Home Warm aanbevolen: Op de vleugels van Icarus

Warm aanbevolen: Op de vleugels van Icarus

Door Gert-Jan van der Heiden op 03 september 2014

Cover van 03-2014
03-2014 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

De verhouding tussen mens, moraal en techniek is het centrale thema in het werk van de Twentse filosoof Peter-Paul Verbeek. Als geen ander weet hij onderhoudend en toegankelijk over dit thema te schrijven en aan de hand van veel sprekende voorbeelden van oude en nieuwe technologieën duidelijk te maken waarom techniek niet zonder een ethische reflectie begrepen kan worden. Ook Verbeeks nieuwe boek Op de vleugels van Icarus, dat dit jaar in de maand van de filosofie verscheen, is een eyeopener en biedt een verfrissende en eigentijdse benadering van de techniek en haar onlosmakelijke band met ethiek en moraal.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Verbeek trekt ten strijde tegen wat men de standaardopvatting over de verhouding van techniek en ethiek zou kunnen noemen. In deze standaardopvatting is de techniek hetzij het instrument in handen van de autonome gebruiker die deze techniek voor goede dan wel kwade doeleinden kan gebruiken, hetzij de duistere macht die door de autonome mens afgewezen dient te worden en terzijde dient te worden geschoven zodat zij haar gevaarlijke uitwerking in onze maatschappij niet heeft. In beide versies wordt de ethiek van de techniek geheel aan de mens of de gebruiker toegeschreven: het is immers, zo luidt de redenering in deze standaardopvatting, niet de techniek maar de mens die handelt en dus is het de mens die verantwoordelijk is voor deze handelingen.

Op de vleugels van Icarus toont echter overtuigend aan dat een dergelijke boedelscheiding geen adequaat beeld schetst van de wijze waarop techniek in ons leven werkzaam is en onze moraal doortrekt en stuurt. Techniek is namelijk geen neutraal instrument in onze handen dat we als middel kunnen inzetten om bepaalde doelen te bereiken, zoals Verbeek betoogt. Techniek is veel meer een medium waarin we ons tot de wereld verhouden: zij bemiddelt tussen ons en de wereld en geeft daarmee vorm aan onze verhouding tot de wereld.

Het voorbeeld van de echoscopie dat de auteur in het derde hoofdstuk uitwerkt, laat dit overtuigend zien. Deze technologie doet iets met het ongeboren kind: het beeldt de foetus ‘niet neutraal alleen af, maar “vertaalt” het impliciet tot een mogelijke patiënt.’ Dit zorgt er bovendien voor, zoals Verbeek vervolgt, dat aangeboren afwijkingen nu gepresenteerd worden als een vorm van lijden die voorkomen kan worden: zodra de echoscopie een afwijking signaleert, worden de ouders voor de keuze geplaatst wat ze met de foetus doen: laten ze het geboren worden, ja of nee. Maar zelfs al voor de signalering van deze afwijking worden de ouders voor een keuze geplaatst: willen ze de resultaten van de echoscopie weten of niet. Deze technologie opent dus een nieuwe morele ruimte die niet gesticht wordt door de autonome mens, maar door een complexe interactie van ouders, artsen, wetenschap en techniek. De verhouding tussen ouders en foetus is door de techniek van de echoscopie fundamenteel veranderd en wordt bepaald door een andere morele verhouding.

Hoe moeten we deze andere verhouding precies begrijpen? Daartoe raadpleegt Verbeek een aantal van zijn filosofische inspiratiebronnen zoals Bruno Latour en Michel Foucault. Van hen heeft hij geleerd dat het morele actorschap niet aan de mens kan worden toegekend omdat handelingen dikwijls niet alleen voortkomen uit de motieven of de wil van de mens, maar ook gestuurd worden door de techniek. Zoals verkeersdrempels de autobestuurder dwingen om langzamer te rijden, zo ligt er aan allerlei technische objecten een sturende rol ten grondslag. Dit betekent niet dat de techniek de menselijke handelingen vastlegt, maar wel dat het morele actorschap niet alleen in de mens gevonden kan worden maar pas gestalte krijgt in een samenspel van mens en techniek.

Verbeek heeft zijn boek de mooie, poëtische titel Op de vleugels van Icarus meegegeven, maar eigenlijk is de keuze voor Icarus in deze titel enigszins misleidend. Icarus, zoals de auteur uitlegt, is immers degene die te hoog reikt en in zijn gebruik van de techniek ten onder gaat aan de hubris of hoogmoed van de mens die meent zonder enig gevaar meester te zijn over de techniek. Belangrijker dan Icarus is Daedalus voor Verbeeks betoog: de auteur begrijpt de techniek namelijk niet eenzijdig vanuit het gevaar van de hoogmoed en het gebrek aan matigheid, maar eerder vanuit Daedalus, de vader van Icarus. Anders dan Icarus, staat de naam van Daedalus voor zowel de ontwerper als de omzichtige en gematigde omgang met de techniek, die noch een laffe noch een hoogmoedige omgang voorstaat. Het zijn dus de vleugels van Daedalus waar Icarus mee vliegt en die hij verkeerd gebruikt.

De keuze voor de vader in plaats van de zoon zou bovendien goed hebben gepast bij Verbeeks pleidooi voor een meer paternalistische omgang met de techniek. Omdat de moraal in de techniek staat ingeschreven, is het beter om de techniek niet alleen aan de technologen of designers over te laten, maar om de technologische ontwikkeling gepaard te laten gaan met een ethische overdenking en bij het ontwerpen van technologie te overwegen welke levenswijze door de techniek gestimuleerd moet worden. Al kan men nooit precies voorspellen hoe een nieuwe technologie in de samenleving zal functioneren – daar komt men alleen al doende achter – toch kan men wel op mogelijke omgangsvormen met de nieuwe technologie anticiperen. Daar ligt een belangrijke taak voor de techniekfilosofie als techniekethiek. 

Precies door zijn aandacht voor het paternalisme in de techniekethiek zal Verbeeks betoog ongetwijfeld bekritiseerd worden, maar Verbeeks prikkelende opvattingen over techniek lijken juist op dit punt sterk te staan omdat het hier misschien minder om paternalisme gaat als om de vraag wie verantwoordelijkheid voor de maatschappelijke doorwerking van de techniek op zich neemt: als techniek inderdaad tot allerlei nieuwe omgangsvormen met de wereld en met elkaar leidt, is het dan niet de taak van de ontwerper om na te denken over de morele gevolgen van de techniek voor onze maatschappij?