Home Voorbij het marxisme omwille van menselijke waardigheid

Voorbij het marxisme omwille van menselijke waardigheid

Door Jacques de Visscher op 09 september 2015

Voorbij het marxisme omwille van menselijke waardigheid
Cover van 03-2015
03-2015 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

In het afscheid der ideologieën leverde Leszek Kołakowski een belangrijke bijdrage met zijn kritiek op het marxisme. Volgens Jacques De Visscher blijft deze kritiek filosofisch relevant. Want hebben we het marxisme als eenheidsdoctrine opgegeven, we schijnen het hiermee verbonden materialistisch sciëntisme te bewaren, waarmee we tegelijk nog onvoldoende ruimte kunnen geven aan belangrijker vragen en aan de betekenis van het christendom voor de Europese cultuur.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Communisten en orthodoxe marxisten hebben in de tweede helft van de vorige eeuw, vanaf het begin van de jaren zestig tot de val van de Berlijnse muur, Leszek Kołakowski van ideologische afvalligheid beschuldigd. Hij was een renegaat die zijn geloof had afgezworen en zich bij het geloof van de vijand had aangesloten. Zoiets is ook anderen overkomen. Kołakowski’s filosofische en levensbeschouwelijke levensloop is dus geenszins uniek, niettemin een exemplarisch verhaal. Het is de geschiedenis van een veelbelovende, enthousiaste, intelligente student die niet verwezenlijkt wat zijn leermeesters van hem verwachten. Mijlpalen in zijn biografie vertonen zowel beslissende momenten in een opgang en een neergang. Na het instorten van het naziregime wordt Kołakowski lid van de communistische partij van zijn land, Polen, dat vreselijk onder Duitse bezetting had geleden. De partij, als institutie de grote rivaal van de Katholieke Kerk, stoomt hem klaar om in de maatschappij een leidende intellectuele rol te spelen. Tegelijk zou hij opklimmen tot het hoogste ideologische niveau in de partijhiërarchie – zoals zijn academische mentor Adam Schaff (1913-2006) dat had voorzien. Er wordt gewerkt aan zijn opleiding; binnen de partij krijgt hij de nodige faciliteiten, mag hij voor zijn ideologische vervolmaking naar de Moskouse Lomonosow-Universiteit en kan hij binnen het studiecentrum van de partij zijn dissertatie over Spinoza schrijven, een werkstuk dat dan door de faculteit filosofie van de Universiteit van Warschau als proefschrift wordt aanvaard. Na enkele linientreue publicaties gericht tegen burgerlijke academici en katholieke filosofische strekkingen, begint echter een twijfel aan zijn intellectueel geweten te knagen: het was allemaal niet zo ernstig en zo goed gefundeerd wat hij tot nog toe had geschreven. Ook overtuigde het filosofische gehalte van de officiële partij-ideologen en de politieke integriteit van de partijleiders hem niet langer. Hij wordt sceptisch en waagt zich aan een niet-dogmatische interpretatie van het vroege (wijsgerige) werk van Marx, de zogenaamde Frühschriften om hem voor het humanisme te recupereren. Kritiek van de officiële partij-ideologen blijft niet uit. Kołakowski evolueert van een trouwe medestander in de partij naar een nog steeds geëngageerde, maar kritische toeschouwer die aan de zijkant pogingen onderneemt om die communistische partij te hervormen. Wat niet lukt. De partijleiders zien in hem een renegaat, maar tolereren hem voorlopig als een invloedrijke filosofieprofessor die bovendien door de Duitse vertaling van een aantal essays, Der Mensch ohne Alternative, in 1960 internationale erkenning heeft gekregen. Hij kan zich niet handhaven. Hij wordt in 1966 uit de partij gestoten. Na wat zwerven in het buitenland vindt hij in het Oxfordse All Souls College in 1970 een comfortabel toevluchtsoord.
 
Kołakowski’s ideologiekritiek is niet te herleiden tot een verzet tegen een despotische politieke partij, de Poolse communistische partij die onder voogdij van de Sovjet-Unie bleef staan. Was hij op een bepaald ogenblik ontgoocheld in wat hij de ‘verkerkelijking’ van de communistische partij noemde, een klerikaal systeem van geestelijke onderdrukking, zijn kritiek reikte verder. Hij ontvouwde in toenemende mate een historische en wijsgerige kritiek op het marxisme.
 
Historische kritiek
Voor Leszek Kołakowski zijn ten minste vijf aangekondigde belangrijke omwentelingen in de ontwikkeling van het historische materialisme niets minder dan hersenschimmen gebleken. Ze zijn het gevolg van een wensdenken dat in geen enkel opzicht op wetenschappelijkheid aanspraak kan maken. Hebben de aanhangers van het marxisme zo vaak gesteld dat het tijdperk van het utopische socialisme voorbij is en dat nu het tijdperk van het wetenschappelijke socialisme is aangebroken, van de met ‘objectieve zekerheid’ aangekondigde omwentelingen en revoluties is niets terecht gekomen. In zijn essay ‘What Is Left of Socialism’ vat Kołakowski (2012, p. 65-66) deze onhaalbaar gebleken profetieën samen. In zijn monumentaal standaardwerk, Geschiedenis van het marxisme (1980/81), geeft hij met talrijke monografieën over figuren, bewegingen en strekkingen, een heel uitvoerig verslag over het ontstaan, de ontwikkeling en de ontbinding van de marxistische eenheidsdoctrine. 

Vooreerst zou de polarisering tussen de klassen toenemen en zou de middenklasse verdwijnen. Veeleer het tegendeel is geschied. De groep der arbeiders wordt kleiner terwijl de middenklasse sterk aangroeit.
 
Vervolgens zou de arbeidersklasse in toenemende mate armer worden. Nog nooit is de koopkracht van die klasse zo groot geweest.
 
Ten derde voorzag Marx de onvermijdelijke proletarische revolutie. Nergens heeft die plaats gehad, wel waren er in de voorbije eeuw arbeidsopstanden die aanleiding hebben gegeven tot de val van een regime, zoals de Solinarność-beweging in Polen het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw, maar dat waren geen proletarische revoluties. Ook de ‘Russische revolutie’ was geen communistische omwenteling die de arbeiders aan de macht bracht, maar veeleer een sociale opstand waarvan bolsjewisten via een putsch gebruikgemaakt hebben om de dictatuur van een partijoligarchie te installeren (Kołakowski, 1980, II, p. 545 ev).
 
Ten vierde voorspelde Marx het onvermijdelijke einde van de heerschappij van het winstbejag en bijgevolg de teloorgang van de kapitalistische economie. Ook die profetie werd niet bewaarheid.
 
Ten slotte heeft de aangekondigde belemmering van de technologische efficiëntie van de markt niet plaats gehad, integendeel. De markt blijkt de technologische vooruitgang tot ongekende bloei te hebben gebracht. Hebben alle communistische staten in hun hervormingen niet de weg naar de markt teruggevonden en hebben zij op die manier het kapitalisme niet (ten dele) hersteld?
 
Er is nog meer dat het marxisme historisch en sociologisch ongeloofwaardig maakt. De afhankelijkheid van de culturele bovenbouw (kunst, recht, religie, wijsbegeerte) van de materiële onderbouw (de productieverhoudingen) is in haar strenge interpretatie niets anders dan een verzinsel. Er kan hier geen sprake zijn van een wetenschappelijk te verifiëren wetmatigheid, maar van een speculatieve constructie. Een reductionisme overwoekert de bewering dat kunst en religie geen eigen geschiedenis kennen, waarvan we de inhoud en de beleving gewoon kunnen herleiden tot en verklaren door hun materiële voorwaarden. Een afgezwakte interpretatie van die onderbouw/bovenbouw-gedachte, vaak verhuld in het containerbegrip ‘een proces van dialectische afhankelijkheden’, is daartegenover niets anders dan een gemeenplaats. In alle culturen hebben sociaaleconomische omstandigheden een invloed op andere aspecten van de cultuur uitgeoefend. Dit inzicht is al eerder geformuleerd en is geen verworvenheid van het marxistische socialisme.

Nu besluit Kołakowski hieruit niet dat we voortaan moeten ophouden Marx te lezen. Het is niet omdat de Duitse filosoof geen oog kon hebben voor bijvoorbeeld de ecologische problemen van de twintigste en eenentwintigste eeuw, voor de gevolgen van het kolonialisme en de opkomst van het neokolonialisme, voor de gigantische commerciële en industriële globalisering, dat hij uit onze bibliotheek en uit het auditorium moet verdwijnen. Zoals Aristoteles en Descartes behoort Marx tot onze intellectuele cultuur en verdient hij het dat wij hem lezen en bestuderen. Zoals Darwin en Freud is zijn invloed op het Europese culturele en intellectuele leven niet weg te denken. Ook moeten we niet ophouden Marx te lezen, omdat despotische regimes in de twintigste eeuw een moorddadig beleid hebben gevoerd dat ze met marxistische slogans hebben gemotiveerd. Zelfs al is het leninisme ‘een’ interpretatie van Marx’ leer, het leninisme vloeit niet automatisch voort uit het marxisme als ideologie (1980, p. 492; 1981, p. 568).
 
Is er een socialisme dat ontsnapt aan de marxistische ideologie? In de negentiende en twintigste eeuw treffen we socialistische bewegingen en theorieën aan die met Marx zelf of met de aanspraken op het marxisme door Lenin en de Sovjetideologen nauwelijks iets te maken hebben. Voor veel socialismen is Marx niet incontournable. Of we socialisme nodig hebben hangt voor een deel af van hoe we ‘socialisme’ omschrijven. Gaat het om een alternatief voor de kapitalistische staat door de nationalisering van het bedrijfsleven, de installatie van de absoluut gelijke toegang van iedereen tot alle rijkdommen van de cultuur, de economie en de natuur, dan klinkt dit heel idealistisch. In de praktijk leidt dit echter tot de uitbouw van een nietsontziend controlesysteem. Dan belanden we in de totalitaire politiestaat, zoals Lenin, Trotski en Stalin die hebben voorzien en uitgewerkt in Rusland. Het is het politieke systeem dat met de massale deportaties, de terreur en de Goelag archipel, waar méér dan in de nazikampen miljoenen mensen werden gedood, geenszins aan het ideaal van het geluk door arbeid in broederschap en gelijkheid beantwoordde. Dit Sovjetregime is dan ook later geïmplodeerd. Dit systeem is niet het socialisme dat mensen als Jean Jaurès, Filippo Turati of Emile Vandervelde voorstonden. Zij dachten daarentegen in de eerste plaats aan de praktische sociale rechtvaardigheid via de algemene gezondheidszorg, het seculier onderwijs voor iedereen, de afbraak van de sociaaleconomische discriminatie en uitbuiting, aan de gelijkberechtiging van de vrouwen en aan de persvrijheid; zij verzetten zich tegen het militarisme en het nationale chauvinisme en hielden zich ver weg van het communistische totalitarisme.
 

Wijsgerige kritiek

Kołakowski’s kritiek op het historische en politieke marxisme is, hoewel niet origineel, toch terecht. Talrijke intellectuelen hebben analoge bezwaren geuit, maar niet alle aanhangers van Links die het communisme als politiek ideaal hebben omarmd, hebben ingezien en toegegeven dat ze fout waren of zich hebben vergist. Belangrijker zijn Kołakowski’s bezwaren tegen de filosofische vooropstellingen van het marxisme die we eveneens buiten het marxisme aantreffen. Vaak worden ze als gemeengoed in academische kringen aanvaard en via de media als onwrikbare waarheden verspreid. Kołakowski noemde die denkbeelden fetisjen (Kołakowski, 1969). Het is vooreerst de rotsvaste overtuiging dat binnen de ontwikkeling en vooruitgang van de wetenschap in beginsel alles wat zich voordoet te verklaren is. De werkelijkheid, per definitie bestaand uit mechanismen en processen, is fysisch materieel. Haar dynamiek bestaat uit een eindeloze keten van oorzaken en gevolgen, ingebed in een ontwikkelingsgang van langzame kwantitatieve verschuivingen waarbij door mutaties ‘dialectische sprongen’ voorkomen waarin kwalitatieve verandering optreedt. Uiteindelijk krijgt ze haar afbeelding in de verifieerbare objectieve kennis, de enige die aanspraak op geldigheid kan maken. Bijgevolg verwijst zij artistieke uitbeeldingen, geloofsovertuigingen, metafysische theorieën, mythen, poëtische evocaties, religieuze inzichten en de ‘verstehende’ humaniora, die onder geen beding betrouwbare informatie bieden, naar het rijk der subjectivistische verzinsels. Misschien kunnen die wel eens een psychologisch/therapeutisch effect of nut hebben, maar echte kennis bieden zij niet. Wat is, is materieel. Met dit materialisme gaat determinisme gepaard. Alles is onderhevig aan de wetten van de materiële dynamica die de loop van de geschiedenis, en daarbinnen, de loop van het maatschappelijk gedrag van de mens bepaalt.
 
Kołakowski noemt deze vooropstellingen een kluwen van speculaties waaraan (marxistische) materialisten zich hardnekkig vastklampen alsof het om onaantastbare en zelfs te vereren fetisjen gaat. De aanhangers van deze onbewezen en niet te bewijzen metafysische a priori’s realiseren zich niet dat deze denkbeelden hun wortels hebben in eeuwenoude mythische en theologische visies (Kołakowski, 1968, p. 230-254; 1969, p. 166-185). De geschiedenisfilosofie die de orthodoxe marxisten met dit dialectisch materialisme verbinden is sterk verwant met zowel de goddelijke rechtvaardiging van de geschiedenis (theodicee) als met de eschatologische opvattingen (opvattingen met betrekking tot het einde der tijden) binnen het christendom. Er is natuurlijk het grote verschil dat voor de christelijke heilsleer de totale bevrijding niet van deze wereld is, terwijl het marxisme, naast haar voorspelling van een aantal sociaaleconomische omwentelingen, een communistische ideaalstaat in het vooruitzicht stelde die zich hoe dan ook in het aardse bestaan zou realiseren (en niet in een hemels paradijs), onafhankelijk van wat de mens zelf zou willen. Dat onderscheid houdt ook in dat in het christendom het onkruid pas na het einde der tijden wordt verbrand (Mtt. 13:24-30), terwijl voor de seculiere heilsleer het onkruid nu al eten worden uitgeroeid – daarvoor dienden de Siberische en Chinese kampen.
 
Kenmerkend voor de marxistische ideologie is, volgens Kołakowski (2005, p. 45-61) haar mystificatie van de zelfidentiteit, te realiseren in de toekomstige eenheid van de mens, een gedachte die voorhoudt dat de tegenstelling tussen het onvolmaakte heden en de volmaakte toekomst zal verzoenen in een ideaalstaat, in de nieuwe geschiedenis en in de nieuwe mens, bevrijd van elke vervreemding. Het is een droom, zo schrijft de Poolse filosoof, die zijn wortels heeft ‘in het bewustzijn van de kloof waaronder wij als mensen lijden sinds de oorsprong van ons bestaan, toen de mensheid ontsteeg aan haar dierlijke onschuld’ (2005, p. 61).
 
Het marxisme was de grootste fantasie van de twintigste eeuw, zo besluit Kołakowski in zijn gigantisch ideeënhistorisch werk over de hoofdstromingen van het marxisme (1981, p. 565). De recente geschiedenis heeft geleerd dat de droom van een volmaakt één-geworden maatschappij in socialistische zin in elkaar is gestort. Het was een utopistische gedachte te geloven in een metafysica en te ijveren voor een politieke economie van de algehele verzoening van alle menselijke aspiraties en waarden. Tegelijk schrijft Kołakowski dat de bewering dat het marxisme een fantasie was, nog niet betekent dat het niets anders dan fantasie was. Hij maakt een onderscheid tussen het marxisme als een tot op zekere hoogte interessante interpretatie van de geschiedenis van de culturele en economische verschijnselen en het marxisme als politieke ideologie die in haar extreme en dogmatische varianten en vormen (het leninisme, stalinisme, maoïsme) een monster heeft gebaard. Deze doctrine heeft, ondanks de miljoenen (vergeten) slachtoffers van het communisme in de twintigste eeuw een enorme aanhang gekend. Hoe komt dat? Is het omdat we in onze groeiende geseculariseerde tijd nood schijnen te hebben aan een blind vertrouwen in een prachtige wereld van totale bevrediging, die om de hoek op de mensheid staat te wachten?
 

De eigen positie

Het marxisme als een profetische en utopistische eenheidsdoctrine staat mijlenver van een idee van het democratisch socialisme dat zich niet tot taak stelt de religies te vervangen, zoals de marxistische ideologen dit hebben willen doen. Een democratisch socialisme onderneemt daarentegen (in beginsel moeizaam) pogingen om de armoede te overwinnen, de ongelijkheden te verminderen, de vrijere toegang tot degelijk onderwijs te bevorderen, de productie omwille van de productie ongedaan te maken, het gulzige winstbejag van een groep ondernemers ten koste van diegenen die bijdragen in het succes van de onderneming aan banden te leggen.
 
Heeft Kołakowski zich buiten de marxistisch communistische beweging geplaatst, hij heeft zich niet van het socialisme afgewend. In een zekere zin werd hij een ‘socialist zonder partij’ die tot het einde van zijn leven overtuigd bleef van het belang van de socialistische idee. Daarbij dacht hij niet aan om het even welk socialisme. Wel aan het socialisme waarin de ‘sociale rechtvaardigheid’ centraal staat, een ideaal dat we volgens hem echter niet in louter economische termen kunnen bepalen. Socialisme als een sociale of morele filosofie is gebaseerd op het ideaal van ‘broederschap’, dat we niet via institutionele middelen verwezenlijken. Broederschap en solidariteit met geweld doordrukken leidt tot een monsterachtig en huichelachtig beleid, een systeem van leugens, aldus Kołakowski. Voor hem hebben we niettemin een socialisme nodig om naast de bestrijding van de uitbuiting de economische vrijheid te controleren en aan banden te leggen – al betekent dit een uitbreiding van de bureaucratie en een inperking van de vrijheid van het bedrijfsleven. Deze beweging heeft in de loop van de geschiedenis belangrijke successen gehaald. Daarom hoeven we nog geen aanhangers te zijn van het marxisme dat aan de zelfvergoding van de mens uitdrukking heeft willen geven. Ook moeten we daarom geen geloof hechten aan wat Karl Marx voor de geschiedenis van de mensheid heeft voorspeld. Kołakowski pleit wel voor de geduldige en geleidelijke inspanningen om bij te dragen tot de sociale emancipatie van de burgers. Nu zijn al deze inspanningen en pogingen hopeloos en leveren ze niets op, zo schrijft hij, ‘als de waarden van de vrijheid (de ‘negatieve’ vrijheid die Marx veroordeelde, dus de vrijheid die gemeten wordt aan het beslissingsgebied dat de sociale organisatie aan het oordeel van het individu overlaat) niet hun onvervreemdbare kern vormt. Niet alleen omdat vrijheid de voorwaarde is waaronder de maatschappij in staat is tot zelfcorrectie (despotische systemen die zelfregulatiemechanismen ontberen, zijn alleen als gevolg van catastrofen in staat hun fouten te corrigeren) (1981, p. 571; ook 1990, p. 226-227).
 
Naast zijn stelling dat de marxistische eenheidsdoctrine de godsdienst of de religie niet kan vervangen door de uiteindelijke existentiële vragen over de zin van het bestaan, over de betekenis van het kwaad en over de ervaring van het heilige voor te stellen als fenomenen die zich historisch materialistisch laten oplossen, vinden we bij Kołakowski een pleidooi om nu juist aan het fenomeen religie de nodige aandacht te schenken. Religie is inherent aan de menselijke werkelijkheid en laat zich in haar bijzonderheid niet tot een of andere culturele of sociale functie herleiden (1987, 2015). Natuurlijk vraagt hij hierbij niet van de religies in het algemeen en van de Kerk in het bijzonder dat zij de politieke ideologieën zouden vervangen. De beide domeinen hebben hun taak en het is deze van de religie – en voor Europa denkt de Poolse filosoof in de eerste plaats aan het christendom – dat zij tegemoet komt aan de spirituele noden van de mens zonder eerst en vooral aan de zelfverheerlijking van haar instituut te denken. Haar rijk is niet van deze wereld. We hebben daarom geen behoefte aan een Kerk die politieke of seksuele hervormingen predikt, maar die de mens herinnert aan zijn condition humaine die zo goed in het Bijbelse verhaal van de zondeval en in de traditie van de erfzondeleer is verwoord. Nee, het gaat niet om een christendom dat goud, paars of rood is, maar grijs (1990, p. 85).
 
Literatuur

  • Kołakowski, L. (1968). De mens zonder alternatief. Amsterdam: Moussault.
  • Kołakowski, L. (1969). Over de sterfelijkheid van de rede. Filosofische essays. Amsterdam: Moussault.
  • Kołakowski, L. (1980/deel I en II, 81 voor deel III). Geschiedenis van het marxisme. Drie delen. Utrecht-Antwerpen: Het Spectrum.
  • Kołakowski, L. (1987). Religie. Stel: er is geen God… over God, de duivel, zonde en andere perikelen van de zogenaamde filosofie van de religie. Hilversum: Gooi & Sticht.
  • Kołakowski, L. (1990). Modernity on Endless Trial. Chicago: The University of Chicago Press.
  • Kołakowski, L. (2005). My Correct Views on Everything. South Bend: St. Augustine’s Press.
  • Kołakowski, L. (2007). Wilt u achteruit naar voren gaan! Essays van een conservatief-liberaal-socialist. Kampen: Klement.
  • Kołakowski, L. (2009). Waarom is er iets en niet niets? Kernvragen van de westerse filosofie in 30 filosofische portretten. Kampen: Klement.
  • Kołakowski, L. (2012). Is God Happy? Selected Essays. Londen: Penguin.
  • Kołakowski, L. (2015). Jezus. Een apologetisch en sceptisch essay. Zoetermeer-Kalmthout: Klement-Pelckmans.