Log in

Wachtwoord vergeten?

Word lid Log in Contact

Filosofie.nl

vrijdag 3 juli 2020

Weekendlijstje: beroemde debatten tussen filosofen

Emma Krone

Filosofen zijn het niet altijd met elkaar eens. Sterker nog, door hun onderlinge geschillen ontstaan er vaak vurige, prikkelende debatten. Soms eindigt het in een fikse ruzie, soms in een wederzijds leermoment. In dit weekendlijstje vijf beroemde debatten tussen filosofen.

Heidegger en Carnap over het niets

In 1929 verkondigde Martin Heidegger (1889 – 1976) tijdens zijn lezing Was ist Metaphysik? dat ‘Das Nichts selbst nichtet’, oftewel, dat ‘het niets zelf nietigt’. Vrijwel gelijk werd Heidegger gezien als een verstrekker van metafysische kletskoek. Zo dacht de filosoof Rudolf Carnap (1891 – 1970) er ook over. In zijn essay Overcoming Metaphysics through Logical Analysis of Language uit 1931 beschuldigde hij alle metafysici ervan muzikanten zonder muzikale aanleg te zijn. En Heidegger is dan natuurlijk de metafysicus bij uitstek.

Heidegger wilt niet spreken over het ‘niets’ als een iets met eigenschappen, maar als een andere manier om te denken over ‘zijn’. Vandaar dat hij het werkwoord nichten introduceert. Hij wilt daarmee laten zien dat het niets niet iets is, maar dat we het niets kunnen ervaren in de stemming van radicale angst, omdat deze stemming ons confronteert met de totale nietigheid van het bestaan. Toch is Carnap niet tevreden. Heideggers zin heeft dezelfde grammaticale constructie als ‘de regen regent.’ Maar ‘niets’ is verandert van voornaamwoord naar een zelfstandig naamwoord. Alsof het een entiteit is. Zo introduceert Heidegger het betekenisloze woord ‘te nietigen’, wat het bestaan van het niets impliceert, terwijl dat in haar definitie onmogelijk is. Carnap concludeerde dat deze metafysische waanzin een serieus gevaar is voor onze geestelijke gezondheid.

Lees hier Karin de Boers uitleg over de nietigheid van Heidegger.

 

Wittgenstein en Popper over filosofische problemen

Op de koude avond van 25 oktober in 1946, presenteerde filosoof Karl Popper (1902-1994) zijn essay Are There Philosophical Problems? tijdens een bijeenkomst van de Moral Sciences Club in Cambridge. In het publiek zat ook de filosoof Ludwig Wittgenstein (1889-1951). Wat volgde was een vurig debat tussen de twee. Hoe het precies is verlopen, is nog steeds onduidelijk.  Wat we wel weten, is dat de pook van de openhaard een belangrijke rol heeft gespeeld, en dat de discussie maar ongeveer 10 minuten heeft geduurd voordat Wittgenstein wegstormde.

Popper stelde in de discussie dat er wel degelijk filosofische problemen bestaan. Wittgenstein, daarentegen, beargumenteerde dat het slechts om taalkundige puzzels gaat. Naarmate de discussie steeds verhitter raakte, wriemelde Wittgenstein onrustig met de kachelpook. Als we Popper moeten geloven, gebruikte hij de stok ‘als een dirigeerstok om zijn beweringen te benadrukken’. Toen de ethiek aan bod kwam, daagde Wittgenstein hem uit om een voorbeeld te geven van een morele regel, waarop Popper antwoorde: ‘Men mag bezoekers die een lezing komen geven niet bedreigen met een kachelpook’. Wittgenstein stond al bekend om zijn ontvlambaar karakter, en reageerde als verwacht. Hij raasde de kamer uit en sloeg de deur achter zich dicht. De twee filosofen hebben elkaar nooit meer ontmoet.

Lees hier meer over de botsing tussen Popper en Wittgenstein.

 

Russell en Copleston over God

Valt het bestaan van God filosofisch te bewijzen? Hierover discussieerden denkers Frederick Copleston (1907 – 1994) en Bertrand Russell (1872-1970) tijdens een radio-opname van de BBC in 1948. Copleston, een jezuïet, was van mening dat God bestaat en dat de filosofie zijn bestaan kan aantonen. Russell, daarentegen, noemde zichzelf een agnost. Immers, zoals hij zelf zei, is het niet te bewijzen dat God wel of niet bestaat. Om praktische redenen was hij in alle opzichten een atheïst.

Het eerste deel van het beroemde debat steekt metafysisch in elkaar. Copleston gebruikt het kosmologische argument: het idee dat het universum een onbewogen beweger behoeft, dat er een eerste oorzaak moet zijn geweest van alles wat bestaat. Elementen van dit argument dateren terug tot Plato en Aristoteles, en Copleston baseert zich op de versie van Thomas van Aquino. Maar Russell biedt kritiek en wijst hem op een denkfout. ‘Elke man die bestaat heeft een moeder, en het lijkt mij dat uw argument daarom is dat de mensheid ook een eigen moeder moet hebben,’ zegt hij. Alleen heeft de gehele mensheid niet één moeder, ‘dat is een andere logische sfeer’. Voor Russell is het voldoende dat het universum gewoonweg bestaat.

Lees hier meer over hoe filosofen door de geschiedenis heen het bestaan van God hebben bewezen.

 

Chomsky en Foucault over de menselijke natuur

De twee antiautoritaire links politieke denkers Noam Chomsky (1928) en Michel Foucault (1926 – 1984) werden in november 1971 door de Nederlandse filosoof Fons Elders uitgenodigd voor een debat over de eeuwenoude vraag of er zoiets bestaat als een ‘aangeboren’ menselijke natuur, onafhankelijk van onze ervaringen en invloeden van buitenaf. Elders introduceerde de sprekers met de woorden: ‘twee berggravers, die aan weerszijden van dezelfde bergen werken, met verschillende gereedschappen, zonder te weten of ze in elkaars richting werken.’ Maar toch waren ze het niet over alles eens.

Volgens Chomsky is er wel degelijk zoiets als de menselijke natuur – hij verbond dit met zijn idee over universele grammatica. Als mensen opgroeien onder normale omstandigheden, zullen ze altijd een taal ontwikkelen met bepaalde eigenschappen (waar bijvoorbeeld werkwoorden en zelfstandig naamwoorden van elkaar gescheiden zijn). Dit zou wijzen op een intrinsieke, genetisch bepaalde taalfaculteit die deze regels kent. Foucault legde hetzelfde fenomeen uit, maar dan refererend aan sociale structuren, onderhevig aan geschiedenis en politiek. Volgens Foucault maakt dit de menselijke natuur veranderlijk en steeds verbonden met de de gestolde kennis van dat moment. De taal die wij gebruiken, ideeën over waarden en normen en het menselijk kunnen, het is allemaal bepaald door de situatie waarin we ons begeven en de bril waardoor we kijken.

Lees hier een overzicht van thema’s in Foucaults werk en zijn opvatting over de menselijke natuur.

 

Searle en Derrida over betekenis en context

Het debat tussen filosofen John Searle (1932) en Jacques Derrida (1930-2004) is symbolisch voor de scheiding tussen de analytische en de continentale tradities binnen de filosofie. In 1972 begon hun schriftelijke uitwisseling – een briefwisseling vol vijandigheid. Sommige critici stellen zelfs dat het helemaal geen debat was, maar een uitgebreid misverstand. Beiden filosofen beweerden namelijk continu dat de ander hem verkeerd begreep.

En laat dat nou ook gelijk het onderwerp van de discussie zijn. Derrida stelde dat zinnen altijd citeerbaar zijn in andere contexten, met als gevolg dat de oorspronkelijke betekenis volledig kan veranderen. Dit staat haaks op de analytische filosofie, waar men uitgaat van een objectief bestaande realiteit die onafhankelijk is van de waarnemer. Of in dit geval context. Als het gaat over taal, zal de continentale filosoof zeggen dat taal de werkelijkheid schept. De analytische denker beweert daarentegen dat taal een hulpmiddel is om de vaste realiteit te begrijpen. Searle, van het analytische kamp, reageerde daarom ook venijnig op Derrida’s beweringen. Daarop antwoorde Derrida vervolgens weer dat Searle zijn woorden uit de context haalde en de plank volledig missloeg, waardoor hij uiteindelijk zijn punt bewezen zou hebben.

Lees hier meer over het dispuut tussen Searle en Derrida en de rol van context.

Beeld Maartje de Sonnaville