Home Over vooruitgang, vrijheid en dromen

Over vooruitgang, vrijheid en dromen

30 november 2009

Cover van 10-2009
10-2009 Filosofie magazine Lees het magazine

Wie naar de filosofische geschiedenis van het optimisme kijkt, ziet vooral veel realisme. Denken over optimisme is soms groots, soms met kleine stappen vooruit – maar altijd met het besef dat vooruitgang ook verlies betekent. Vijf cruciale boeken.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

1. Essais de théodicée, 1710, Gottfried Wilhelm Leibniz (1646–1716)

Leibniz staat te boek als de grondlegger van het optimisme. We leven in de beste van alle mogelijke werelden, zo schreef hij in zijn essays over de godsidee. Een bespottelijk idee vond Voltaire (zie pessimisten), maar Leibniz bedoelde dat de wereld niet beter kon zijn dan hij nu was, omdat hij nu eenmaal door een volmaakte God uit alle mogelijke werelden was gekozen. Hij ontkende het kwaad geenszins, maar alles in deze beste wereld heeft een reden, alleen zijn wij vaak te beperkt (lees: te dom) om dat te zien. Wat zou vrije wil nog te betekenen hebben zonder de mogelijkheid het kwade te kiezen? Afstand nemen is daarom het devies van Leibniz’ optimisme. Zoals een deel van een mozaïek van dichtbij lelijk en vormeloos is, valt het van een afstand wel op zijn plek en zie je er de schoonheid van.

2. Fenomenologie van de geest, 1807, Georg Hegel (1770-1831)

Denken aan het einde der tijden stemt tegenwoordig niet meer tot hoop: meestal is niets minder dan de vernietiging van de aarde in het geding, maar waarom zou dit einde niet harmonieus zijn? Het visioen van zo’n happy end kreeg Hegel tijdens de Franse Revolutie. De jonge filosoof raakte zo in de ban van de ‘geest van de vrijheid’ die hij daar ontwaarde dat hij begon aan een boek waarin de wereldgeschiedenis werd uitgelegd als een onstuitbare opmars naar de vrijheid. Alles kan achteraf begrepen worden als een noodzakelijk onderdeel van dat proces, zo stelt Hegel. In de Fenomenologie van de geest beschrijft hij dat proces als een odyssee, waarbij de geest na een barre tocht vol gevaren, weer thuis komt. Het optimisme van Hegel bevat een flinke dosis melancholie – vrijheid heeft een prijs, en aan het eind van de weg zijn we sadder, but wiser. Maar, zoals een hoogleraar eens zijn werk samenvatte: ‘achter de wolken schijnt de zon’.

3. Over vrijheid, 1859, John Stuart Mill (1806-1873)

Waarom is vrijheid van denken, spreken en handelen zo belangrijk? In het dit jaar exact 150 jaar geleden verschenen Over Vrijheid, geeft Mill een uiterst gewiekst antwoord. Tegenwoordig hoor je vaak de liberale gedachte dat die vrijheid zo belangrijk is, eenvoudigweg omdat mensen van nature het recht hebben om vrij te zijn. Je hebt bijvoorbeeld het recht te zeggen wat je wil. Punt. Maar Mill vindt zoiets als ‘van nature’, of ‘natuurrecht’ vage abstracties, waar hij zich niet op wil beroepen. Daarentegen dient vrijheid volgens hem een concreet doel: de steeds verdere vervolmaking van de samenleving. De optimist Mill acht zo’n vervolmaking mogelijk, alleen kunnen we niet bij voorbaat claimen hoe die eruit ziet; utopisme wijst hij van de hand. Daarom is vrijheid zo belangrijk. Er moet altijd ruimte blijven voor afwijkende meningen en diversiteit, niet omdat dat op zich zo fijn is, maar omdat een minderheid het ook wel eens bij het rechte eind zou kunnen hebben in de gezamenlijke zoektocht naar een betere toekomst.

4. De open samenleving en haar vijanden, 1945, Karl Popper (1902-1994)

Karl Popper was een optimist, maar voor een optimist was hij wel opvallend bescheiden in zijn ambities – zo blijkt uit zijn hoofdwerk De open samenleving en haar vijanden. De Oostenrijkse denker stelde weliswaar vertrouwen in ons vermogen om de wereld te verbeteren, maar we moeten daarbij nooit streven naar de ideale wereld. Tegenover de idealisten die zich gauw laten meeslepen door hun eigen ideeën en daarin tiranniek worden, stelde Popper het piecemeal social engineering: stapje voor stapje moet de wereld verbeterd worden door telkens opnieuw kleine problemen uit de weg te ruimen. Niet de best mogelijke van alle werelden moeten we nastreven zoals idealisten doen, maar de verbetering van de bestaande wereld.

5. Das Prinzip Hoffnung, 1954, Ernst Bloch (1885-1977)


Hoop doet leven, dat is de kern van Blochs optimisme. De Duitse filosoof schreef drie dikke delen over wat hij beschouwde als de essentie van de mens: de mens is een ‘utopisch overschot’, zei Bloch. Dat overschot zien we niet alleen terug in kathedralen, maar ook al in zoiets kleins als dagdromen. Natuurlijk leidt dagdromen niet altijd naar een beter leven, soms zijn ze niet meer dan een tijdelijke vlucht, maar ze verdienen het om aandachtig te worden bestudeerd. ‘Het gaat erom die dromen steeds beter te leren kennen en ze eerlijk, bruikbaar en doeltreffend te houden.’ Dan kan een droom in plaats van gemijmer te zijn, je vervullen met echte hoop: je voelt je niet langer overgeleverd aan de omstandigheden, je verzet je tegen een levensangst die iedereen soms overvalt, en je probeert je dromen te realiseren.