Home Ik wil slapen!

Ik wil slapen!

Door Erik Oger op 05 februari 2013

07-2002 Filosofie magazine Lees het magazine

Wie vaak urenlang in bed ligt te woelen, weet dat de slaap een onwillige gast is. Hoe meer je hem je wil probeert op te leggen, des te hardnekkiger zijn weigering om te komen. Hoe dan toch een goede nachtrust te bekomen? Een sluipweggetje die de wil omzeilt kan helpen, maar uiteindelijk komt het erop aan jezelf te durven overgeven aan het ongewisse. Dat is eng, maar de beloning mag er zijn: slapen als een roos en verzoening met het menselijk bestaan.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

In de roman Les Catilinaires van Amélie Nothomb verdedigt de kwaadaardige dokter Bernanos de overtuiging dat wie de slaap niet kan vinden, blijk geeft van een schromelijk gebrek aan wilskracht. Omdat volgens hem de wil bergen kan verzetten, is het inslapen te vergelijken met het overschrijden van een molshoop. Deze taak mag voor niemand een serieuze moeilijkheid opleveren en zeker niet voor de wilskrachtige mens voor wie zoiets kinderspel is. In de roman The House of Sleep van Jonathan Coe verkondigt de megalomane dokter Dudden de overtuiging dat wie slaapt, een mensonwaardig bestaan lijdt. De slaper is louter de speelbal van de hem omgevende krachten. Omdat tijdens de slaap elk kritisch bewustzijn is weggevallen, bevindt hij zich in een toestand van mentale vervreemding. Hierom wil deze dokter met alle mogelijke middelen deze verderfelijke gewoonte uit het bestaan bannen; en wanneer dit niet lukt, moet de mens in ieder geval proberen de slaaptijd tot het uiterste te beperken. Dat deze houding niet louter een hersenspinsel van de een of andere romanschrijver is, zien we onder meer bij Frederik de Grote van Pruisen die tijdens de hoogtijdagen van de Verlichting een ontwenningskuur ondernam om verlost te zijn van deze mensonterende verslaving van iedere nacht.

Alhoewel de manier waarop de artsen in de romans van Nothomb en Coe tussenbeide willen komen in het slaapgedrag, duidelijk verschillend is, stemmen ze toch op tenminste een punt wonderwel overeen: de mens is pas werkelijk mens wanneer hij bekwaam is om de slaap naar zijn ijzeren wil te zetten. Beiden gaan uit van de onderliggende en meer algemene opvatting dat de mens, met de inzet van de wil, in principe een ongelimiteerde macht over zichzelf en de dingen kan verkrijgen. Het is niet toevallig dat telkens een geneesheer deze overtuiging verkondigt. In onze maatschappij staat immers de geneeskunde symbool voor een onstuitbare zegetocht van de wetenschap naar een volledige beheersing van de werkelijkheid. Op haar hebben we onze hoop gevestigd om ons te bevrijden van de gesels van ziekte en dood.
 
Behalve enkele notoire uitzonderingen treffen we in de filosofische traditie eenzelfde negatief oordeel over de slaap aan. Volgens Aristoteles is de slaap niet enkel de tegenpool maar ook de afwezigheid van waken, zoals de ziekte de afwezigheid van gezondheid, de lelijkheid die van schoonheid, de blindheid die van het zicht en de doofheid die van het horen is. Alhoewel de slaap noodzakelijk tot elk levend wezen behoort, is het toch vooral een onvermogen om wakker te blijven, om zonder onderbreking actief te zijn. Onze zintuigen zijn dan geketend en tot stilstand gekomen. De homo erectus die in slaap valt, is als iemand die een aanval van vallende ziekte heeft. Pas met het ontwaken bevrijdt hij zich van deze ketenen. Als hij wakker is, neemt hij opnieuw waar. Hij richt zich op en komt weer in beweging.

Augustinus plaatst een dergelijk oordeel binnen een christelijke levensvisie. Zijn poging om de lezer van zijn boek tot het ‘rechte geloof’ aan te sporen is tegelijk een oproep om wakker te worden. Wanneer de mens waakt kan hij weerstand bieden aan de ‘wellustige aandoeningen’ die op hem toekomen. Hij is in staat om de droombeelden als dwaling af te wijzen. Tijdens de slaap sluit de waakhond van het verstand echter zijn ogen, en blijft de slapende onbeschermd achter. Om deze reden verdient “naar het gezonde oordeel van alle mensen de wakende toestand de voorkeur”. Een zondaar die door begeerte geketend is, lijkt op een mens die door slaap bevangen is. Het zich bevrijden van deze boeien vergelijkt Augustinus met het van zich afschudden van de slaap.

Met Kant verandert opnieuw het filosofische landschap. Wat echter niet verandert is de negatieve waardering van de slaap. Volgens Kant bevindt de traditionele metafysicus zich in een toestand van ‘dogmatische sluimer’, terwijl de kritische, moderne filosoof hieruit ontwaakt is. Kant verbindt hiermee slapen met inbeelding en waken met objectieve kennis. Hij gaat er (dogmatisch?) van uit dat de slaap dogmatisch terwijl het wakker-zijn kritisch is. Toch is het allerminst duidelijk wat de slaap te maken heeft met het blijven vasthouden aan een bepaalde overtuiging, omdat niet enkel kritiek maar evenzeer dogmatiek houdingen zijn die uitsluitend voor het wakende bewustzijn kenmerkend zijn.
 
Ik zal het inslapen ten tonele voeren als een voorbeeld van een gebeurtenis die niet meer het gevolg kan zijn van een streven, althans niet van een streven dat rechtstreeks en frontaal op het doel afstevent. Wie het in zijn hoofd haalt om het inslapen toch op een dergelijke wijze na te streven, stoot — precies door de inzet van dit streven zelf — op allerhande hindernissen die het onmogelijk maken, of in ieder geval ernstig bemoeilijken. Met een hautaine onverzettelijkheid weigert de slaap ook maar een duimbreed te wijken voor de dwang die de wil erop probeert uit te oefenen. Wie hem daarentegen op een zijdelingse en sluikse manier besluipt, heeft misschien meer geluk. Maar ook nu garandeert niets dat men werkelijk resultaat zal boeken. Het geluk van het inslapen — en trouwens niet alleen dat van het inslapen — laat zich immers niet afdwingen.

Terwijl we in normale omstandigheden perfect in staat zijn om een willekeurig aantal maal het licht aan en uit te doen, kunnen we niet ons bewustzijn naar believen in- en uitschakelen. We beschikken niet over een even handige schakelaar die het ons mogelijk maakt om, uitsluitend op wilskracht, van een toestand van waken naar een van slapen over te schakelen. Iedereen kan vaststellen dat we met het uitdoven van het licht in onze slaapkamer nog helemaal niet ons bewustzijn hebben uitgedoofd. We beheersen niet in dezelfde mate het inslapen zoals we in waaktoestand het sluiten van onze ogen beheersen. De pogingen om de overgang van waken naar slapen met een wilsdaad te controleren leiden tot geen betrouwbare resultaten. Sterker zelfs: de inzet van de wil om dit doel toch te bereiken werkt eerder als een extra handicap. Een dergelijke inzet vereist immers een aandacht die het tot stand komen van de mentale toestand van slapen juist verhindert. Met het inslapen komt de psyche in een toestand terecht waarin deze aandacht juist dient te zijn uitgeschakeld.
         
Bij personen die gedurende een langere periode met problemen van slapeloosheid te kampen hadden, valt nauwkeurig waar te nemen welke effecten het streven naar slapen in hun psyche teweegbrengt: hun streven zal meer en meer de slaap belemmeren. Ze gaan steeds zwaarder gebukt onder de ongemakken die het gevolg zijn van slapeloosheid. Om deze reden zal hun aandacht zich onwillekeurig op het moment van het inslapen zelf richten. Maar hoezeer zij zich ook inspannen, nooit zullen zij de getuige van hun eigen inslapen zijn. Zoals het ogenblik van de dood, zal evenzeer het ogenblik van het inslapen hun onvermijdelijk ontsnappen. De bewering (in de tegenwoordige tijd van de eerste persoon enkelvoud) “Ja, — ik slaap nu. Wek me niet!” van Monsieur Valdemar uit de meesterlijke vertelling van Edgar Allan Poe is voor ons uitermate bizar. Soms beangstigt deze bewering ons, soms moeten we erom lachen, maar steeds bevestigt hij iets dat het – door het stellen ervan – tegelijk ook impliciet moet loochenen.

Zoals de uitspraken “Ik denk dat ik slaapwandel”, “Ik ben nu aan het snurken”, “Ik verzwijg je niet dat ik dood ben”, is het een bewering die iets beweert dat in tegenspraak is met de handeling zelf. Door te zeggen dat ik slaap, ben ik tevens verplicht te vooronderstellen dat ik niet slaap. Het doen van de uitspraak impliceert een bewustzijn van en een soevereiniteit (hoe relatief ook) over zijn of haar handelingen, die de toestand van de slaap juist uitsluiten.
 
Iemand met ernstige slaapstoornissen krijgt de indruk dat de slaap zich als een sfinx gedraagt. Wanneer we hem een vraag stellen, zwijgt hij in alle talen en hult hij zich steevast in een waas van duisterheid en raadselachtigheid. Hij is een vreemde en onwillige gast: wanneer we hem aan ons bed uitnodigen, blijft hij koppig weg; wanneer we hem daarentegen veronachtzamen en links laten liggen, overvalt hij ons en meestal dan nog op de meest ongelegen ogenblikken. Hij weigert niet enkel in te gaan op onze vragen maar evenzeer op onze aanmaningen.

Na verloop van tijd zullen de slapelozen nog slechts één verlangen koesteren: slapen. Onophoudelijk zijn zij ermee begaan. Lang vóór het naar bed gaan maken zij er zich druk over dat het opnieuw niet zal lukken. Deze vrees werkt als een selffulfilling prophecy. Zij ondernemen verwoede pogingen om hun doel toch te bereiken, maar die helpen hen in de regel niet vooruit. Doordat zij de slaap willen overmeesteren, is de bonus van hun inspanningen meestal nihil. En hoe meer hun pogingen een krampachtig en vertwijfeld karakter aannemen, des te dieper worden zij meegesleurd in een draaikolk die juist steeds verder van de slaap wegvoert. De frustraties die hun mislukte pogingen opleveren, verstoren grondig de voor het inslapen onontbeerlijke gemoedsrust. Meer en meer raken zij verstrikt in een cirkelgang, of beter: in een vicieuze spiraalgang. Zij kunnen niet inslapen, waardoor een groeiend verlangen ernaar ontstaat, en omdat dit verlangen de belangstelling op het moment van het inslapen zelf richt, maakt dit op zijn beurt het inslapen steeds moeilijker en uiteindelijk zelfs volledig onmogelijk. Of met de woorden van Proust: “De gedachte dat het tijd was om de slaap op te zoeken, wekte mij”. Tijdens de dag, op een moment dus dat de slapeloze de slaap niet meer najaagt, overvalt de slaap hem of haar.

Dat een rechtstreeks streven naar slaap de slaap op zijn minst ernstig bemoeilijkt, blijkt eveneens uit een Amerikaanse onderzoek, waarin men vrijwilligers vijfentwintig dollar beloofde als zij in een relatief korte tijd in slaap zouden vallen. Het resultaat was echter dat zij er tweemaal meer tijd voor nodig hadden. Het verlangen om het doel te bereiken verhinderde het. Met het verhogen van de beloning zal deze tijd waarschijnlijk ook evenredig toenemen. Hoe langer iemand aan slapeloosheid lijdt, hoe meer waarde hij of zij aan het inslapen zal hechten, en dus hoe moeilijker het ook zal zijn. Wie met een revolver tegen de slaap gedrukt het bevel krijgt om te slapen, zal het onmogelijk nog kunnen. Kortom, we zullen geen overwinning boeken wanneer we het veelhoofdige monster van de slapeloosheid met een open vizier bestrijden. De wilskracht die in normale omstandigheden voldoende kracht bezit om de gewilde toestand tot stand te brengen, is hier krachteloos. En paradoxaal genoeg geldt dit bij uitstek voor de meest wilskrachtige wil.
 
Wanneer we de slaap willen vatten, zijn we daarom verplicht afstand te doen van de greep die we in wakende toestand over de wereld en onszelf bezitten. We onderbreken gedurende een bepaalde tijd ons vermogen om doelgericht te handelen. We verliezen de controle die we tijdens de dag met behulp van de gecoördineerde inzet van aandacht en streven uitoefenen. Tot deze mysterieuze maar tegelijk vertrouwde wereld van de slaap verkrijgen we slechts toegang wanneer we er ons blindelings op verlaten. Volgens Baudelaire durven we het ‘sinister avontuur van alle avonden’ slechts aan omdat we ons niet bewust zijn van de mogelijke gevaren. We moeten ons aan de nachtzijde van het bestaan toevertrouwen zoals een zwemmer zich aan het snel stromende water van een rivier overgeeft: we laten ons erin opnemen. Maar we zijn alleen bereid vaste grond onder de voet te verliezen, wanneer we erop vertrouwen dat de slaap ons zal blijven dragen.

Om de toestand van het slapen te bereiken moet de psyche bereid zijn een stap in het ongewisse te zetten. Zij moet zich afhankelijk durven stellen van krachten die haar vermogen tot controle te buiten gaan. Velen deinzen voor een dergelijke stap terug. Hun houding is als die van kinderen die een donkere kamer moeten binnentreden en de slaapkamer is zo’n kamer. Alhoewel zij moe zijn en naar slaap verlangen, boezemt de slaap hen tegelijkertijd ook angst in. Om te kunnen inslapen zijn zij verplicht zich volledig los te laten en de continuïteit van het bestaan prijs te geven. Zij moeten de activiteit van het verzamelend en behoudend herinneren voor een bepaalde tijd opschorten en zich overgeven aan de nacht van onwetendheid en vergetelheid. Zij moeten zich openstellen voor een wereld waarin zij niet meer weten wie zij zijn en wat voor leven zij leiden.
 
Om onze wakende wil uit te schakelen, kunnen we proberen hem langs de sluipweg van een list te verschalken. De weldoende rust van de slaap komt slechts naderbij wanneer het ons lukt om de zinnen te verzetten, en niet alleen de zinnen maar ook het hoofd en het hart. Omdat de rechte weg naar de slaap geblokkeerd is, dringt zich een afleiding op. Met een dergelijk manoeuvre proberen we onszelf te verschalken. Zoals een goochelaar een reeks handelingen doet die niet de bedoeling hebben om de goocheltruc te doen slagen, maar louter om de aandacht van zijn publiek af te leiden, zo ook doen wij een aantal dingen die er uitsluitend op gericht zijn om de aandacht af te leiden. Het enige verschil is dat we nu niet meer de aandacht van anderen, maar die van onszelf proberen af te leiden. Wie onmogelijk de slaap kan vinden, grijpt ten einde raad naar een laatste redmiddel: de motor van de wil en het roer van het bewustzijn te slim af zijn. Hierbij leidt men zichzelf weliswaar om de tuin, evenwel niet met de bedoeling om zichzelf te benadelen. Nietzsche heeft al ingezien dat ‘in de list ook veel goedheid leeft’ en dat geldt ook hier. Men haalt winst door zichzelf op slinkse wijze te verschalken door de eigen wil en bewustzijn gedurende een bepaalde tijd buiten werking te  stellen.

In deze strategie gaat het erom de aandacht af te leiden naar een ander onderwerp dan dat van het slapen zelf. Dit nieuwe onderwerp moet de aandacht gedurende een langere tijd opslorpen. In een dergelijke situatie is niet zozeer de aard van het onderwerp belangrijk, maar veeleer de rol die het in de strategie van het inslapen vervult. Het thema doet hier immers louter dienst als een bliksemafleider van de wil, als een divertissement van de aandacht. Om de aandacht te kunnen weghouden van wat we willen bereiken, moeten we proberen deze gaande te houden met een ander thema dan dat van het inslapen. Het afleiden van onze wil gebeurt echter uitsluitend om beter in staat te zijn de psyche te geleiden naar een toestand waarin de wil gedurende een bepaalde tijd buiten werking gesteld is en waarin hij dus geen controle meer kan uitoefenen over onze lichaamsbewegingen en over de dingen om ons heen. Onze aandacht lokken we in een valstrik om te kunnen komen tot een mentale toestand waarin deze aandacht grotendeels weggevallen is en geen weet meer heeft van wat er zich rondom haar allemaal afspeelt. Daartoe mogen we deze afleiding niet ervaren als een verstoring van de slaap, wat bijvoorbeeld wel het geval is wanneer het geluid van een druppelende kraan je irriteert, of wanneer een tikkende wekker je er onophoudelijk aan herinnert dat de slaaptijd wegtikt, of wanneer de rustige en regelmatige ademhaling van je slapende bedgenoot je confronteert met het pijnlijke gegeven dat je nog altijd niet tot slapen bent gekomen.
 
Bij het slapengaan delen we soms aan de aanwezigen mee dat we ons terugtrekken. We wenden onze aandacht af van de anderen en de wereld. Omdat tijdens de slaap de poort naar de buitenwereld afgesloten is, vond de mening ingang dat we ons in onszelf terugtrekken. Toch is deze mening uiterst twijfelachtig. Met het verlaten van de gemeenschappelijk gedeelde ruimte van de wereld treed ik niet binnen in de privéruimte van het ik, verschans ik mij niet in de ‘refuge’ van de interioriteit. Met het inslapen voltrekt zich geen beweging van inkeer in mijzelf. Zoals ik reeds heb aangegeven, zou een dergelijke inkeer het slapen juist onmogelijk maken. Doordat de kwelling van niet te kunnen slapen mij steeds opnieuw op mezelf terugwerpt en mijn aandacht naar het moment van het inslapen drijft, blijven we de gevangene van onszelf. Om de herstellende bewusteloosheid van de slaap te kunnen krijgen, moet ik mij dus niet alleen van de buitenwereld afwenden maar evenzeer van mezelf, van het 'zelf' dat in deze wereld een rol wil spelen. Met het wegzinken in de slaap daal ik niet af in de diepere regionen van het ik, maar verlaat ik mezelf. In het afleggen van de bochtige weg naar de slaap moet ik ook mezelf kwijtspelen. Gedurende de slaap ben ik verlost van mezelf. Ik ben niet meer blootgesteld aan de verplichting aanwezig te moeten zijn bij mezelf. Ik ben even vrijgesteld van de plicht mezelf te moeten zijn. Pas met het ontwaken kom ik terug tot mezelf.

De slapeloze die het ‘Ken uzelf’, de voor de filosofische traditie zo belangrijke inscriptie op het fronton van de tempel van Delphi, zou opvatten als een oproep om de aandacht te richten naar de eigen persoon, zal in zijn of haar streven naar introspectie de goede fee van de slaap niet ontmoeten. De slaap kan zich slechts aandienen wanneer ik bereid ben voor bepaalde tijd te verzaken aan de controle- en uitkijkpost van het ‘ik’. Ook voor mezelf moet ik de ogen sluiten. Iedere zelfwaarneming en -controle is uit den boze. Om te kunnen binnentreden in de onafzienbare en onpeilbare uitgestrektheid van de nacht, moet ik mij van mezelf wegtrekken en een ‘wereld’ betreden waarin ik mij oplos en verlies. Maar ook deze manier van spreken blijft nog inadequaat: ik treed niet zozeer binnen in een nieuwe wereld, maar word veeleer afwezig bij de wereld en bij mezelf. Ik moet bereid zijn op te gaan in een groter geheel waarin ik de controle over mezelf verlies, waarin ik een weer- en machteloos wezen ben dat overgeleverd is aan de duistere krachten van de slaap. Noodzakelijk is dat ik afstand doe, dat het ik afstand doet. Voor wie wil slapen bestaat de wijsheid niet in zelfkennis maar in zelfvergetelheid, niet in een toewenden naar zichzelf,  maar in een wegkijken van en voorbijgaan aan zichzelf. De Frans-Roemeense schrijver Cioran, die — vooral tijdens zijn jeugd — zwaar te lijden had aan slapeloosheid, zegt over dit opgeven van het ik treffend: “Vanaf het ogenblik dat ik uit het ‘ik’ stap, slaap ik in.” Blijkbaar slaagde Cioran er niet in om de bescherming die de versterkte vesting van het ik hem bood, af te leggen. Hij weigerde resoluut om van dit trotse ik afstand te doen en een leven te leiden waarin plaats is voor een vergeten dat de continuïteit van het bestaan doorbreekt. Deze weigering had evenwel een ernstig nadeel voor gevolg: eindeloze nachten zonder slaap.
         
Men moet proberen niet toe te geven aan de zorgwekkende gedachte niet in slaap te kunnen vallen. Het gaat er mij daarbij niet om te bepalen welke strategie daartoe het meest aangewezen is.  Dat hangt overigens in belangrijke mate af van de belangstelling van de slapeloze. Vele afleidingsmanoeuvres die een onachtzaamheid voor het inslapen tot stand moet brengen, zijn mogelijk. Men kan aangename en rustgevende ingevingen het bewustzijn als een zacht kabbelend beekje binnen- en na verloop van tijd opnieuw buiten laten stromen. Uit de faits divers van de dag kan datgene worden geselecteerd wat de ijdelheid van het ego streelt. Doordat geen verontrustende gedachten de kans krijgen om de geest volledig in beslag te nemen, blijft nog voldoende ruimte vrij opdat de slaap er zich ongemerkt kan nestelen. Al deze flarden van mijmeringen en dagdromen zijn hypnogeen: ze voeren geleidelijk naar een vaste slaap.

Voor minder ernstige gevallen van slapeloosheid doen we er misschien goed aan de raad te volgen die de volkswijsheid ons aan de hand heeft gedaan: het toegewijd tellen van schaapjes, sterren of andere objecten. Dat biedt nog geen zekerheid, maar ik sluit niet uit dat dit tellen ons soms op een weinig omslachtige wijze een uitweg biedt. In dat geval behoudt deze strategie van elk lemma de voordelen en elimineert ze de nadelen. Tussen de Scylla van de verveling en de Charybdis van de opwinding leidt ze dan het wankele scheepje van onze psyche door de riskante zee-engte van het inslapen heen naar de open zee van de vaste slaap.
Op het ogenblik van het slapengaan telt de slapeloze gedurende een langere tijdspanne iets waarvan de uitkomst volslagen onbelangrijk is. Daarom doet de vrek er beter aan iets anders dan zijn geld te tellen en de Don Juan iets anders dan zijn amoureuze veroveringen. Ze zouden daarmee weliswaar een tijdje zoet  zijn – de uitkomst zou ongetwijfeld in de hoge getallen lopen – maar het valt te vrezen dat beiden een te groot belang aan de precieze uitkomst hechten waardoor de slaap alsnog wegblijft.

Daarnaast mag de slapeloze niet te veel belang hechten aan de activiteit van het tellen zelf, want dan zou het de vorm aannemen van een obsessioneel tellen. Dit is een tellen dat hij of zij ter wille van zichzelf nastreeft, een beetje zoals bij de Oostenrijkse componist Anton Bruckner die op een moment van zenuwinzinking gekweld werd door een ‘telziekte’: hij kon onmogelijk nog stoppen met het telkens opnieuw tellen van de vensters van huizen, de bomen van een bos, de stenen in het plaveisel, et cetera. In tegenstelling tot een dwangneurotisch tellen, waarbij we tellen om te kunnen tellen, tellen we in ons bed om te kunnen slapen.
 
Tellen is een vervelende activiteit; maar aan het einde van de lange tunnel wacht als beloning een goede nachtrust. De zoete vrucht van deze beloning zullen we overigens slechts smaken wanneer we ondertussen vergeten zijn dat we deze hoop koesterden. Tijdens het eenzaam afleggen van de eentonige weg moeten we onze hoop op en verwachting van slapen als een onmogelijk te torsen ballast afwerpen. We moeten dus de slaap uit het oog verliezen om hem te kunnen vinden. Maar zelfs als het ons lukt om onderweg de hunkering naar onmiddellijke bevrediging van het inslapen kwijt te spelen, hebben we nog steeds geen garantie dat we ook werkelijk resultaat zullen boeken. Misschien blijven we vruchteloos doortellen tot de morgenstond. Maar het valt niet te loochenen dat zich toch soms het 'wonder' van het inslapen voltrekt. En als dit gebeurt hebben we dit mede te danken aan het wegleiden van de aandacht naar een ander doel dan het doel dat we nastreefden.

De slaap zal slechts zijn intrede doen indien de muizenissen, zorgen en bekommernissen — en natuurlijk vooral die in verband met slapeloosheid — uit het bewustzijn zijn weggeëbd.

De goocheltrucs van het schaapjes tellen, het denken aan het aangename of het strelen van het eigen ego hebben hetzelfde doel. Door middel van een zelfbedrog vindt een voortdurende transformatie en transfiguratie plaats van twijfel in zelfvertrouwen, van angst in geruststelling, van hunkering in bevrediging, van bitterheid in zoetheid, van neerslachtigheid in hoop en verwachting, van beproeving in sterkte, van nederlaag en vernedering in een gevoel van overwinning, die evenwel ook niet te uitgelaten mag zijn, want dan blijft men evenmin in bed liggen. De slaap dient zich slechts aan wanneer zich in het bewustzijn een gelijkmatig gevoel van tevredenheid heeft genesteld, ook al gaat het maar om een 'minimale' tevredenheid.  Dit nulpunt van de tevredenheid — dat we onverschilligheid noemen — treffen we aan bij het kind dat al snikkend inslaapt. Uit het inslapen blijkt dat het zich al enigermate met zijn verdriet heeft verzoend. Hierom beweren Bergson en Freud dat slechts diegenen de slaap zullen vinden die zich van alle externe en interne prikkels weghouden, die voor niets nog werkelijk belangstelling koesteren, voor niets en dus ook niet voor het slapen zelf, zeker wanneer dit een heikele en dus belangrijke aangelegenheid is geworden.
 
De schrijver Cioran kon onmogelijk de slaap vinden, omdat hij weigerde zich te verzoenen met het menselijk bestaan, omdat hij als een razende bleef tekeergaan tegen de wereld. Het voldongen feit van geboren te zijn vervloekte hij als de meest gruwelijke gebeurtenis die hem was overkomen. Gevoelens van ontevredenheid en verbolgenheid, van opstandigheid en woede palmden zijn gemoed in. Over de situatie van 'er te zijn' — een situatie die hij niet zelf had gekozen — kon zijn gemoed onmogelijk tot rust en berusting komen. In Nietzsches Aldus sprak Zarathoestra is Zarathoestra slechts bereid om in te slapen wanneer zijn walging voor de wereld en haar bewoners is weggevallen. Hij legt zich slechts neer in het ‘bonte gras’ op het ogenblik van de middag, wanneer de zon in het zenit staat. Op het ogenblik dat de zon haar hoogste punt aan het uitspansel heeft bereikt, wordt de aarde stil, rond, rijp, gouden en volmaakt. De slaap komt slechts nadat Zarathoestra eerst urenlang aan goede dingen heeft gedacht en elk verlangen, elke ‘kleine dorst’ is vergeten. Het bestaan drukt hem niet meer terneer, maar is zo vederlicht dat het zelfs zijn ogen niet dichtdrukt: “Zoals een teer briesje, ongezien, danst op een spiegelgladde zee, licht, verderlicht: zo — danst de slaap op mij.” Wie inslaapt heeft zich met het bestaan verzoend, of althans toch met een bestaan zoals dat zich hier en nu aandient aan de bijziende aandacht van wie in slaap valt. Stilzwijgend heeft hij of zij er 'ja' tegen gezegd.