Home Het onvoorwaardelijke basisinkomen

Het onvoorwaardelijke basisinkomen

Door Philippe van Parijs op 14 juni 2016

Het onvoorwaardelijke basisinkomen
Cover van 02-2016
02-2016 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine
Iedere burger maandelijks een vast geldbedrag geven is een fantastisch idee, volgens Philippe van Parijs. ‘Het onvoorwaardelijke basisinkomen is een hele simpele, werkelijke utopie.’ Deze utopie, waarin werkelijke vrijheid en gelijkheid centraal staan, is nu al meer dan een filosofisch waanbeeld.
In december van het jaar 1516 werd een opmerkelijk boekje in het Latijn uitgegeven in de universiteitsstad Leuven. De uitgave was mede te danken aan de meest rebelse, maar ook meest gewaardeerde van de plaatselijke geleerden: Desiderius Erasmus. Het boekje bevatte allerlei vreemde verhalen en argumenten, die werden toegeschreven aan een Portugese reiziger met net zo’n opmerkzame blik op de plekken die hij bezocht als Alexis de Tocqueville een paar eeuwen later zou tentoonspreiden, toen hij Amerika aandeed.
 
Waarom is het zo, vroeg deze reiziger zich bijvoorbeeld af, dat er in Engeland zoveel wordt geroofd en gemoord, terwijl op zowel diefstal als moord de doodstraf staat? Nu, dat is heel simpel. Als een dief wordt gesnapt terwijl hij steelt, kan hij net zo goed degene vermoorden die hem op heterdaad betrapt. De straf is dezelfde en de kans op aanhouding wordt kleiner als hij mogelijke getuigen een kopje kleiner maakt. Dus als je minder moorden wil, verklein dan de straf voor diefstal. Maar hoe zorgen we dan voor minder diefstallen?
 
Welnu, zo zei de reiziger, kijk eerst eens naar de onderliggende reden. ‘Geen straf op aarde weerhoudt mensen van diefstal, als het hun enige manier is om aan eten te komen.’ De reiziger gaat later uitgebreid in op die grote hoeveelheid hongerlijdenden; dat kwam toentertijd door het omheinen van gemeenschappelijke grond. ‘In plaats van deze verschrikkelijke straffen is het veel zinniger om iedereen te voorzien van basisonderhoud, zodat niemand in de vreeswekkende noodzakelijke situatie komt waarin hij eerst een dief en dan een lijk is.’ Met andere woorden: denk buiten het kader, denk radicaal, denk utopisch.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

REALISTISCHE UTOPIEËN

Zoals sommigen van jullie vast al hebben geraden, was dit boekje dat in 1516 in Leuven werd uitgegeven Utopia van Thomas More. Ik heb gekozen voor precies dit argument uit het boek, omdat het een wezenlijk verband heeft met de specifieke echte utopie die ik snel zal bespreken. Maar eerst wil ik uitleggen waarom ik denk dat utopisch denken niet een ietwat gênante hobby van een verwaarloosbare groep academici is, maar dat het een centrale plaats inneemt in de baan van iedere zichzelf respecterende academicus met ook maar de minste interesse in de sociale zaak.
 
Er bestaat natuurlijk een oud en niet al te veelbelovend verband tussen sociaal gedachtegoed en de utopie. Neem Auguste Comte, de filosoof die wordt gezien als de grondlegger van de sociologie. Een van zijn vele ideeën was het plan voor een Europese Unie die zou bestaan uit zestig republieken, elk ter grootte van Normandië. Elke republiek zou geregeerd moeten worden door een driemanschap van bankiers, gespecialiseerd in respectievelijk landbouw, industrie en handel. Ook moesten zij minstens 42 jaar oud zijn, zodat ze de tijd hadden gehad om hun betrouwbaarheid te bewijzen. Of neem een andere grondlegger, wiens ideeën niet unaniem als volslagen belachelijk worden afgedaan: Karl Marx. Is het duidelijke falen in de twintigste eeuw van alle uitgeprobeerde varianten van de socialistische utopie niet het definitieve bewijs dat utopisch denken en serieus sociaal gedachtegoed niet samengaan? Integendeel.
 
Het probleem met Marx is juist niet dat hij te veel utopische gedachtespinsels heeft, maar te weinig. Welke instituties een sociale maatschappij moet hebben, welke problemen deze instituties hoogstwaarschijnlijk opleveren, welke mogelijke oplossingen er voor deze problemen zijn: dit zijn utopische vragen die juist een marginale plaats innemen in het werk van Marx. Het houdt wel zo’n beetje op bij de minieme kritiek op het program van Gotha, het programma van de eerste sociaaldemocratische partij (Marx 1875). Op het graf van Marx (Highgate Cemetery, Londen) staat de vertaling van een van zijn beroemdste zinnen: ‘De filosofen hebben de wereld alleen anders geïnterpreteerd. Het komt erop aan haar te veranderen’ (Marx 1845). Mooi gezegd, helemaal waar, meneer Marx. Maar als het er echt op aankomt om de wereld ten goede te verbeteren, is het niet genoeg om enige tijd te hebben besteed aan ‘het alleen anders interpreteren’, dat wil zeggen het beschrijven, analyseren, verklaren en bekritiseren van de wereld. Het is net zo belangrijk dat je je voeten vuil maakt met meer dan een paar motto’s en daadwerkelijk uitdenkt wat een goede of een betere samenleving zou moeten zijn, of een rechtvaardige of meer rechtvaardige samenleving. Kortom, utopisch denken is noodzakelijk. In deze bezigheid is er ruimte – die moet er zelfs zijn – voor normatief, ethisch, filosofisch denken.
 
Maar filosofen moeten het varkentje niet alleen proberen te wassen. Net zomin moeten zij het allemaal uitbesteden aan de economische professie. Vreemd genoeg is de economie de enige sociale wetenschap die een expliciete normatieve tak van betekenis heeft ontwik-keld: de welvaartstheorie en later de socialekeuzetheorie. Er is evenwel geen fundamentele reden voor een dergelijke asymmetrie tussen economie en de andere sociale wetenschappen.
 
Grotere symmetrie is juist wenselijk en mogelijk, niet doordat iedere sociale wetenschap haar eigen normatieve aanhangsels ontwikkelt, maar doordat zij gezamenlijk – ieder met haar eigen onderzoeksmethoden en verklarende modellen – betrokken raken bij de collec-tieve onderneming die utopisch denken is en moet zijn.
 
Utopisch denken stelt zich niet ten doel om alle details van de perfecte samenleving minutieus te beschrijven. Eerder houdt het zich bezig met (1) het formuleren van voorstellen voor radicale hervormingen in de huidige sociale stand van zaken, (2) het rechtvaardigen van deze voorstellen in het licht van normatieve principes of waarden waarvan de verwezenlijking wenselijk wordt geacht, gecombineerd met de best mogelijke wetenschappelijke analyse van de problematiek die de voorstellen te lijf moeten gaan en (3) het voortdurend onderwerpen van de voorstellen aan het meest meedogenloze, kritische onderzoek, een onophoudelijk zoeken naar alle mogelijke bijverschijnselen, en dat alles met het oordeel van expliciet gemaakte, normatieve overwegingen in het achterhoofd. Zulk utopisch denken is niet waardevrij, maar het maakt sociaalwetenschappelijke waarheid ook niet afhankelijk van beladen oordelen.
 
Op veel feitelijke vraagstukken vereist utopisch denken antwoorden over waarschijnlijke effecten, verenigbaarheid en duurzaamheid. Het is heel goed te onderbouwen dat de keuze voor juist deze feitelijke vragen voortkomt uit een waardeoordeel. Maar het is essentieel dat de antwoorden op die vragen worden beschermd tegen de inmenging van onze belangen en waarden. Utopisch denken moeten we niet verwarren met wensdenken. Utopisch denken vraagt om stevige discipline van een veeleisende, veelzijdige wetenschappelijke gemeen-schap. Die moet sterk genoeg zijn ons te weerhouden van een geloof in en een naleven van hetgeen wij zouden willen dat waar is, terwijl het ver van de realiteit staat. Deze cruciale noodzaak van intellectuele integriteit moet ons tegelijkertijd niet laten wegschrikken van onze gemeenschappelijke missie: het ontwerpen van een betere en haalbare toekomst, waarin we redelijke hoop meegeven aan onze tijd en aan toekomstige generaties, waarin we realistische utopieën gestalte geven.
 

BASISINKOMENLAND 

Om dit concreet te maken concentreer ik mij nu op een hele simpele, werkelijke utopie die bekend staat als het basisinkomen. Volgens de definitie die het Basic Income Earth Network (www.basisincome.org) hanteert, is dit een inkomen dat onvoorwaardelijk wordt uitgekeerd aan ieder lid van een gemeenschap, op individuele basis, zonder inkomenstoets en zonder werkeis. Dit idee lijkt op hetgeen Thomas More voorstelde, maar is toch niet geheel hetzelfde. Hij had eerder een gegarandeerd levensonderhoud in gedachte dat leek op het schema dat zijn vriend en medehumanist Juan Luis Vives in 1526 publiceerde. Tien jaar na Utopia verscheen Over de zorg voor de armen, waarin Vives een minimuminkomen bepleit dat de lokale gemeente uitsluitend aan de armen zou verstrekken, met de strikte voorwaarde dat zij aan het werk zouden gaan. Dat was indertijd een ‘utopia’, iets wat nergens op de wereld bestond. Nu zijn we er maar al te bekend mee, omdat alle bestaande bijstandsmodellen kunnen worden gezien als mildere versies van het programma van Vives.
 
Een onvoorwaardelijk basisinkomen lijkt op het voorstel van Vives, omdat het ook een geld-overdracht is die niet kan worden teruggebracht tot een sociale verzekering: het beperkt zich niet tot hen die in het verleden hebben betaald opdat zij nu profiteren van solidariteit. Maar het verschilt er ook fundamenteel van, omdat het wordt uitbetaald (1) ongeacht met wie je leeft, (2) ongeacht hoe hoog je inkomen is en (3) ongeacht of je wil werken of niet. Een bespottelijk idee? Nee, een fantastisch idee. Of op zijn minst een idee dat een enorme aantrekkingskracht moet uitoefenen op iemand die, net als ik, zowel vrijheid als gelijkheid belangrijk vindt. Een vrijheid die niet wordt begrepen als een klinkklaar recht of een puur formele vrijheid, maar als werkelijke mogelijkheid of echte vrijheid. En gelijkheid als echte vrijheid, die niet slechts is voorbehouden aan de rijken, maar wordt verdeeld – misschien niet helemaal gelijk, dat kan contraproductief uitpakken. Maar wel op zo’n manier dat de minst vrije mensen zoveel mogelijk vrijheid hebben.
 
Let op: tegengesteld aan het voorstel van More en Vives gaat een onvoorwaardelijk basisinkomen niet uitsluitend of uiteindelijk over de verdeling van inkomen of koopkracht. Het gaat over de beslissing welk leven iemand wil leiden. Het gaat over de macht om ‘nee’ te zeggen tegen de voorschriften van een baas, bureaucraat of echtgenoot. En het gaat over de macht om ‘ja’ te zeggen tegen activiteiten die slecht of helemaal niet worden betaald, maar die je wel graag doet, omwille van henzelf of de opleiding en de contacten die ze opleveren. De verwachting is dat een gelijker verspreiden van deze onderhandelingsmacht, de macht om ‘ja’ en ‘nee’ te zeggen, onze samenleving niet alleen gelijker maakt. Het verbetert ook de kwaliteit van werk – en zo ook van het leven – stelselmatig, als gevolg van de werking van de kapitalistische markt als deze eenmaal in de context van de nieuwe machtsverhoudingen functioneert.
 
Maak je geen zorgen, ik ga niemands tijd verdoen met een beschrijving van het idyllische leven van de inwoners van basisinkomenland, of met een overzicht van de technologische veranderingen die een basisinkomen meer populair dan ooit hebben gemaakt (zie Stern 2016, Bregman 2016). Ook ga ik geen synthese geven van de filosofische literatuur van de afgelopen twintig jaar over de vraag of een onvoorwaardelijk basisinkomen voortkomt uit of in strijd is met een plausibel model van sociale rechtvaardigheid (zie Van Parijs 1995, Krebs 2000, Reeve en Williams 2003, Van Donselaar 2009, Birnbaum 2012). In plaats daarvan wil ik vier feiten benoemen die duidelijk maken dat een universeel basisinkomen nu al meer is dan een filosofisch waanbeeld. Vervolgens noem ik enkele kwesties die voortkomen uit voorstellen van een basisinkomen, waaruit blijkt dat serieus utopisch denken hoognodig behoefte heeft aan doordacht interdisciplinair werk.
 

MEER DAN EEN WAANBEELD

Vier feiten dus, van een lokaal fenomeen naar een globale toestand.
 
1.   Er is één plaats op de wereld waar een klein maar onvervalst onvoorwaardelijk basis­ inkomen al meer dan dertig jaar standhoudt. Dit is een dividend dat het Alaska Permanent Fund ieder jaar uitbetaalt aan iedere inwoner van de staat. Zo profiteren alle Alaskanen, jong en oud, van de olieopbrengsten. Het bedrag dat wordt uitgekeerd, is aan koersschommeling onderhevig, maar is nooit veel boven de tweeduizend dollar per persoon per jaar uitgekomen.

2.  Er is één land dat in september 2010 een vorm van onvoorwaardelijk basisinkomen instelde: Iran. Het betrof hier weliswaar een inkomen op een lager niveau, maar wel met een veel groter bereik. Weer hadden olieopbrengsten ermee te maken: de Iraanse regering realiseerde zich de economische absurditeit van de lage binnenlandse olieprijzen, die veel lager dan de prijs op de wereldmarkt waren. Daarom besloot zij de prijzen geleidelijk op te krikken naar het internationale niveau. Maar om het effect op de eigen bevolking – met name op de allerarmsten – te compenseren, besloot de regering ook een deel van de olieopbrengsten als uitkeringen te verdelen. Iran heeft een grote informele economie en de regering kwam er geleidelijk achter dat de beste manier van verdelen een universele, niet aan een toets gerelateerde uitkering was.

3.  De Europese Unie wordt zich er geleidelijk van gewaar dat, afgezien van tijdsgebonden redenen voor de crisis in de eurozone, er ook fundamentele redenen zijn. In tegenstelling tot de stabiele munt van vijftig Amerikaanse staten ontbreekt het de Europese Unie aan twee grote buffermechanismen: (1) interstatelijke migratie, die zes keer zo hoog is in de Verenigde Staten en (2) geldoverschrijvingen tussen staten. Dat aantal ligt tussen de twintig en de veertig keer hoger in de Verenigde Staten, afhankelijk van de gebruikte indicator. Taalverschillen zijn de grootste barrière voor de groei van de eerste buffer. De enige serieuze hoop voor een duurzame euro is dus de versterking van de tweede buffer, geldoverschrijvingen. Maar de Europese Unie zal het nooit voor elkaar krijgen al haar welvaartsstaten te verenigen in één enorme verzorgingsstaat. De enige vorm die deze buffer daarom zou kunnen aannemen, is een hele simpele. Zodra je een aantal plannen aan de kant schuift wegens hun intrinsieke ongelijkheden, blijft er niet veel over behalve een basisinkomen voor de hele Europese Unie of de hele eurozone. Niet als vervanging van bestaande nationale welvaartsstaten, maar als een bodem die je onder hen kunt schuiven zodat ze blijven functioneren.

4.  Op wereldniveau is iedereen het er intussen wel over eens dat klimaatverandering een serieus probleem is. Veel mensen geloven dat de beste manier om dat probleem aan te pakken bestaat in (1) de verkoop van emissierechten aan de hoogste bieders, rekening houdend met een drempel die niet mag worden overschreden en (2) de verdeling van de grote opbrengsten van deze jaarlijkse verkoop aan al diegenen die recht hebben op de natuurlijke hulpbronnen van de aarde, inclusief het absorptievermogen van onze atmosfeer, oftewel: aan alle mensen.
 

Deze lijst kan aangevuld worden. Bijvoorbeeld door het Zwitserse referendum van 5 juni 2016 over het basisinkomen te vermelden, of de experimenten met het basisinkomen die in 2017 in Finland en Nederland starten. Dit ongelijksoortige handjevol feiten moet volstaan om aan te geven dat het idee van een onvoorwaardelijk basisinkomen al meer is dan de verre droom die Joseph Charlier in 1848 voor het eerst duidelijk schetste. Het blijft evenwel een utopie, omdat de voorstellen ofwel vooralsnog alles behalve in het nabije verschiet liggen (nummer 3 en 4), ofwel al beleid zijn geworden maar op een heel bescheiden manier (nummer 1 en 2). Net zoals alle andere utopieën heeft deze utopie intelligente multidisciplinaire speculatie nodig om feitelijke vraagstukken aan te kaarten. Ik noem nu eerst een paar vraagstukken die te maken hebben met de economische duurzaamheid van een onvoorwaardelijk basisinkomen. Daarna bespreek ik er nog twee, dan met betrekking tot de politieke duurzaamheid ervan.
 

ECONOMISCHE DUURZAAMHEID

Geen precieze speculatie ontkomt aan een nadere formulering van de hoogte van het basisinkomen, van hetgeen het zou moeten vervangen en van de wijze waarop het gefinancierd gaat worden. Typische voorstellen in ontwikkelde landen houden allereerst de invoering van een
 
individueel basisinkomen in, dat de hoogte heeft van de helft van de bijstandsuitkering die wordt uitgekeerd aan een stel zonder andere inkomsten. Hierbij komen het behoud van inkomensafhankelijke bijdragen voor individuen en de afschaffing van belastingvrijstellingen in de persoonlijke inkomstenbelasting. Ambitieuzere of langetermijnvoorstellen opperen een onvoorwaardelijk basisinkomen dat hoog genoeg is om een fatsoenlijk leven van te leiden, zelfs als de ontvanger ervan alleen is. Inkomensafhankelijke programma’s worden dan helemaal vervangen. Maar wat de reikwijdte en andere eigenschappen van het voorstel ook zijn, de kern van het onderzoek naar zijn economische duurzaamheid neemt gewoonlijk de vorm aan van simpele economische modellen die de zogenaamde inkomenseffecten en substitutie-effecten in arbeidsaanbod proberen te vatten.
 
Als het universele voorstel gedeeltelijk of helemaal een inkomensafhankelijk model vervangt, is het te verwachten dat het arbeidsaanbod van mensen in de laagste salarisschalen stijgt. De zogenaamde armoedeval neemt af of verdwijnt zelfs helemaal: mensen behouden hun basisinkomen als ze werken, hun marginale belastingdruk neemt af, hun inspanningen worden meer beloond, ze zijn niet langer gevangen in hun armoede door de angst dat hun uitkering wordt gekort. Dit positieve effect op het arbeidsaanbod van mensen die het slechtst af zijn, en daarmee op de economische duurzaamheid van het hele voorstel, kan echter teniet worden gedaan door twee andere effecten.
  
Ten eerste is er noodzakelijkerwijs sprake van een negatief substitutie-effect hoger op de salarisschaal, omdat de marginale belastingdruk op inkomens boven de inkomensafhankelijke drempel toeneemt. Niet alleen het arbeidsaanbod, maar ook de neiging om zich te verbeteren en te promoveren naar een hogere positie neemt dus af voor een grote groep werknemers.
 
Ten tweede is er noodzakelijkerwijs sprake van een inkomenseffect: als jouw werkgedrag vooral wordt bepaald door de zorg om een bepaald inkomensniveau, zal je aanspraak op een basisinkomen ervoor zorgen dat je minder graag werkt, minder hard werkt en je je minder schoolt. Tenminste, zolang je inkomen binnen de schijf blijft waarin een verhoging van de belastingen die je betaalt minder is dan het basisinkomen en je totaalinkomen dus hoger dan eerder blijft.
 
Zulke simpele modellen zijn onontkoombaar, maar missen wel enkele belangrijke punten waardoor andere wetenschappen dan de economie een waardevolle bijdrage leveren aan intelligent, utopisch denken. Soms verstevigt zo’n bijdrage het argument voor economische duurzaamheid, soms brengt ze meer scepticisme aan. Twee voorbeelden volstaan:
 
1.  Het absolute inkomensniveau kan voor de werknemer veel minder betekenen dan zijn relatieve inkomensniveau en de erkenning, status en eer die hij ermee associeert. Een hogere marginale belastingdruk in de midden en hoge belastingschijven kunnen daarom weinig invloed hebben op het arbeidsaanbod en het werkethos bij die groepen. Daarom is een onderzoek naar de sociale en culturele omstandigheden die bepalen welke abso- lute of relatieve inkomensoverwegingen mensen maken met betrekking tot hun werk van groot belang. Zulk onderzoek is cruciaal voor de vraag of een redelijk basisinkomen duurzaam is of hoe het dat kan worden.

2.  Hoe meer een werkethos de overhand heeft in een samenleving, hoe minder de inko- mens- en substitutie-effecten die economen analyseren relevant zijn voor het arbeidsaan- bod en het werkethos door alle geledingen van de bevolking, en hoe hoger het niveau van een onvoorwaardelijk basisinkomen dus kan zijn. De bevordering van werkethos en de invoering van een onvoorwaardelijk basisinkomen lijken schitterende, paradoxale bondgenoten. Aan de andere kant houdt de nadruk op werkethos ook een sociale straf in op luiheid, en leidt die er niet toe dat het emancipatorische effect van het basisinkomen teniet wordt gedaan? Of misschien volstaat het om op te merken dat zelfs te midden van het meest strikte werkethos een onvoorwaardelijk basisinkomen de laagopgeleide meer opties geeft binnen de prestaties die het werkethos van hem verlangt. Al deze gelijkenis- sen en verschillen tussen juridische en sociale normen zijn uiterst subtiel en moeilijk te vangen met de nuttige maar overgestileerde ‘haalbare sets’ van economen.

POLITIEKE HOUDBAARHEID

Utopisch denken over basisinkomen moet dus zeker te rade gaan bij economen, maar zij moeten de discussie niet van  a tot z voeren. Hoe zit het met de politieke haalbaarheid? Is er wel of geen politieke meerderheid voor de hier voorgestelde utopie? Zijn publieke opiniepei-lingen ervoor of ertegen? Deze vragen zijn van weinig belang voor utopisch denken. Utopisch denken is een centraal deel van het democratische proces waardoor een politieke wil gestalte krijgt. Het moet datgene wat het vormgeeft niet als belemmering zien. Hieruit volgt niet dat utopisch denken de politieke onhoudbaarheid van zijn gerealiseerde voorstellen moet nege-ren. Opnieuw is interdisciplinair werk het antwoord, zoals de komende voorbeelden tonen.

  1. Het is opvallend hoe politiek duurzaam het Alaska Model is gebleken. Van tijd tot tijd roept er iemand dat gemeenschappelijk geld niet zo over de balk moet worden gegooid en dat het beter kan worden geïnvesteerd in kinderdagverblijven of snelwegen. De steun van zowel de publieke opinie als de politieke partijen maakt het dividend een ‘heilige koe’ van het Alaskaanse openbare leven. Hoe komt dat? Waarschijnlijk doordat het model wordt gepresenteerd en begrepen als de teruggave van een gezamenlijk goed, en niet als de herverdeling van het harde werk van een paar mensen. Zou een basisinkomen dat wordt gefinancierd uit de opbrengs-ten van emissierechtenverkoop eenzelfde onderbouwing kunnen krijgen? Zal het ooit mogelijk zijn dat de publieke opinie een basisinkomen dat uit inkomstenbelas-ting wordt gefinancierd niet ziet als het residu van het werk van vandaag, maar als een deel van wat de werknemer van de natuur heeft gekregen, als iets wat voortkomt uit vermeerdering en innovatie in het verleden, en uit gelukkige persoonlijke omstandigheden? Of is de grip van de illusie dat ons arbeidsproduct geheel en al te danken is aan ons werk te sterk? En als dat het geval is, betekent dat dan dat een basisinkomen dat niet op natuurlijke hulpbronnen steunt nooit dezelfde politieke standvastigheid zal hebben als het Alaska Model?
  2. In de meeste westerse landen is er sprake van grote culturele diversiteit. Dit komt door migratie en endogene differentiatie. Sommige cultureel duidelijk onderscheiden gemeen-schappen varen wel bij omvangrijke bijstandsmogelijkheden, of worden althans zo gezien. Denk aan zigeuners in sommige Europese landen of krakers in sommige steden. Loopt de politieke duurzaamheid van welk onvoorwaardelijk voorstel dan ook hierdoor een risico? En als er zo’n risico is, zou dat kunnen worden verlicht door het basisinko-men te koppelen aan een lichte voorwaarde, zoals werk in een vrijwillige organisatie of verplichte overheidsdienst na de middelbare school?

Deze paar voorbeelden volstaan om de volgende boodschap bij te lichten. We kunnen er kort en bondig over zijn: de wereld is een puinhoop. In sommige delen minder dan in andere en vooruit, het is op sommige plekken in het verleden aanzienlijk erger geweest. We hadden er slechter aan toe kunnen zijn. Maar het kan ook zoveel beter. Zeker voor diegenen die nu het meest lijden onder de huidige toestand. Om de wereld een betere plek te maken, zijn utopische dromen niet genoeg. Burgerverontwaardiging en door blijven ploeteren op hoop van zegen zijn niet minder essentieel. En toch is utopisch denken onmisbaarder dan ooit: intelligent, kritisch, geleerd, oninschikkelijk utopisch denken dat de instrumenten en kennis van veel academische wetenschappen weet samen te brengen. En dat alles ten dien-ste van normatieve idealen die we steeds weer nauwkeurig en filosofisch moeten blijven onderzoeken.

 
 
Dit artikel is een ingekorte, aangepaste versie van een lezing die Philippe van Parijs gaf bij de opening van de American Sociological Association in 2012. Deze werd gepubliceerd in Politics & Society 41 (2013), 171-182. De vertaling is van Florian Jacobs.

LITERATUUR
 
Birnbaum, S. (2012), Basic Income Reconsidered: Social Justice, Liberalism and the Demands of Equality. New York: Palgrave Macmillan. 
Charlier, J. (1848), Solution du problème social ou constitution humanitaire. Brussel: les libraires du Royaume. 
Comte, A. (1854), Système de politique positive, ou traité de sociologie instituant la religion de l’Humanité, dl. 4. Excerpt in: P. Arnaud (red.) (1965), Politique d’Auguste Comte. Parijs: Armand Collin. 
Krebs, A. (red.) (2000), Basic Income? Analyse&Kritik 22 (2). 
More, T. (1978 [1516]), Utopia. Harmondsworth: Penguin. 
Marx, K. (1978 [1845]), Thesen über Feuerbach. In: K. Marx en F. Engels, Werke, dl. 3, Berlijn: Dietz, 3-7. 
Marx, K. (1962 [1875]), Randglossen zum Programm der deutschen Arbeiterpartei. In: K. Marx en F. Engels, Werke, dl. 19. Berlijn: Dietz, 15-32. 
Reeve, A. en A. Williams (red.) (2003), Real Libertarianism Assessed. Political Theory after Van Parijs. Basingstoke: Palgrave Macmillan. 
Stern, A. (2016), Raising the Floor. How a Universal Basic Income Can Renew our Economy and Rebuild the American Dream. New York: Public Affairs. 
Van Donselaar, G. (2009), The Right to Exploit. Parasitism, Scarcity, and Basic Income. Oxford: Oxford University Press. 
Van Parijs, P. (1995), Real Freedom for All. What (if anything) Can Justify Capitalism? Oxford: Oxford University Press. 
Vives, J. L. (1999 [1526]), On the Assistance to the Poor. Toronto: University of Toronto Press.