Home Reizen Wie veel reist, wordt geen interessanter mens
Reizen

Wie veel reist, wordt geen interessanter mens

Door Marc van Dijk op 26 juni 2019

Wie veel reist, wordt geen interessanter mens
07-2019 Filosofie magazine Lees het magazine

Niemand wil graag een ‘toerist’ zijn, en toch is bijna iedereen het. Hoe komt dat? Wat is de oorsprong van onze onweerstaanbare behoefte om erop uit te trekken? En komen we daar ooit van af?

In de lente is het vanwege de gunstige weersomstandigheden altijd relatief druk op de Mount Everest, de hoogste berg ter wereld. Maar in mei van dit jaar ging een foto de wereld rond die elke verbeelding tart: filevorming bij de top. De klimmers stonden op 8.848 meter hoogte in een rij die deed denken aan de drukte bij het Louvre of de toren van Pisa.

De foto was gemaakt door de bekende Nepalese klimmer Nirmal Purja. De circa tweehonderd mensen die hij op die zonnige voorjaarsdag voor zich moest dulden, zullen waarschijnlijk niet allemaal getrainde klimmers zijn geweest.

De Mount Everest is de laatste jaren van betekenis veranderd. De berg die ooit de ultieme uitdaging was voor sportievelingen die met ware doodsverachting het uiterste van zichzelf vergden, is een experience geworden die je kunt kopen. Voor vijftigduizend euro ga je met begeleiding naar de top. Een strijd tussen westerse aanbieders en lokale prijsvechters heeft ertoe geleid dat deze gewilde ervaring een massaproduct is geworden. Je zou bijna vergeten dat het bereiken van de top in fysieke zin nog steeds heel wat vereist – boven achtduizend meter stilstaan is alleen al vanwege de kou zeer riskant. Een Amerikaanse en een Indiase klimmer overleden in de drukte.

Wat is toerisme eigenlijk? Wat brengt mensen zover om massaal die levensgevaarlijke berg op te klimmen? Het eenzame gevecht met jezelf en met de elementen is veranderd in een wedloop met anderen, die je liever niet wilt zien. Die anderen bederven het welverdiende ongerepte uitzicht, het gevoel van vrijheid, de foto’s. Als toeristen ergens allergisch voor zijn, is het voor andere toeristen – en dat geldt niet alleen op de Mount Everest. Het is volgens filosoof en toerisme-expert Ruud Welten een wezenskenmerk van de toerist: een toerist wil zelf geen toerist zijn.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Het alter ego van Ilja Leonard Pfeijffer drukt het in de veelbesproken roman Grand Hotel Europa als volgt uit: ‘Toen ik zelf nog een toerist was, in mijn jonge jaren, was ik een typische toerist, in die zin dat ik mijn eigen bestaan zo veel mogelijk trachtte te ontkennen en aan niets een grotere hekel had dan aan toeristen. Ik deed er alles aan om mijzelf te camoufleren als een inboorling, hoe weinig kansrijk dat streven ook was.’

Ruud Welten, auteur van Het ware leven is elders, filosofie van het toerisme noemt dat streven niet alleen ‘weinig kansrijk’, maar ronduit vergeefs: ‘Als we over onze eigen vakanties spreken, benadrukken we dat we niet zomaar een plaats bezoeken zonder ons er eerst in te verdiepen. Dat we op onze bestemming de juiste plekjes weten te vinden, waar het landschap en de mensen nog onbedorven zijn. Kortom: dat we geen toeristen zijn. Maar dit is bij uitstek toeristisch. Je zou kunnen zeggen dat de toerist in al zijn anti-toeristische neigingen en statements een freudiaanse verdringing van zichzelf is.’

De oppervlakkigheid zit volgens Welten in het DNA van het toerisme. ‘Het woord “toerisme” is voor het eerst gebruikt door de negentiende-eeuwse Franse schrijver Stendhal. Hij zette zich af tegen de gewichtigdoenerij van de beeldbepalende reizigers uit die tijd: Duitsers die naar Italië reisden, zoals Goethe. De Duitsers benadrukten de vormende werking van hun reizen, ze verbonden die reizen met hun bildungs­ideaal: culturele opvoeding en persoonlijke ontwikkeling. Stendhal zei: ik wil alleen maar een beetje rondtrekken en rondkijken, en dat mag best oppervlakkig blijven.’

Stendhal was zelf overigens bepaald geen toonbeeld van de oppervlakkige toerist. Zijn emotionele verslag van een bezoek aan Florence vormde later de basis om een psychische aandoening naar hem te vernoemen. Wie lijdt aan het syndroom van Stendhal raakt onwel door de overmatige blootstelling aan overrompelende schoonheid, zoals de Japanse toerist in de film La Grande Bellazza die bij de aanblik van Rome flauwvalt.

De Dikke Van Dale noemt dit syndroom ‘de toeristenziekte’, en dat is dan nog een van de minst negatieve samenstellingen met toerisme (om flauw te vallen bij de aanblik van schoonheid moet je toch op zijn minst een zekere esthetische gevoeligheid hebben). Veel andere toeristenwoorden – van ‘toeristenklasse’ tot ‘toeristenmenu’ en van ‘toeristentarief’ tot ‘toeristenstroom’ – wekken associaties met massaliteit, karakterloosheid en slechte smaak.

Piramides zien

Ooit was het anders. Frank Ankersmit, filosoof en schrijver van De sublieme historische ervaring: ‘Van oudsher is toerisme verbonden met het verlangen om het verleden te ervaren en tot leven te wekken. Louis Couperus schreef een roman over een Romeins echtpaar dat niet lang na het begin van onze jaartelling naar Egypte reist om daar de piramides te zien en de Egyptische geschiedenis te ondergaan. Eerder al was Herodotus daar geweest, een van de grondleggers van de geschiedschrijving. Hij ging ter plekke in gesprek met priesters en ingewijden, als een toerist avant la lettre. In de zeventiende en achttiende eeuw maakten jongeren van goede komaf een grand tour om de Europese geschiedenis en cultuur op te snuiven. En dan waren er vanaf de late achttiende eeuw tot aan de Tweede Wereldoorlog de Italië-reizen van Duitsers als Winkelmann, Herder, Goethe, Burckhardt, Nietzsche, Mann, Rilke en – vooral sinds de komst van de trein – velen in hun kielzog. Zij raakten door de confrontatie met hun eigen Duitse verleden en met dat van Italië soms hun leven lang van slag. Ze hadden dan ook een buitengewoon rijke intellectuele bagage – ze wisten waar ze naar keken.’

Het massatoerisme, dat pas kon ontstaan toen brede lagen van de bevolking over vrije tijd begonnen te beschikken, vormt hiermee een schril contrast. Het is volgens Ruud Welten als eerste gestimuleerd door twee fascistische dictators. Hitler wilde dat het Duitse volk kon relaxen aan verschillende kusten, Franco ontwikkelde een visie op de Spaanse Costa Brava als het toeristenparadijs van Europa.

Van Dale omschrijft de ‘toerist’ als iemand die reist ter ontspanning, liefst in een voor hem ‘vreemd gebied’, meestal met het doel ‘verschillende bezienswaardige of bekende plaatsen te bezoeken’. De hang naar geschiedenis klinkt er nog wel in door, maar de ontspanning staat voorop. De ‘reiziger’ is ernstiger, die moet ergens heen – voor een opdracht of handelsmissie. De reiziger legt een afstand af, de toerist legt vooral zijn dagelijkse beslommeringen af.

Maar volgens Welten is dit onderscheid achterhaald: ‘Wie reist is een toerist. De Pools-Britse denker Zygmunt Bauman heeft laten zien dat het onderscheid tussen werk en privé in onze tijd vloeibaar is geworden. Als ik een congres in Zwitserland bezoek, zit ik ’s avonds ook op een terrasje en doe ik toeristendingen. Het enige belangrijke onderscheid dat tussen reizigers nog te maken valt, is dat tussen de toerist en de vluchteling. De toerist is bevoorrecht. Hij of zij mag vrijwel elk land betreden omdat duidelijk is dat hij als consument geld komt brengen en niet de intentie heeft om zich ergens blijvend te vestigen. De vluchteling is de enige reiziger die buiten het toeristische systeem valt.’

Welten heeft naar eigen zeggen steeds meer de neiging om toerisme niet te definiëren als een persoonlijke of gevoelsmatige manier van reizen of omgaan met vrije tijd of met de geschiedenis, maar als ‘een structuur waar wij allemaal deel van uitmaken’. ‘We leven in een wereld die volledig is vertoeristiseerd, zie de filevorming op de Mount Everest. Er is geen branche ter wereld die zo veelomvattend is als het toerisme – regio’s, steden en complete naties zijn er volledig afhankelijk van. Er is bijna geen land dat zich eraan kan onttrekken. Westerlingen die dat erg vinden, voeren meestal toeristische redenen aan: ze hopen ergens nog een authentiek, onbedorven, puur deel van de wereld aan te treffen. En dat is precies de paradox waar het toerisme van leeft: de belofte dat er voor jou nog zo’n niet-toeristisch plekje bestaat.’

Maar dat onbedorven plekje is – zoals we allemaal wel weten – een illusie. Sterker nog: de commerciële vraag naar echtheid helpt diezelfde authenticiteit om zeep, zegt Welten. ‘De “authenticiteit” die we als toeristen zoeken, wordt voor ons in scène gezet – mensen gaan speciaal voor de toeristen in traditionele kleding lopen die al decennia verdwenen was – waardoor het leven ter plaatste in veel gevallen blijvend verandert.’

Voluntourism

De toerist tast datgene aan waar zijn blik zich op richt. Denk aan Fakarava, een piepkleine atol in de Stille Oceaan. Ilja Leonard Pfeijffer schrijft erover in Grand Hotel Europa: ‘Een standaardparadijs uit het boekje. Achthonderd inwoners. Sinds kort leggen er met enige regelmaat cruiseschepen aan. (…) De lokale bevolking trekt in allerijl Polynesische rieten rokjes aan en begint als een bezetene te dansen. Zodra de toeristen zijn opgehoepeld, hangen ze weer wezenloos met een fles bier aan hun mond voor hun hutten. Zo op Fakarava ooit het idee heeft postgevat dat je wat van je leven moet maken, is dat met de komst van de cruiseschepen voorgoed de kop in gedrukt. Het goedkope geld dat ze aan de toeristen verdienen, is het definitieve excuus om het leven er voor de rest maar bij te laten zitten.’

Het verraderlijke is: pogingen om aan dit mechanisme te ontsnappen werken vaak averechts. Neem het populaire voluntourism, een combinatie van toerisme en vrijwilligerswerk. Het is ontstaan vanuit de beste bedoelingen van veelal jonge westerlingen, die niet enkel als passieve consumenten willen reizen maar ook iets goeds willen doen, zoals een poosje helpen in een weeshuis, taalles geven of een school bouwen in een arm land.

De gevolgen kunnen desastreus zijn. Omdat er voor lokale organisaties veel geld mee te verdienen valt, zorgt de vraag naar weeskinderen er volgens Unicef en Save The Children bijvoorbeeld voor dat de ‘weeshuizen’ in Sri Lanka en Liberia voor meer dan 90 procent bewoond worden door kinderen die levende ouders hebben. Ook in Cambodja groeit het aantal weeshuizen beduidend harder dan het aantal wezen. Daar komt nog bij dat het volgens psychologen niet in het belang van kinderen is om op te groeien met een stoet van voortdurend wisselende, ondeskundige vreemden als begeleiders. De enige die erbij wint, is de toerist die met een goed gevoel naar huis gaat.

Beeld: Jenna Arts

Voor bouwprojecten geldt iets vergelijkbaars: lokale arbeidskrachten die verlegen zitten om betaald werk worden buitenspel gezet omdat onhandige westerse toeristen een school komen bouwen. En ook al betalen ze het zelf, de vraag blijft wie ze er precies mee helpen. Amerikaanse vrijwilligers die na een orkaan huizen gingen bouwen in Honduras, bouwden zo’n huis voor dertigduizend dollar. Lokale organisaties deden dit voor tweeduizend dollar. Als de weldoeners thuis waren gebleven en hun bijdrages hadden overgemaakt hadden er dus vijftien keer zoveel huizen kunnen worden gebouwd, becijferde The Guardian.

Lesgeven dan? Voor tweeduizend dollar koopt een Amerikaan de mogelijkheid om een weekje les te komen geven in een ontwikkelingsland. Een lokale leraar kan daar vier maanden van betaald worden.

Ruud Welten: ‘Voluntourism laat zien dat elke vorm van toerisme uiteindelijk vooral de toerist dient. En dat toerisme dus een vorm van neokolonialisme is. Het houdt de economische ongelijkheid in stand, of versterkt die zelfs. Om daar iets aan te doen, zijn goede bedoelingen niet genoeg. Denk aan de kritiek van de Sloveense filosoof Slavoj Žižek op het kapitalisme: idealistische initiatieven om er tegenin te gaan, veranderen al snel in een nieuw verdienmodel waar een kapitalist zijn vingers bij aflikt.’

Pelgrims

Waar het toerisme ooit begon bij het verlangen om het verleden visueel en lijfelijk te ervaren en schrijvers als Herodotus met hun toeristische verkenningen volgens Frank Ankersmit de basis legden voor de geschiedschrijving, zou je kunnen zeggen dat het massatoerisme de levende geschiedenis doet stollen en stoppen. Het stadsbeeld van Praag mocht na de val van het communisme nog minder veranderen dan daarvoor, want dat zou de toeristen niet behagen.

Ultiem schrikbeeld is Venetië, hoofddecor van Pfeijffers roman. De resterende stadsbewoners leven in de marge van 18 miljoen bezoekers per jaar (dus een kleine vijftigduizend per dag), die de stad letterlijk langzaam doen zinken onder hun gewicht. De golfslag van de cruiseschepen verzwakt de kades. In 2030 zal het aantal toeristen naar verwachting verdubbeld zijn. ‘Dan zullen honderdduizend toeristen per dag een uitgestorven stad bezoeken’, schrijft Pfeijffer. ‘Dan zullen de poortjes ’s ochtends opengaan en ’s avonds sluiten, en zal niemand protesteren als hij een kaartje moet kopen om de stad te bezoeken. Op verschillende plekken in de stad zijn spandoeken opgehangen met de tekst “Venezia è una città vera”. Geen enkele echte stad zou de noodzaak voelen om zijn echtheid door middel van manifesten te benadrukken.’

Pfeijffer vreest dat dit lot alle Europeanen te wachten staat: een bestaan als uitventers van onze geschiedenis. Europa heet nu al ‘het museum van de wereld’ te zijn, en als de Chinese, Zuid-Koreaanse en Japanse middenklasse echt aan het reizen slaat, zou er geen redden meer aan zijn.

Of is deze visie op toerisme veel te negatief en te eenzijdig? Filosoof Ike Kamphof, die in haar essaybundel Iedereen voyeur ingaat op de relatie tussen kijken en reizen, krijgt argwaan als deskundigen en romanschrijvers alle toeristen over één kam scheren. Kamphof: ‘Er kan wel degelijk een heel authentiek verlangen in toerisme schuilen: de diepe wens om het bestaan te vernieuwen. Het toerisme is tenslotte eveneens nauw verwant met de bedevaarten van de middeleeuwse pelgrims. Deze trokken ook al massaal door Europa en ze namen zelfs souvenirs mee van de heilige plekken die ze bezochten. Ik doe daar zelf weliswaar niet in die vorm aan mee, maar ik kan mezelf nauwelijks bedwingen bij het verzamelen van takjes en steentjes uit natuurgebieden waar ik tijdens lange wandelingen bijzondere ervaringen heb. Als je tijdens een reis getroffen en geroerd wordt, dan kan daar weinig tegenop. Dat wil je vasthouden door iets mee te nemen.’

Pelgrims reisden niet ter ontspanning, maar om hun leven te veranderen. Een bedevaart kon een aflaat opleveren (vergeving van zonden), en meer nog: een nieuwe verbinding geven met God. Het was naast een fysieke verplaatsing bovenal een reis van het innerlijk. Kamphof: ‘Ik denk dat dit voor veel mensen nog steeds zo is. Door nieuwe horizonten, nieuwe smaaksensaties, andere ervaringen, raken we tijdelijk gedesoriënteerd. Dat kan ook gebeuren bij een schilderij van Rotkho, als je er, zoals de schilder wilde, dichtbij gaat staan. De desoriëntatie die dan optreedt, is even beangstigend als vreugdevol. Het maakt dat je als het ware opnieuw gaat zien, zodra je het museum weer uitloopt. Toerisme is een shortcut naar dit effect: je voelt je weer even heel intens verbonden met de wereld. Het goede nieuws is dat je voor dit soort reizen niet per se grote afstanden hoeft af te leggen. Het kan zelfs tijdens een blokje om.’

Misschien is het verschil tussen de hedendaagse toerist en de Duitse Italiëreizigers ook wel minder groot dan je zou denken. Want in weerwil van hun verheven doelstellingen – de reis als vervolmaking van het zelf, met het vreemde als spiegel – waren zij ook niet vies van wat wij nu zouden herkennen als typisch toeristische geneugten die ons doen denken aan het Thaise Pattaya. Frank Ankersmit: ‘Goethe ging tijdens zijn Italië-reis voor het eerst met een vrouw naar bed. En hij was beslist niet de enige. Het waren niet alleen de kunstschatten en de ruïnes die de Duitsers in vervoering brachten, maar ook de afwijkende mediterrane zeden. Ze kwamen ook voor de jongens en meisjes. Er bestaat een schilderij van prins Ludwig van Beieren, die met zijn vrienden in een Italiaans café zit. Daar spreekt een ongebondenheid uit die thuis ondenkbaar was geweest.’

Het enige wat het hedendaagse toerisme fundamenteel onderscheidt van de reizen van weleer, is de schaal. En dat is geen onbelangrijk gegeven, gezien de impact op cultuur, natuur, landschap en klimaat.

Zou de historische reiziger ooit verklaard hebben dat hij ‘geen reiziger’ wilde zijn? Nee, de ‘zelfontkenning’ of zelfhaat – inclusief blinde vlekken voor de gevolgen van het eigen gedrag – is eigen aan de toerist. Volgens Ruud Welten zouden we minder gespitst moeten zijn op de reis als manier om onze identiteit op te bouwen. ‘Als je veel gereisd hebt, word je geen interessanter mens. Seneca al zei dat reizen vooral een vlucht is, een voor jezelf. Met name jonge mensen ervaren helaas een enorme druk om veel te reizen. Dat is het eerste waar we mee op moeten houden.’

Misschien kunnen we een begin maken door elkaar deze zomer niet te vragen: ‘Waar ga jij naartoe?’, maar: ‘Waar wil jij van weg?’ Als je daarover nadenkt, is het maar de vraag of er wel echt zo nodig gereisd – of gevlucht – moet worden. Zoals Seneca schrijft: ‘Je vlucht in gezelschap van jezelf. Je moet de last van je geest afleggen, anders zal geen enkel landschap je rust geven.’