Home Wetenschap is niet gericht op vernieuwing

Wetenschap is niet gericht op vernieuwing

Door Sophie van Balen op 22 oktober 2018

Cover van 11-2018
11-2018 Filosofie magazine Lees het magazine

Wetenschappers zoeken niet naar baanbrekende doorbraken, zoals die van Copernicus of Darwin. Ze gedragen zich als brave puzzelaars, toont Thomas Kuhn.

Hevige breuken kenmerken de geschiedenis van de wetenschap, stelt Thomas Kuhn in 1970. Deze wetenschappelijke revoluties zijn chaotisch en onzeker, er gaat veel kennis in verloren, en er woedt een hevige strijd om macht. Voorbeelden van revoluties kennen we maar al te goed: Copernicus haalde ons beeld van het universum overhoop, Newton brak met zijn mechanica de eeuwenoude kwalitatieve traditie van de aristotelische fysica, Einstein verwierp op zijn beurt Newton.

Ons idee van cumulatieve wetenschappelijke vooruitgang is volgens de Amerikaanse fysicus en wetenschapshistoricus het gevolg van geschiedschrijving. Slechts in tijden van ‘normale wetenschap’ is er sprake van; alleen dán bepalen heersende paradigma’s welke vragen wetenschappers onderzoeken, welke methoden ze daarvoor gebruiken, wat voor feiten gevonden kunnen worden en welke wetenschappelijke doorbraken je moet kennen. En uit dit soort – niet op vernieuwing gericht – onderzoek komt steeds preciezere kennis voort over exact omlijnde vraagstukken. Vooruitgang dus.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Maar in deze zelfde periodes worden resultaten die niet stroken met het paradigma – anomalieën – zo lang mogelijk genegeerd. Anomalieën worden als het ware in een laatje weggestopt totdat het laatje begint uit te puilen. Pas dan, wanneer het paradigma ernstige hiaten vertoont, wijden grotere groepen wetenschappers zich aan het onderzoeken van afwijkende voorbeelden.

Wat volgt is een crisis: er ontstaan verschillende omvattende theorieën die met elkaar wedijveren over de definitie van een vakgebied, de centrale vraagstukken en methodes daarvan, en in belangrijke mate ook de feiten of objecten waar het zich mee bezighoudt.

Tijdens deze crises ontbreken echter nou net de regels die het onderzoek structureren en zijn er dus geen principes te vinden die een logische keuze tussen verschillende mogelijke paradigma’s forceren, of zelfs maar kunnen begeleiden.
Kuhn stelt bovendien dat latere paradigma’s niet per se betere kennis opleveren dan hun voorgangers, ze geven vooral antwoorden op andere vragen en schetsen een ander beeld van de wereld. Het is als een trage Gestalt-switch, die onomkeerbaar is. Wanneer je eenmaal de eend ziet, begrijp je niet meer hoe anderen er een konijn van kunnen maken. Het eendparadigma en het konijnparadigma zijn niet naar elkaar te vertalen, ze zijn ‘incommensurabel’. Dat betekent echter geenszins dat de lijnen op het papier meer een eend zijn dan een konijn, of andersom. 

‘[…] Het is moeilijk om de natuur in het keurslijf van een paradigma te dwingen. Daarom zijn normaal-wetenschappelijke puzzels zulke uitdagingen en leiden metingen die zonder paradigma worden gedaan zo zelden tot welke conclusies ook’ (193).

Natuur

Wetenschappers onderzoeken toch de natuur, die steeds hetzelfde blijft? Tot op zekere hoogte klopt dat, maar ze hebben wel een paradigmatische bril op. Waar kijk je bijvoorbeeld naar als je een kastanje ziet vallen? Aanschouw je een object dat door de zwaartekracht naar beneden getrokken wordt? Of zie je hoe de eikel richting zijn natuurlijke rustpunt beweegt? Veel van wat we zien heeft te maken met wat we hebben geleerd te verwachten. De natuur die we onderzoeken is zélf anders als we vanuit een ander paradigma werken.
 

Keurslijf

Niet alleen zien wij de natuur anders, we manipuleren de natuur ook om haar maar in onze puzzel te kunnen passen. Niet alle ruwe puzzelstukjes die uit wetenschappelijke experimenten voortkomen passen direct naadloos in het totaalplaatje; daar moet vaak een zekere mate van ‘proppen’ aan te pas komen. Dat betekent echter dat wat wij eufemistisch het ‘vinden’ van bewijsmateriaal noemen meer weg heeft van het ‘vormen’ van bewijsmateriaal.
 

Normaal-wetenschappelijke puzzels

In periodes van normale wetenschap werken wetenschappers aan zeer gedetailleerde puzzels waarbinnen specialistische kennis vereist is om mee te kunnen praten. Het heersende paradigma bepaalt welke vragen belangrijk zijn en waar (of hoe) de antwoorden gezocht moeten worden. Met die kennis gaan wetenschappers aan de slag om de ontbrekende puzzelstukjes in te vullen. Normale wetenschap is dus gericht op het beantwoorden van vooraf bekende vragen, volgens de regels van de puzzel.
 

Uitdagingen

Waarom gaan wetenschappers zo op in hun werk, vraagt Kuhn zich af, als het niet is om baanbrekend onderzoek te verrichten? Zijn antwoord (althans, een deel ervan): omdat mensen van puzzelen houden! Wetenschappers zien juist het bewijzen en onderbouwen van een paradigma als een uitdaging en genieten als het ware van het spel. Omdat er bovendien zoveel afhangt van de paradigma’s steken we vaak veel tijd en geld in dit soort wetenschap.