Home Waarom woorden ook daden zijn

Waarom woorden ook daden zijn

Door Jannah Loontjens op 20 augustus 2018

Waarom woorden ook daden zijn
Cover van 09-2018
09-2018 Filosofie magazine Lees het magazine

Een geliefde die meer belooft dan hij waarmaakt, richt met zijn woorden wel degelijk iets aan. Judith Butler leerde Jannah Loontjens inzien hoe dat komt.

Ooit had ik een korte relatie met een man die bijzonder goed was in het verwoorden van zelfinzichten en toekomstplannen. Het duurde enige tijd voor ik zag dat zijn gedrag niet bepaald met deze zelfinzichten overeenkwam. Zo noemde hij zichzelf openhartig en betrouwbaar, en stelde hij dat hij het geleende geld beslist gauw terug zou betalen, of hij beloofde minder om aandacht te zeuren als ik zat te schrijven – maar van deze voornemens kwam nooit iets terecht.

Tekst loopt door onder afbeelding

Fotografie: Martin Dijkstra

Iemand zei: ‘Kijk niet naar wat hij zegt, maar naar wat hij doet.’ Op zich een goed advies, maar wat hierbij over het hoofd wordt gezien is dat ook zijn beloftes een vorm van gedrag zijn. Hoewel zijn uitspraken weinig te maken hadden met wat hij concreet deed, beïnvloedden die uitspraken toch ook de werkelijkheid. Eerst stelden zijn vrolijke beloftes me gerust. Ze schiepen verwachtingen en creëerden een toekomstbeeld, en uiteindelijk vormden ze een reden voor ergernis.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Een filosoof die zich bij uitstek heeft beziggehouden met de verschillende wijzen waarop taal in de werkelijkheid ingrijpt is Judith Butler. Deze Amerikaanse filosoof bekijkt hoe taal identiteiten bestendigt en afbreekt. Haar teksten deden me inzien hoe uitspraken die níét in letterlijke zin waargemaakt worden wel degelijk ook iets doen.

Kwetsen

Butler werd in de jaren negentig bekend met haar boeken over gender en seksualiteit. Daarin kwam haar belangstelling voor de werking van taal al naar voren waar het ging om de vraag wat het betekent om jezelf ‘man’ of ‘vrouw’ te noemen – zowel voor degene die zich in een van deze categorieën thuis voelt als voor degene die zich er niet in thuis voelt. De rol van taal en de invloed ervan op onze identiteit en onze maatschappelijke positie breidt Butler uit in haar boek Opgefokte taal, waarin ze de vraag behandelt wat het betekent om door taal gekwetst te worden.

Butler schrijft dat de dreiging om iemand pijn te doen weliswaar niet samenvalt met het uitvoeren van het dreigement, maar tegelijkertijd zou het ‘een vergissing zijn daaruit op te maken dat dreigen alleen in taal plaatsvindt en de handeling waarmee gedreigd wordt juist volledig buiten taal plaatsvindt’. Ook als er geen gevolg wordt gegeven aan de dreiging, is die dreiging een vorm van ‘doen’, bijvoorbeeld van bang maken. Onder de noemer van vrijheid van meningsuiting worden veel taaluitingen verdedigd, terwijl we ze ook als kwetsende ‘daden’ kunnen beschouwen. Butler onderzoekt wanneer taalhandelingen strafbaar zijn en wanneer ze juist onder de vrije markt van ideeën vallen.

We zijn gewend om spreken en doen van elkaar te scheiden. Zoals ook degene deed die me aanraadde mijn partners gedrag te beoordelen en niet zomaar zijn woorden te geloven. We kennen ook niet voor niets het gezegde ‘Makkelijker gezegd dan gedaan’. Het onderscheid tussen doen en spreken grijpt terug op het traditionele onderscheid tussen lichaam en geest: het uitvoeren van een handeling wordt doorgaans als een lichamelijke aangelegenheid gezien en spreken als iets van de geest.

Aan de hand van theorieën van de taalfilosoof John Langshaw Austin maakt Butler duidelijk dat er eigenlijk helemaal geen helder onderscheid tussen ‘doen’ en ‘spreken’ te maken valt. Austin was van mening dat filosofen lange tijd naar taal hadden gekeken alsof we woorden enkel gebruiken om de wereld te beschrijven. Volgens hem was er evenwel een verschil tussen beschrijvende taaluitingen en taaluitingen die als handelingen gezien kunnen worden. Een voorbeeld hiervan is dat een ambtenaar de woorden uitspreekt: ‘Dan verklaar ik dat jullie nu in de echt met elkaar zijn verbonden.’ Op dat moment worden twee mensen gehuwd en is de uitspraak een ‘taaldaad’. Austin noemt dergelijke talige uitingen ‘performatief’ (in het Engels is performative afgeleid van to perform, ‘uitvoeren, verrichten, doen’). Maar Judith Butler zegt: eigenlijk zijn alle taaluitingen performatief. Je verandert of creëert met elke uitspraak iets in de wereld.

Ook als het uitspreken níét samenvalt met de daad die je beschrijft, heeft de uitspraak effect op de werkelijkheid. Denk aan de beloftes die mijn toenmalige geliefde me deed: juist doordat hij ze niet nakwam, werden het daden die ergernis opwekten. Woorden genereren constant gevoelens, verwachtingen en beelden. Als je bijvoorbeeld iemand als een bijzonder intelligente vrouw beschrijft, heeft dit invloed op hoe zij wordt gezien. Sterker nog: überhaupt iemand als man of vrouw beschrijven is performatief en bevestigt een onderscheid tussen individuen. Als ik mezelf schrijver noem, of filosoof, creëer ik een ander beeld van mezelf dan wanneer ik mezelf als moeder beschrijf. Taal grijpt voortdurend in de wereld in.

Austin onderscheidt twee soorten taalhandelingen: ‘illocutionaire’ en ‘perlocutionaire’. Butler schrijft: ‘In het eerste geval gaat het om taalhandelingen die bij het zeggen ook doen wat ze zeggen (bijvoorbeeld: “Hierbij open ik de vergadering”). De illocutionaire taalhandeling is zelf de daad die ze bewerkstelligt, terwijl de perlocutionaire taalhandeling slechts tot gevolgen leidt die niet gelijk zijn aan de taalhandeling.’

Als je iemand openhartig en betrouwbaar noemt, zoals mijn vroegere vriend zichzelf beschreef, is dit een perlocutionaire taalhandeling. De persoon wordt er helaas niet meteen betrouwbaar van, maar de beschrijving schept een beeld dat beïnvloedt hoe we hem zien. Taal werkt op deze wijze voortdurend in op onze verbeelding en gevoelens.

Je kunt mij met een enkele opmerking aan het blozen krijgen, of zorgen dat ik me schuldig voel, hoopvol of gekwetst. Wanneer het kwetsen evenwel strafbaar wordt en als geweld kan worden geïnterpreteerd blijft een lastige vraag. Dat het zo moeilijk is om dit vast te stellen, komt doordat de mate waarin bepaalde woorden ‘pijn’ doen ook altijd afhangt van wie de woorden interpreteert. Welbeschouwd kan eenzelfde opmerking zowel kwetsen, intimideren als verleiden. De simpele woorden ‘Ik heb zin in je’ kunnen in een benarde situatie beklemmen, of, als je de verlangens deelt, juist opwindend zijn, nog vóórdat je daadwerkelijk bent aangeraakt.

Het heeft geen zin om bepaalde opmerkingen strafbaar te maken of op andere wijze taal te censureren. Het gaat er veeleer om dat we opmerkingen ook als handelingen zien en misleidende of beledigende uitingen niet zomaar wegwuiven, omdat het ‘maar’ om taal gaat.