keer op keer worden verlegd.

In lijn met deze inhoudelijke speerpunten van het speculatief realisme is het dan ook niet zo gek dat veel van zijn (be)denkers geïnteresseerd zijn in (science-)fiction en zich daarmee buiten de academische context begeven. Het speculatief realisme is voor een aanzienlijk deel ontstaan en ontwikkeld op niet-academische platforms, zoals het para-academische tijdschrift Collapse of de blogs Speculative Heresy, Accursed Share, Planomenology en Naught Thought. Het gebruik van een dergelijke (digitale) methodologie en de inzet van ‘blogtaal’, kan op zich al worden gezien als een vorm van experimentele filosofie. Het is voor veel speculatieve denkers belangrijk om in hun uitingen het descriptieve te overstijgen en niet alleen over speculatie te schrijven maar de tekst zelf al een poging tot speculatie te laten zijn. Terwijl voor postmoderne en deconstructivistische theorieën de ‘in zichzelf gekeerde’ academische vorm goed aansloot bij de betreffende kritieken, stelt de speculatieve beweging een constructief denken voor dat het voorstellingsvermogen oprekt met fantasierijke en ambitieuze proposities. ‘Theory-fiction is the simulating engine of philosophy’, stelt Reza Negarestani, die in het genre van de filosofische horror-sciencefiction Cyclonopedia (2008) schreef. Om trouw te blijven aan hun inhoudelijke uitgangspunten voelen veel speculatieve filosofen zich genoodzaakt experimentele vormen van kennisproductie te omarmen als fundamenteel onderdeel van hun theoretische onderzoek.

Speculatie voor meerstemmigheid

Voor het onderzoeksproject Perhaps it is High Time for a Xeno-Architecture to Match (een samen-werking tussen mij, Wouter De Raeve en Alice Haddad), nodigden we speculatief filosoof Armen Avanessian uit om samen met architect Markus Miessen in het Kaaitheater het neologisme ‘xeno-architecture’ uit te werken. Ze vroegen verschillende geur-, video- en performancekunstenaars het concept live te ‘testen’ en lieten ze, vanuit een verlangen naar het onverwachte, geheel vrij in hun benadering van wat xeno-architectuur zou kunnen zijn. De verhouding tot (bestaande) theorieteksten werd hierbij volledig losgelaten. De desoriënterende uitkomst wierp een belangrijke kritische vraag op: kun je nog wel van kennisproductie spreken wanneer de artistieke ingreep de overhand krijgt in de beoogde theorieontwikkeling? De speculatief denker werpt nu misschien tegen dat het al dan niet falen van de speculatieve kennisproductie onmogelijk direct bepaald kan worden. De uitkomst toont zich immers pas in, of ‘vanuit’, de toekomst. Wat ons op dit moment verwart, kan uiteindelijk ons rationele kennisapparaat alsnog uitrekken. Maar is dit niet te gemakkelijk? Vrijwaart zo’n houding zich niet bij voorbaat van elke vorm van kritiek?

Het grootste risico van speculatie is dat filosofieën vervallen in abstracte spelletjes

In Speculative Facts, een project met Quenton Miller en Karoline Swiezynski, bouwde ik hierop verder door de deelnemende kunstenaars te vragen of er zoiets als speculatieve verantwoordelijkheid bestaat – dit keer niet alleen in relatie tot nieuwe kennis maar ook tot neppe kennis. Wat onderscheidt progressieve speculatie van fake news? Vanuit het nieuw gestichte Department of Speculative Facts vroegen we twee factcheckers van de New York Times om via e-mail te converseren over hun veranderende verhouding tot feiten. Vervolgens nodigden we speculatieve kunstenaars uit om met de e-mails als materiaal te experimenteren: ze te bewerken, bevragen, re-enacten, verknippen enzovoort.

Twee voorbeelden laten een duidelijk onderscheid zien. Voor haar workshop bracht Mette Edvardsen de e-mails terug tot rauw materiaal, een hoopje woorden waarmee ze vervolgens nieuwe betekenis genereerde. De vaak onbegrijpelijke zinnen die vervolgens op tafel kwamen te liggen, voelden willekeurig aan omdat de relatie tot de ‘originele tekst’ te ongrijpbaar en de keuzes te persoonlijk werden. Kate Briggs besloot de dynamiek tussen schrijven, verkeerd lezen en denken te bevragen. Haar workshop ‘Reading is a throwing forward’ is een continuering van een vorig project waarin ze een eye-tracker gebruikte om na te gaan hoeveel je eigenlijk ziet wanneer je leest, en hoeveel je zelf invult. Net als Edvardsen trekt Briggs dus een bestaande tekst uiteen; alleen doet zij dit niet volledig. In haar oefening maakte Briggs steeds een gedeelte van de zin – de onderkant of bovenkant van de letters; de middelste letters – onleesbaar. Hiermee onderzoekt ze in hoeverre lezen een speculatieve praktijk is, en op welke manier de leesbare tekst zich tot het daarna zelf ingevulde vervolg verhoudt. Maar waar Edvardsen de gehele tekst tot een ‘onbepaald onbekende’ maakte, was Briggs precies in het afmeten van maat van dit ‘onbepaald onbekende’ en daarmee haar relatie tot de bestaande tekst. Het wordt dan nog steeds niet snel duidelijk of de oefening een nuttig resultaat heeft, maar ze markeert en experimenteert op een preciezere wijze met de balanceeract tussen het gekende en het onbekende.

Wat mij tijdens bovenstaande excursies in het speculatieve veld vooral is opgevallen is dat ‘everything goes’ het grootste risico is van speculatie. Precies omdat ze voorbij de kritiek proberen te gaan, zetten veel speculatieve experimenten ook de kritische parameters buiten spel waarmee ze zelf beoordeeld kunnen worden. Veel hedendaagse speculatieve filosofieën worden zo abstracte spelletjes, en herhalen eigenlijk precies de vorm van de modernistische ‘kritiek’ waar ze zich tegen afzetten. Er wringt hier iets. Toen Alfred N. Whitehead namelijk schreef dat ‘filosofie niks kan uitsluiten’ bedoelde hij niet dat speculatief denken zo algemeen kan worden dat alles eronder valt. Speculatief denken moet beginnen vanuit, en denken met, alles wat er in een ervaring zit, zodat deze empirische situaties zelf de beperkingen opleggen. In deze lijn, stelt Didier Debaise de termen ‘speculatief pragmatisme’ en ‘speculatief empirisme’ voor om zo een andere manier van kijken naar de relatie tussen ervaring en speculatie aan te duiden. Ik interviewde hem voor een publicatie in nY over het moeras, en vroeg hem wat hij dan precies met ervaringen bedoelt. Het gaat niet enkel over wat we ervaren via onze zintuigen en waarnemingen, zei hij, het omvat ook ideeën, verwachtingen, neigingen, erfenissen, theorieën, beleidsvoorstellen, verzakingen, keuzes en alternatieven. Het speculatieve is voor Debaise dus gesitueerder dan die van de speculatief realisten en richt zich op nog onbegrepen minderheidsdimensies binnen de ervaring in plaats van de onbegrijpelijkheden daarbuiten. Speculatie, dus, als aanleiding om onze aandacht te richten op de meerstemmigheid van de ervaring die er altijd al was. Daar kunnen ook niet-kunstenaars wat mee.

Literatuur

Avanessian, A, et. al, red. (2018), Perhaps it is High Time for a Xeno-Architecture to Match. London: Sternberg.
Bauwens, L et. al, red. (2021), Speculative Fact. Onomatopee 177.
Bauwens, L. (2020), Nieuwe ecologieën voor de zintuigen, in gesprek met Didier Debaise. nY42.
Doucet, I. (2018), Narrate, Speculate, Fabulate: Didier Debaise and Benedikte Zitouni in Conversation with Isabelle Doucet. Architectural Theory Review: 1-15.
Mazé, R. (2016), Design practices are not neutral. In: I. Mitrovic en O. Šura (red), Speculative – Post-Design Practice or New Utopia? Zagreb, 21-22.