Home Geen studietijd

Geen studietijd

Door Karen Vintges op 10 maart 2021

Geen studietijd
Cover van 01-2021
01-2021 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

Zo’n twee jaar geleden nam ik een groep derdejaarsstudenten filosofie mee naar het departement filosofie van de Universiteit van Amsterdam. Geen van hen bleek daar eerder te zijn geweest. Hun rooster en gang naar de universiteit beperkte zich tot algemene werkgroep- en collegezalen verspreid over de stad. Dat filosofie ook bestond in de vorm van een gebouw was hen eigenlijk niet bekend. Thuisloos en ontheemd, zo kan de situatie van de student van nu aan de Nederlandse universiteiten worden getypeerd, volgens Toske Andreoli in haar recente boek De mooiste tijd van je leven? – een titel die nadrukkelijk eindigt met een vraagteken. Universiteiten moeten veel meer verantwoordelijkheid nemen voor hun rol als onderwijsgemeenschap en studenten niet aan hun lot overlaten, zo luidt haar conclusie. Het aantal contacturen moet omhoog, docenten moeten meer didactisch en pedagogisch geschoold worden en universiteiten moeten minder hun oren laten hangen naar de geldschieter.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Zonder het begrip neoliberalisme met zoveel woorden te noemen gaat Andreoli ook in op de bredere ‘maatschappelijke ontwikkelingen en de tijdgeest’, waarbinnen de Nederlandse universiteiten en andere instituties gerund worden alsof het bedrijven zijn, met productiviteit, flexibiliteit en efficiency als nieuwe normen. Maatregelen als bindend studieadvies, aanwezigheidsplicht, en het aanwakkeren van competitie door het invoeren van selectieve masters en excellentieprogramma’s zijn enkele van de technieken die in dit kader worden toegepast. Specifiek gaat Andreoli’s boek over de gevolgen daarvan voor de gemiddelde student: opgejaagd van de ene module naar de andere, zonder vaste verblijfplaats of community, wordt de hedendaagse student aangestuurd om het bedrijf snel te verlaten, zonder echt gezien te worden of begeleid. Daar doen studenten van nu zelf nog een schepje bovenop door de nieuwe normen op zichzelf toe te passen en alle ‘niet-productieve momenten te transformeren tot nuttige momenten’.

Daarbij komt de druk om excellent te zijn, om zo een honours-traject te mogen volgen of een researchmaster, en niet te worden afgeserveerd als tweede garnituur. Bij al deze hooggespannen verwachtingen is het geen wonder dat stress, eenzaamheid en depressie op de loer liggen en, volgens recente cijfers, toenemen onder studenten. Een beetje universiteit –Andreoli gaat vooral in op de universiteiten maar het hbo wordt
ook af en toe genoemd – doet tegenwoordig aan mentale begeleiding van haar studenten in de vorm van het aanbieden van cursussen
zelfmanagement en mindfulness, of zelfs e-health programma’s. Maar als in een sector de problemen zo oplopen, moet je dan niet meer naar de omstandigheden kijken dan naar personen? In haar voorwoord vat Andreoli haar boodschap kort en bondig samen: universiteiten pakken psychische klachten van studenten uitsluitend individueel aan terwijl er sprake is van een structureel probleem.

Andreoli’s boek bevat niet alleen een heldere boodschap maar is ook uitstekend leesbaar. Waar zij voor haar analyse gebruikmaakt van het werk van een aantal filosofen, zijn ook deze passages goed – bijna journalistiek – geschreven. Denkbeelden van Trudy Dehue, Marli Huijer en een aantal anderen omtrent de noodzaak van discipline en het aanbrengen van een dagelijks ritme worden belicht om het belang aan te geven van een ‘zelfstilering en zorg voor het zelf’, die een remedie kan zijn tegen de ervaren studiestress. Daarbij wordt ook ingegaan op
de noodzaak van organisatie van ritme en discipline van de kant van de universiteit. Maar met de humanistische – levenskunst – benadering van Foucault die genoemde auteurs bezigen blijft in deze hoofdstukken veel nadruk liggen op het handelen van het individu. Dit terwijl het Foucault bij de ‘zorg voor het zelf’ ging om vernieuwende praktijken van collectieven, zoals filosofische ‘scholen’ en politieke bewegingen, door hem aangeduid als vrijheidspraktijken.

Deze hoofdstukken staan dan weer wat haaks op de meer structurele Foucaultiaanse analyse van de modellering van de tegenwoordige student naar de zelfstandige ondernemer. Voor de ideale student is de studietijd een onderneming gericht op het behalen van succes. Werkervaring opdoen, alvast een eigen bedrijfje starten, nevenactiviteiten ondernemen voor betere carrièrekansen: echt studeren is een bijzaak geworden. Andreoli’s betoog is op zijn best waar het duidelijk ingaat op dit nieuwe klimaat aan de universiteiten en op de noodzaak tot verandering daarvan. Ook vorige generaties hadden te kampen met een universiteit die geen ritme en discipline aanbood. Maar de depressie-epidemie onder studenten van nu is specifieker en in het zichtbaar maken daarvan is Andreoli ‘s boek goed geslaagd.

In haar conclusie pleit Andreoli voor eigen herkenbare gebouwen voor de faculteiten. Maar wie zich nog de gouden tijd herinnert van de aparte instituten, die ruimte boden aan collectieve vrijheidspraktijken, zou nog liever zeggen: elk departement zijn eigen gebouw, inclusief werkgroep-kamers en een eigen kantine – of beter nog: een eigen café.

De mooiste tijd van je leven? Een nieuwe kijk op studiestress
Toske Andreoli
Uitgeverij Lontano
160 p. | €20,-