Home Hoe begrijpen psychologen?

Hoe begrijpen psychologen?

Door Kai Eigner op 05 november 2014

Cover van 02-2011
02-2011 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

Het begrijpen van verschijnselen is een belangrijk doel van de wetenschap. Echter, onder wetenschappers en wetenschapsfilosofen bestaat traditioneel de neiging om het belang van wetenschappelijk begrijpen te bagatelliseren. Het wordt bijvoorbeeld omschreven als een psychologisch bijproduct van wetenschappelijke verklaringen. Typerend is de opmerking van de psycholoog Edward C. Tolman
(1886-1959)  dat sommige wetenschappers verklaringen nodig hebben voor hun innerlijke gemoedsrust. Verklaringen zouden bij hen de ‘innerlijke spanningen’ wegnemen die ontstaan bij de confrontatie met onverklaarde verschijnselen (Tolman, 1938/1966: 150). Begrijpen verwijst in deze interpretatie enkel naar psychologische aspecten van wetenschappelijke verklaringen, die van persoon tot persoon kunnen verschillen. In combinatie met het traditionele beeld van de objectieve wetenschap, waarbij het resultaat van wetenschap niet afhankelijk mag zijn van dergelijke aspecten, leidt deze interpretatie tot de opvatting dat begrijpen niet moet worden gezien als een wezenlijk doel van de wetenschap.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Aan de hand van twee stellingen, die ik zal illustreren met voorbeelden uit de geschiedenis van de psychologie, zal ik laten zien dat deze traditionele opvatting moet worden genuanceerd. De eerste stelling is dat de wetenschappelijke modellen die worden opgesteld om verschijnselen te verklaren begrijpelijk moeten zijn. In de wetenschapsfilosofie wordt vrij algemeen aanvaard dat het toepassen van wetenschappelijke theorieën op verschijnselen verloopt via modellen. Wat ik hieraan wil toevoegen is het idee dat dit alleen kan als deze modellen begrijpelijk zijn. Ik zal dit illustreren aan de hand van voorbeelden uit de behavioristische psychologie (zie ook Eigner, 2009 en Eigner, 2010: hoofdstuk 4). De tweede stelling is dat de begrijpelijkheid van modellen niet alleen afhangt van de eigenschappen van de modellen, maar ook van de gebruikers ervan. Door deze afhankelijkheid verschilt mijn visie op wetenschap van de traditionele opvatting. Ik zal dit toelichten aan de hand van voorbeelden uit de cognitieve psychologie (zie ook Eigner, 2010: hoofdstuk 5). Voordat ik begin met de historische voorbeelden zal ik eerst een korte uiteenzetting geven over de notie van wetenschappelijk begrijpen.

Begrijpen en succesvol toepassen van wetenschappelijke modellen
Wetenschappelijk begrijpen vormt de centrale notie van het onderzoeksprogramma Understanding Scientific Understanding van Henk de Regt waarbinnen ik promotieonderzoek heb gedaan naar begrijpen in de psychologie (Eigner, 2010). Een van de uitgangspunten van dit programma is het idee dat het wetenschappelijk begrijpen van een verschijnsel meer omvat dan enkel het kennen van de relevante wetenschappelijke theorieën. Het vergt ook het succesvol kunnen toepassen van deze theorieën op het specifieke verschijnsel (zie bijvoorbeeld De Regt, 2004: 101; voor een overzicht van De Regts visie op wetenschappelijk begrijpen zie elders in dit themanummer).

 
Wetenschappers passen theorieën toe op concrete verschijnselen door het opstellen van modellen waarmee ze theorieën en verschijnselen met elkaar verbinden. Een voorbeeld zijn de mechanische modellen die worden gebruikt in de klassieke mechanica. Ik noem de toepassing van een model op een verschijnsel succesvol als met behulp van het model over relevante aspecten van het verschijnsel kan worden geredeneerd. Hiervoor is het nodig om relevante overeenkomsten tussen het model en het verschijnsel te herkennen en de consequenties het model in te zien.

Een belangrijk idee binnen het onderzoeksprogramma over wetenschappelijk begrijpen is dat het voor een succesvolle toepassing noodzakelijk is dat de modellen begrijpelijk zijn. Dit wil zeggen dat de eigenschappen van de modellen, zoals hun causaal-mechanische karakter, goed aansluiten bij de cognitieve vaardigheden van de wetenschappers, zoals hun vermogen tot causaal redeneren. Dat de begrijpelijkheid van modellen een voor- waarde is voor hun succesvolle toepassing zal ik illustreren aan de hand van voorbeelden uit de behavioristische psychologie. Vervolgens zal ik met behulp van voorbeelden uit de cognitieve psychologie illustreren dat de begrijpelijkheid van modellen niet alleen wordt bepaald door hun eigenschappen, maar ook afhankelijk is van hun gebruikers.

Casus behaviorisme: de begrijpelijkheid van modellen is nodig voor hun toepassing
Tussen ongeveer 1930 en 1960 was het behaviorisme de belangrijkste psychologische school in de Verenigde Staten. Behavioristische psychologen waren sterk doordrongen van het traditionele beeld van de objectieve wetenschap. De naam ‘behaviorisme’ maakt dit al duidelijk: psychologie zou enkel het waarneembare gedrag (behavior) moeten bestuderen en geen zaken zoals gevoelens of gedachten, want die zijn niet objectief waarneembaar. De behavioristische psychologen streefden naar een zo objectief mogelijke psychologie en werden hierbij beïnvloed door het logisch-positivistische gedachtegoed. Een belangrijk element hiervan, met name in de Verenigde Staten, was het operationalisme. Volgens deze leer moeten theoretische termen in de wetenschap worden voorzien van operationele definities die hun betekenis volledig omschrijven in termen van operaties en de resulterende waarnemingen.

Een voorbeeld van dit streven naar een objectieve psychologie is het onderzoek naar het gedrag van ratten van de hierboven genoemde psycholoog Tolman, die bekend is om zijn theoretische bijdragen aan de behavioristische methodologie. Hij plaatste deze dieren in een doolhof waarin ze alleen voedsel konden vinden als ze de juiste gang inliepen, en hij bestudeerde hun waarneembare gedrag. Het wetenschappelijke model dat hij opstelde over dit gedrag bevatte een aantal theoretische termen, zoals ‘verwachtingen’ en ‘honger.’ Het gaat hier om theoretische termen, want verwachtingen en honger bij ratten zijn niet direct waarneembaar. In navolging van het operationalisme was Tolman van mening dat dergelijke termen konden worden ingevoerd mits voorzien van een operationele definitie. In zijn model had Tolman daarom bijvoorbeeld ‘honger’ gedefinieerd als een functie van het aantal uren dat de ratten niet waren voorzien van voedsel.
 
Doordat de invoering van operationele definities het doel had om precies aan te geven hoe de theoretische termen in verbinding staan met de waarnemingen, lijkt het op het eerste gezicht vrij evident hoe de behavioristische modellen, zoals dat van Tolman, moeten worden verbonden met de concrete verschijnselen, zoals het gedrag van de ratten in het doolhof. De toepasbaarheid van deze modellen lijkt daarom niet afhankelijk te zijn van bepaalde vaardigheden van de wetenschapper. Met andere woorden, met de invoering van operationele definities lijkt het voor de toepasbaarheid van de behavioristische modellen niet nodig dat ze begrijpelijk zijn. Een analyse van de wetenschappelijke praktijk laat echter zien dat dit wel degelijk nodig is, en dat vanwege deze noodzaak de behavioristische psychologen, ondanks hun positivistische beginselen, impliciet streefden naar het opstellen van begrijpelijke modellen.
 
Het blijkt dat in de praktijk het toepassen van modellen op concrete situaties meer vergt dan enkel het uitvoeren van de operaties waarmee de theoretische termen zijn gedefinieerd. Daarnaast moeten ook bepaalde beoordelingen worden gemaakt. Bijvoorbeeld: Tolman concludeerde uit zijn experiment dat bij de ratten die bekend waren met het doolhof de neiging om de gang met voedsel in te lopen toenam naar mate ze langer niet waren gevoed. Het experiment liet echter ook zien dat als de ratten héél lang niet waren gevoed deze neiging weer minder werd. In plaats van te concluderen dat bij deze ratten de eetlust blijkbaar weer afnam, begreep Tolman dat ze door hun ondervoeding niet meer in staat waren om de juiste gang in te lopen. Hij oordeelde daarom dat zijn behavioristische model niet van toepassing was op deze extreme situatie.

Tolman was in staat deze beoordeling te maken doordat hij zich kon inleven in de situatie van de ratten in het doolhof. Uit eigen ervaring wist hij wat het betekende om honger te hebben en bepaalde verwachtingen te hebben over de omgeving. Doordat hij de termen in het model zoals ‘behoefte’ en ‘verwachtingen’ die door hem waren geïntroduceerd als theoretische termen kon verbinden met deze ervaringen uit het dagelijks leven, overste- gen ze qua betekenis hun operationele definities. Deze zogenoemde ‘surplusbetekenis’ stelde Tolman in staat om zich met behulp van het model in te leven in de ratten en zich een voorstelling te maken van hun gedrag. Met andere woorden, de surplusbetekenis maakte het model begrijpelijk voor hem. Zonder de surplusbetekenis van de theoretische termen zou hij niet in staat zijn geweest om de beoordelingen te maken die nodig waren voor een succesvolle toepassing van het model.
 
Een analyse van modellen die werden opgesteld door behavioristische psychologen laat verschillende bronnen zien voor de herkomst van de surplusbetekenis van de theoretische termen. Een voorbeeld zijn de theoretische termen die werden ingevoerd door de psycholoog Clark L. Hull (1884-1952), die net als Tolman belangrijke bijdragen leverde aan de methodologie van de behavioristische psychologie. Deze termen hadden een surplusbetekenis waarvan de oorsprong niet alleen lag in Hulls gebruik van betekenisvolle termen uit het dagelijks leven, maar ook in zijn informele mechanistische interpretatie van deze termen. Zo construeerde hij een mechanisch apparaat ter illustratie van zijn theoretische principes over het vormen van gewoonten. Dit apparaat was in staat tot het veranderen van de interne organisatie, en als gevolg hiervan tot het veranderen van gedrag, door een mechanisme waarbij de hoogte van kwikkolommen in warmteregelaars bepaalde of elektrische stroomkringen waren gesloten of geopend, en daarmee of gloeispiralen al dan niet de warmteregelaars verwarmden. De mechanische surplusbetekenis die Hull hierdoor meegaf aan zijn theoretische termen zoals ‘gewoonte’ maakte het hem mogelijk om de relevante overeenkomsten tussen zijn modellen en psychologische verschijnselen te beoordelen en de consequenties van zijn modellen in te zien. Net zoals Tolman zou Hull zonder de surplusbetekenis van de theoretische termen niet in staat zijn geweest zijn theoretische modellen toe te passen op concrete verschijnselen. Deze voorbeelden illustreren de eerste stelling, dat modellen begrijpelijk moeten zijn om te kunnen worden toegepast.
 
Interessant is dat de behavioristische psychologen, die aanvankelijk vanwege hun positivistische uitgangspunten gekant waren tegen het gebruik van theoretische termen met surplusbetekenis, dit gebruik rond 1950 positiever gingen waarderen. Ook Tolman schaarde zich onder de voorstanders. Deze ontwikkeling, die door sommigen wordt beschouwd als een belangrijke factor in de overgang van behavioristische psychologie naar cognitieve psychologie, kan worden gezien als het gevolg van een impliciet ongenoegen over de logisch-positivistische wetenschapsvisie, waarin de begrijpelijkheid van wetenschappelijke modellen onvoldoende werd gewaardeerd. Het besef ontstond dat de surplusbetekenis van theoretische termen in wetenschappelijke modellen een belangrijke functie heeft, namelijk het begrijpelijk maken van deze modellen, wat nodig is voor succesvolle toepassingen.

Casus cognitieve psychologie: de begrijpelijkheid van modellen hangt af van de gebruikers ervan
Of modellen begrijpelijk zijn hangt af van hun eigenschappen, zoals de surplusbetekenis van de theoretische termen. Dat het voor de toepassing van Tolmans model bovendien nodig is om te beschikken over inlevingsvermogen wijst erop dat de begrijpelijkheid van modellen ook afhangt van de bepaalde cognitieve vaardigheden van de gebruikers ervan. Om aan te geven wat het belang is van persoonlijke factoren zoals het beschikken over bepaalde vaardigheden voor de begrijpelijkheid van modellen zal ik twee aspecten analyseren van het toepassen van een model op een concreet verschijnsel. Het eerste aspect is het gebruik van het model om het verschijnsel te conceptualiseren en het tweede aspect is het redeneren met het model. Ik zal bij deze analyse gebruikmaken van voorbeelden uit de cognitieve psychologie.

Afbeelding 1 toont een psychologisch experiment over aandacht. Op de voorgrond kijkt een matroos uit het begin van de jaren vijftig aandachtig naar de snel draaiende wijzers van een aantal klokken. Iedere keer als een wijzer van een klok op 12:00 uur of 6:00 uur staat, moet hij de knop indrukken die bij deze klok hoort. Het experiment laat zien dat een verdubbeling van het aantal klokken leidt tot meer fouten dan een verdubbeling van de draaisnelheid van de wijzers, terwijl het aantal keer dat de matroos een knop moet indrukken in beide gevallen evenveel toeneemt.

Donald E. Broadbent (1926-1993), een van de pioniers van de cognitieve psychologie, verklaarde dit verschil door aandacht te conceptualiseren als een informatiefilter. Volgens hem moest een mens, net als een telegraaf of telefoon, worden gezien als een informatie- verwerker. In een situatie waarin veel informatie het zenuwstelsel binnenkomt, zoals bij het voeren van een gesprek tijdens een cocktailparty terwijl tegelijkertijd ook anderen praten, zorgt dit filtermechanisme dat irrelevante informatie wordt uitgefilterd. Eenmaal afgesteld op een bepaalde informatiebron wordt bijna niets verwerkt van signalen afkomstig van andere bronnen. Een toename van het aantal signalen in een zekere tijd op één bron is daarom een minder groot probleem dat een toename van het aantal signaalbronnen.

In de metafoor van de mens als informatieverwerker die Broadbent hier hanteerde worden cognitieve handelingen beschreven met behulp van informatietheoretische termen, zoals informatiebron, zender, ontvanger en communicatiekanaal. In het huidige informatietijdperk, waarin een grote vertrouwdheid bestaat met deze terminologie, is het bijna vanzelfsprekend om cognitieve verschijnselen zoals aandacht in deze termen te conceptualiseren. Het lijkt erop dat dit in de jaren vijftig, toen de informatietheorie werd ontwikkeld en de eerste pogingen werden ondernomen om deze theorie in de psychologie toe te passen, een stuk minder evident was. Zoals ik in mijn proefschrift beschrijf onder- nam Broadbent verwoede pogingen om de metafoor van informatieverwerking duidelijk te maken aan zijn collega’s. Dat dit nodig was illustreert dat bij het toepassen van een model een bepaalde vertrouwdheid nodig is met de concepten ervan.

Dat het toepassen van informatietheoretische modellen niet vanzelfsprekend is, en het niet overdreven is om te stellen dat het gebruik van deze modellen om te redeneren over cognitieve verschijnselen bepaalde cognitieve vaardigheden vergt, blijkt onder andere uit de verschillende manieren waarop dergelijke verschijnselen door verschillende psychologen werden geconceptualiseerd. Waar bijvoorbeeld de ene onderzoeker de proef- persoon in een bepaald experiment zag als de ontvanger van informatie, beschouwde de andere deze persoon juist als communicatiekanaal, wat een duidelijk ander aspect is van hetzelfde informatietheoretische model. Niet voor niets beschouwde Broadbent het conceptualiseren van cognitieve verschijnselen in informatietheoretische termen als een techniek die psychologen in de vingers moesten krijgen. Dat het beheersen van deze techniek tegenwoordig mogelijk overkomt als triviaal komt waarschijnlijk door de vertrouwdheid die er nu is met concepten uit de informatietheorie.
 
Een ander aspect van het toepassen van een model dat bepaalde vaardigheden vereist is het redeneren met het model. Vanwege de onbekendheid bij zijn collega’s met informatietheoretische concepten verduidelijkte Broadbent de werking van het informatie- filter met behulp van een mechanisch model (zie afbeelding 2). Hij stelde informatie voor als balletjes die in een buis worden gestopt, waarbij balletjes afkomstig van verschillende informatiebronnen elkaar in de weg zitten. Het informatiefilter beschreef hij als een mechanisch klepje dat zorgt dat bij het doorlaten van balletjes afkomstig van één bron de overige balletjes worden tegengehouden. Met dit model konden de resultaten van het experiment met de matroos worden verklaard. Het effect van het verhogen van het aantal ballen dat in een zekere tijd in één opening van de buis wordt gestopt is niet hetzelfde als dat van het toevoegen van dit extra aantal ballen in een in die periode ongebruikte opening. In het laatste geval is er namelijk meer kans op stagnatie.

Het kunnen werken met dit model vraagt bekendheid met de werking van causale mechanismen en bekwaamheid in visualiseren en causaal redeneren. Omdat vrijwel iedereen deze vaardigheden bezit, was Broadbent in staat om met dit model zijn theoretische visie op aandacht duidelijk te maken aan collega’s die niet vertrouwd waren met het idee van informatieverwerking. Dat Broadbent een mechanisch model ontwikkelde, laat zien dat hij besefte dat niet alleen het conceptualiseren van psychologische verschijnselen in informatietechnologische termen een vaardigheid is, maar dat dit ook geldt voor het redeneren met de modellen die zijn gebaseerd op deze concepten. Broadbent realiseerde zich dat een model moet aansluiten bij de kennis en vaardigheden van de gebruikers ervan. Alleen dan zijn modellen begrijpelijk, en kunnen ze worden toegepast op concrete verschijnselen.

Of wetenschappers de waarde van begrijpelijkheid toeschrijven aan een concreet model hangt niet alleen af van hun vaardigheden, maar ook van andere persoonlijke factoren, zoals hun specifieke interesses. Zo verschilde de psycholoog Ulric Neisser (1928-), die wordt beschouwd als een van de grondleggers van de cognitieve psychologie, bijvoorbeeld met Broadbent van mening over de begrijpelijkheid van diens informatietheoretische modellen. Doordat Neisser zich primair bezighield met theoretische psychologie was hij geïnteresseerd in andere aspecten van cognitie dan Broadbent, die zich met name richtte op toegepaste psychologie. Terwijl Neisser zich concentreerde op het wezen van cognitie, had Broadbent vooral belangstelling voor de beperkingen van menselijke informatieverwerking in praktische situaties. Dat informatieverwerking in de informatietheoretische modellen wordt beschreven als een passief proces beschouwde Neisser als een wezenlijke tekortkoming. Hij beargumenteerde daarom dat cognitieve processen, die volgens hem juist actief waren, er niet goed mee konden worden begrepen. Broadbent vond echter met name die aspecten van de modellen relevant die hij kon koppelen aan de beperkingen van menselijke informatieverwerking, en hij was van mening dat informatietheoretische modellen wel degelijk inzicht gaven in die beperkingen.

Deze voorbeelden illustreren de tweede stelling, dat de begrijpelijkheid van modellen niet alleen afhangt van de eigenschappen van de modellen, maar ook van de gebruikers ervan, waarbij naast de specifieke interesses van de wetenschappers met name hun cognitieve vaardigheden van belang zijn.

Nabeschouwing en conclusie
Doordat de begrijpelijkheid van modellen afhankelijk is van persoonlijke factoren zou de indruk kunnen ontstaan dat wetenschappelijk begrijpen volledig afhankelijk is van de vaardigheden, het karakter en de wisselende smaak van individuele wetenschappers. Echter, het is wenselijk dat binnen een wetenschappelijke discipline verschillende wetenschappers in staat zijn dezelfde modellen toe te passen. Omdat de begrijpelijkheid van modellen hierbij een grote rol speelt, is het belangrijk dat binnen de discipline geen al te grote verschillen bestaan in de opvattingen over de begrijpelijkheid van modellen. Naar mijn idee is dit de reden waarom Broadbent het van belang vond dat zijn mechanische model voor aandacht aansloot bij vaardigheden die vrijwel iedereen bezit, en waarom hij zich inspande om zijn collega’s de vaardigheid van het conceptualiseren van cognitieve verschijnselen in informatietheoretische termen bij te brengen. Hij besefte dat zijn vakgenoten slechts dan in staat zouden zijn om met behulp van informatietheoretische modellen cognitieve verschijnselen te begrijpen als ze vertrouwd waren met de metafoor van de mens als informatieverwerker en als ze beschikten over de relevante cognitieve vaardig- heden. Om te kunnen deelnemen aan een bepaalde wetenschappelijke discipline, zoals de cognitieve psychologie, is het nodig te beschikken over de juiste cognitieve vaardigheden. Deze moeten worden eigengemaakt, bijvoorbeeld tijdens de studie. Door de gemeen- schappelijke beheersing van bepaalde vaardigheden bestaat er binnen de discipline een relatieve eensgezindheid in de opvattingen over de begrijpelijkheid van modellen. Kortom, mijn analyse van de wetenschappelijke praktijk in de psychologie laat zien waarom in de wetenschap wordt gestreefd naar begrijpelijke modellen. Dit is niet alleen omdat het de wetenschappers zou kunnen helpen bij het verlichten van ‘innerlijke spanningen’ die ze ervaren bij de confrontatie met onverklaarde feiten, maar vooral omdat enkel begrijpelijke modellen succesvol kunnen worden toegepast op de verschijnselen.

 

Literatuur

Broadbent, D.E. (1957). A Mechanical Model for Human Attention and Immediate Memory. Psychological Review, 64: 205-215.
Conrad, R. (1951). Speed and Load Stress in a Sensory-Motor Skill. British Journal of Industrial Medicine, 8: 1-7.
Eigner, K. (2009). Understanding in Psychology. Is Understanding a Surplus? In H.W. de Regt, S. Leonelli & K. Eigner (red.), Scientific Understanding: Philosophical Perspectives (pp. 271-297).Pittsburgh: University of Pittsburgh Press.
Eigner, K. (2010). Understanding Psychologists’ Understanding. The Application of Intelligible Models to Phenomena. Dissertatie, Vrije Universiteit Amsterdam.
Hull, C.L. (1943). Principles of Behavior. New York: Appleton-Century-Crofts.
Neisser U. (1967). Cognitive Psychology. New York: Appleton-Century-Crofts.
Regt, H.W. de (2004). Discussion Note. Making Sense of Understanding. Philosophy of Science, 71: 98-109. Tolman, E.C. (1938/1966). The Determiners of Behavior at a Choice Point. Behavior and Psychological Man
(pp. 144-178). Berkeley: University of California Press.