Home Politiek Bart Tromp: ‘Politieke partijen zijn opiniepeilingsbureaus geworden’
Politiek

Bart Tromp: ‘Politieke partijen zijn opiniepeilingsbureaus geworden’

Door Daan Roovers op 05 maart 2013

01-2003 Filosofie magazine Lees het magazine
Volgens PvdA-prominent Bart Tromp lijden politieke partijen – ook de PvdA – aan ideologische bloedarmoede. Opportunisme en baantjesjagerij regeren; desondanks ziet hij niets in politieke vernieuwing. ‘Er is van alles mis in het Nederlandse politieke stelsel, maar ik ken geen stelsel dat beter werkt’.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

De democratie verwordt tot een ritueel en de PvdA tot een banenmachine, waarschuwt politicoloog en PvdA-prominent Bart Tromp in de laatste alinea van zijn proefschrift. In het vuistdikke Het sociaal-democratisch programma maakt Tromp zich zorgen over de ontwikkelingen in zijn partij waar individuele politieke ambities steeds meer de boventoon gaan voeren: ´het gaat erom of de PvdA nog iets anders wil zijn dan een mechanisme om (..) politieke functies te verwerven en te verdelen´, schrijft hij. Van een gerespecteerde sociaal-democratische partij met een duidelijke ideologische identiteit dreigt de PvdA af te glijden naar een banenmachine, stelt Tromp onverholen en haalt daarbij Max Webers (1864-1920) ideaaltypische onderscheid tussen de programmatisch georiënteerde Weltanschauungs-partijen en de meer opportunistische ‘partijmachines’, de Appropriations-partijen aan.

Het programmatische element in de politiek maakt plaats voor opportunisme, stelt Tromp vast. ´Deze beweging is onmiskenbaar naarmate partijen zich minder op beginselen en uitgangspunten oriënteren, en vooral op jacht gaan om zoveel mogelijk stemmen te vergaren. Het geldt zeker voor de PvdA, en misschien wel voor alle politieke partijen: het zijn opiniepeilingbureaus geworden. Partijen laten hun oren veel te veel hangen naar de kiezer.’

Gezien het contingent zwevende kiezers, zo’n 40 procent, is dat niet verwonderlijk. Er valt tot op het laatste moment een wereld te winnen. Tromp: ‘Dat heeft niet alleen te maken met het einde van de verzuiling – tot die tijd stemde iedereen trouw op zijn eigen partij. Je ziet in alle ontwikkelde democratieën dat sinds de jaren zestig het kiezersvolk aan het zweven is. Dat heeft verschillende risico’s. In hun jacht op de kiezer zijn de partijen steeds meer geneigd om politieke beslissingen uit te stellen tot na de verkiezingen, zodat de kiezers er niks meer over te zeggen hebben. Een ander gevaar is dat door de maximalisatie van de kiezerswinst, alle partijen zich richten op het brede midden, de grootste gemene deler. Zo gaan ze steeds meer op elkaar lijken. Politieke partijen dreigen daardoor hun identiteit kwijt te raken.’ De PvdA zou de luwte van de oppositie dan ook moeten gebruiken om zich weer eens over een degelijk beginselprogramma te buigen. Zo´n programma omvat een analyse van de samenleving van dat moment, en in grote lijnen de houding die de partij daartegenover inneemt. In zijn dissertatie onderzoekt Tromp de beginselprogramma’s van de PvdA en haar voorlopers van 1878 tot nu, dat wil zeggen tot 1977 want sindsdien is er binnen de PvdA nauwelijks nog serieuze aandacht aan besteed. Kok wilde de ideologische veren van zich afschudden, en ook Melkert zag weinig heil in een dergelijke theoretische exercitie. Gevolg is volgens Tromp dat de PvdA een ´ideetjespartij´ wordt, zonder conceptuele afbakening, zonder fundament.


Plutocratie

Tromp propagandeert reflectie tegenover het pragmatisme van Kok en Melkert. Een bezinning op partijbeginselen en ideologie kan de verwording van de PvdA tot banenpartij een halt toeroepen. Overigens geldt dat niet alleen voor de PvdA: alle partijen zouden zich moeten bezinnen op de eigen grondbeginselen en partijprogramma’s.  Dat biedt meer perspectief dan de populaire roep om ‘nieuwe politiek’. Tromps analyse van het Nederlandse politieke stelsel mag dan uiterst kritisch zijn – ‘populisme’, ‘partijen laten hun oren te veel hangen naar de kiezer’- in het hart is het bestel uiterst democratisch en behoeft geen structurele verandering, mits partijen het spel op de juiste wijze spelen. Tromp citeert Edmund Burke – nota bene conservatief: ‘Een politieke partij bestaat uit mensen die zich verenigd hebben teneinde op basis van een beginsel waarover zij het eens zijn, gezamenlijk het nationaal belang na te streven’. De kernwoorden: beginsel en nationaal belang – het tegenovergestelde van ontideologisering en baantjesjagerij. Nu leefde Burke in de achttiende eeuw, een tijd waarin nog maar enkele duizenden mensen aan politiek deden. De gekozene kon het nationaal belang nog dienen zonder dat hij werd gehouden aan een mandaat of beginselprogramma; hij hoefde alleen de grondwet respecteren. ‘Maar dat systeem van afvaardiging werkt natuurlijk alleen op kleine schaal, bij niet al te grote verschillen in de samenstelling van de groep die je vertegenwoordigt. Dan kom je er wel uit. Maar toen door kiesrechtuitbreiding de groep die mag stemmen breder en vooral gevarieerder werd, ontstonden er politieke programma’s.’ Volgens Tromp pakt dat uiteindelijk democratischer uit. Van verdergaande ‘democratische vernieuwing’ – het districtenstelsel zoals D66 voorstelt bijvoorbeeld, waarin een geografisch systeem van vertegenwoordiging geldt – is hij geen voorstander. Tromp: ‘De monsterzege van de fortuynisten in mei vorig jaar is het bewijs dat we in een buitengewoon open en democratisch land leven. Ik ken weinig politieke stelsels waarin het mogelijk is dat een nieuwe politieke partij in één klap met 26 zetels binnenkomt. In Engeland of Frankrijk is dat volstrekt onmogelijk. Het paradoxale is dat degenen die de politiek willen vernieuwen een kiesstelsel voorstaan dat dit onmogelijk maakt. Er is van alles mis in het Nederlandse politieke stelsel, maar ik ken geen stelsel dat beter werkt.’


‘Een heleboel van die vernieuwingen beschouw ik als ondoordacht en nooit bekeken vanuit de ervaring die daar in andere landen al mee is gedaan. Ik ben ook geen voorstander van de rechtstreeks gekozen burgemeester, die dan voor vier jaar zijn gang kan gaan, en gecontroleerd worden door een gemeenteraad die dan nog nauwelijks iets te vertellen heeft. De voorstanders van de democratische vernieuwing wekken de verwachting dat dit tot een geweldige opleving van de democratie zal leiden, maar dat zie ik in andere landen niet terug. Er is geen land waar zoveel rechtstreeks gekozen kan worden als in de Verenigde Staten. En er is ook geen democratie waarin de opkomst en de interesse in politiek zo laag zijn. Daar kun je nota bene rechtstreeks de president kiezen! Die presidentsverkiezingen hebben de hoogste opkomst en dan komt iets meer dan de helft van de mensen. De helft! En dan wel precies de rijke helft. Een opkomstpercentage van 50 procent zouden wij als een ramp beschouwen. Er is nog een andere reden waarom je in een kiesstelsel beter partijen dan  personen met elkaar kunt laten concurreren, want in het laatste geval komt dan de rol van geld nog sterker om de hoek kijken. Het tarief voor een senaatszetel is nu zo’n zestig miljoen dollar. De Amerikaanse senatoren zijn op het ogenblik meer dan de helft van de tijd bezig om fondsen te werven voor hun herverkiezing. Wat een tijd die er verloren gaat! Amerika is een plutocratie, een regering van de rijken. Het is een zichzelf versterkend proces: Volksvertegenwoordigers behoren zelf tot de rijke helft en dienen dus vooral de belangen van de rijken. De armen die hebben niks aan de democratie, want die zijn toch niet vertegenwoordigd. Dat is het voorland als je gaat kiezen op personen en de campagnes daarvoor gaat vrijgeven. Het is een argument om de stemplicht in te voeren, maar dat maakt natuurlijk geen schijn van kans daar.’
 

BV-Nederland

Maar is het Nederlandse systeem echt beter? Het mag dan relatief laagdrempelig en vooral open zijn, verkiezingen worden de laatste jaren wel steeds gekenmerkt door aardverschuivingen. Dat komt de stabiliteit van een land toch ook niet bepaald ten goede. Tromp herhaalt dat de partijen het spel niet goed spelen.  Tromp: ‘Politiek leeft van verschillen, en van een centrale tegenstelling als scharnierpunt. Hoeveel partijen er ook zijn, er is één centrale tegenstelling die voor burgers constituerend is waar ze zichzelf plaatsen. In het algemeen is dat de links-rechtstegenstelling, of die tussen confessionelen  en niet-confessionelen. Wanneer die tegenstelling niet meer bestaat worden politieke verschillen getechnocratiseerd. Dat is mijn diagnose van wat er de laatste jaren is gebeurd: onder Paars, waarin de twee meest herkenbare voorbeelden van links en rechts met elkaar in een kabinet kruipen, is die tegenstelling min of meer teloorgegaan. Dan worden politieke conflicten niet meer uitgespeeld en politieke beslissingen gepresenteerd als technische noodzakelijkheden. Men noemde dat veelzeggend de BV-Nederland. We hebben niet te maken met een politiek geheel maar met een onderneming, en dan ook nog met een besloten vennootschap. Daar hoef je niks uit te leggen, daar zijn geen conflicten en geen politieke tegenstellingen, hooguit problemen van technische aard.’

‘De vervlakking van de links-rechtstegenstelling is uitgemond in de populistische revolutie van het afgelopen jaar. Er is een nieuwe centrale tegenstelling gecreëerd: die tussen het volk en het establishment. Fortuyn heeft zich opgeworpen als stem van het volk en zich volgens het traditioneel populistisch principe opgesteld tegenover het establishment, de bureaucraten uit Den Haag. Hij stelde: “Hier zijn wij. Wij zijn het volk. Wij hebben allemaal heel verstandige opvattingen die helaas door jullie, het establishment, niet worden gehoord.” Het populisme hanteert een heel romantisch beeld: het volk is een eenheid, één en ondeelbaar, – het zijn niet verschillende mensen met verschillende meningen – het is van nature goed en zijn algemene wil kan door één persoon gerepresenteerd worden. Dat was precies het model waarnaar Fortuyn zich modelleerde. Hij had de pech dat wij geen presidentieel stelsel hebben; hij moest daardoor toch een partij oprichten. Maar het was niet alleen Fortuyn die dit zei, alle media gingen in dit stramien mee. Het is in mijn ogen verbijsterend hoe snel alle kranten gingen schrijven over de “gevestigde partijen” – de term gevestigd was al een aanwijzing.’
 

Wij tegen zij

‘Het populisme is een houding: wij tegen zij. Dat is nog geen programma, daar kan van alles ingestopt worden. Dat zie je bij de LPF: het gedachtegoed van Pim, tja, dat is een allegaartje van standpunten. Kernpunt is de centrale tegenstelling die wordt gepostuleerd: hier is het volk, en daar is de elite in Den Haag. Het beeld dat een populist daarvan schept is: Als je daar nu eens iemand neerzet die zélf z’n geld heeft verdiend, die van aanpakken weet, dan zul je eens wat zien. Dan verdwijnen de wachtlijsten als sneeuw voor de zon, dan is het fileprobleem zo opgelost. Volgens populisten bestaan er eigenlijk geen ingewikkelde problemen, alleen maar vervelende bureaucraten die de oplossingen tegenhouden.’

Niet alleen het Paarse kabinet verklaart de opkomst van het populisme. In heel Europa was eerder al een vergelijkbare beweging waar te nemen – ‘Er sagt was Sie denken’ was de slogan waarmee de FPÖ jaren geleden Jörg Haider aanprees. Tromp: ‘Mensen hebben het gevoel dat er maatschappelijke processen bezig zijn die van rechtstreekse invloed zijn op hun leven, zonder dat ze daar invloed op kunnen uitoefenen. Mondialisering en Europeïsering maakt de mensen onzeker.’



‘Ik vond het niet erg dat de bestaande politiek eens flink op z’n kop werd gezet’, nuanceert Tromp. ‘Maar het populistische programma kent een aantal elementen die helemaal niet zo fris zijn, en zelfs zeer gevaarlijk. Het is in principe anti-rechtsstatelijk, want in het populisme is de wil van het volk het enige wat telt. Barrières die de rechtsstaat heeft ingebouwd als: de wet staat dat niet toe, worden niet beschouwd als een serieus excuus. Dan moet de wet maar wijken. Een parlementair stelsel, gebaseerd op politieke partijen is in dat opzicht veel stabieler dan een presidentieel stelsel, want dat kan betekenen dat er iemand wordt gekozen die voor vier jaar zijn gang kan gaan, en met een beroep op het volk bijvoorbeeld alle rechtbanken af kan zetten, als die hem niet bevallen. Dat kan in een parlementair stelsel niet.’
 
Democratie zegt in de eerste plaats iets over de manier waarop de regering tot stand komt. Maar je moet ook kijken naar het doel van de regering, stelt Tromp in navolging van Aristoteles. ‘Aristoteles maakte onderscheid tussen de democratie, een allemansregime, waar iedereen alleen voor zichzelf probeert te regeren, en de politè, ook een allemansregime, maar een dat macht uitoefent ten dienste van het algemeen belang. In Nederland zijn we gewend aan het idee dat politieke partijen primair programmatisch georiënteerd zijn, en dus gericht op een groter belang dan het individuele. We leven niet in een zuivere democratie, maar in wat de klassieken een gemengde constitutie zouden noemen, een democratie die wordt afgedekt door de rechtsstaat. Het idee van de rechtsstaat is dat die niet door de eerste de beste meerderheidsbeslissing aan de kant kan worden gezet. Burgers hebben de mogelijkheid om het beleid significant te beïnvloeden, maar zijn daarbij aan wetten en plichten gebonden, die ze voor een deel zelf in het leven hebben geroepen. Als democratie betekent dat de wil van de meerderheid – ongeacht wat die inhoudt – onmiddellijk uitgevoerd moet worden, dan geloof ik niet dat iemand in Nederland serieus democraat zou zijn.’
 
Politiek theoreticus Bart Tromp promoveerde onlangs op Het sociaal democratisch programma, waarin hij de beginselprogramma’s van de sociaal-democratische partijen SDB, SDAP en PVDA vanaf het eind van de negentiende eeuw tot nu onderzoekt. Naast hoogleraar politieke theorie is Tromp, columnist van het Parool en prominent PvdA-lid.
 
Het sociaal-democratisch programma; De beginselprogramma’s van SDB, SDAP, en PVDA 1878-1977, door Bart Tromp, uitg. Bert bakker, Amsterdam 2002, 682 blz.