Home Verkwist

Verkwist

Door Stephan Sanders op 23 september 2015

Cover van 10-2015
10-2015 Filosofie magazine Lees het magazine

Na lezing van Marcel Mauss’ Essay over de gift begrijpt Stephan Sanders opeens waarom er altijd in de armste buurten het meeste vuurwerk wordt afgestoken.
 

Als uitgangspunt: de verwondering over het dagelijkse leven. En daar dan proberen een verklaring voor te vinden. Zo simpel moet de taakopvatting van Marcel Mauss (1872-1950) zijn geweest, de Franse wetenschapper die als een van de pioniers van de sociale wetenschappen de grenzen aftastte van wat nu te boek staat onder verschillende namen: etnologie, sociologie, psychologie, geschiedenis, politicologie, religiewetenschap en (rechts)filosofie.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Zijn essay ‘Sur le don’ (nu in vertaling verschenen als Essay over de gift) uit 1925 is uitgegroeid tot een klassieker, en daarmee bedoel ik dat de tekst relatief oud is, maar niet verouderd. Daarom twee voorbeelden uit het hier en nu, twee observaties van mezelf, die pas na lezing van het essay van Mauss begrijpelijk werden.
 

Twaalf bruidsmeisjes

Vanaf mijn jeugd heb ik me verbaasd over de ongeschreven regels van het vuurwerkritueel rond Oud en Nieuw. Opgegroeid in een Twents dorp, in een middenklassegezin, trof het me dat de grootste vuurwerkshow altijd te zien was in de armste buurt: het zogenaamde ‘rooie dorp’, waar mensen woonden die de naam hadden arm en ook ‘asociaal’ te zijn, maar die kennelijk wel het meeste geld besteedden aan vuurpijlen en knallers. In een paar uur gingen daar een of twee maandinkomens de lucht in. Zinloze verkwisting, toch?
 
Een daarmee samenhangend fenomeen, ook bekend van Amerikaanse reality-tv series als Bridezillas: de grootste trouwpartijen, waarbij vijfhonderd gasten worden uitgenodigd en twaalf bruidsmeisjes in onmogelijke maar op elkaar afgestemde draperieën in het gelid staan, vinden steevast plaats in of zeer rijke of zeer arme milieus. Woonwagenfamilies, Afro-Amerikanen die voor één dag het getto ontstijgen om daarna weer verder te leven op voedselbonnen. Hoe verhoudt hun karige dagelijkse praktijk zich tot die ene orgie van feest en geldsmijterij?
 

Niet primitief, wel archaïsch

Mauss toont zich in zijn essay een archeoloog van de economie: hij laat zien dat net onder het moderne, economische oppervlak, waar het rendementsdenken oppermachtig is – hoe actueel kan je zijn – een oudere laag aanwezig is, waarbij niet koop, verkoop en geld centraal staan, maar de ruil van geschenken en giften. Aan de hand van etnografische studies over gemeenschappen in Polynesië, Melanesië en Noord-Amerika komt zo de voorganger in beeld van de huidige ‘homo economicus’, de mens die zijn behoeften bevredigt op een efficiënte en rationele manier. Die voorganger is niet per se primitief, maar eerder archaïsch, volgens Mauss: zijn leefwereld is die van de ruileconomie, waarbij de gift het cement is dat zorgt voor gemeenschapsvorming. Het ogenschijnlijk vrijwillig gegeven geschenk verplicht de ontvangende partij tot een tegengift, de ontvanger heeft als het ware een ‘schuld’ uitstaan die ingelost moet worden, en door deze uitwisseling van prestatie en tegenprestatie worden de sociale verbanden tussen beide partijen bevestigd. 
 

Potlatch-partijtje

Allemaal hoogst interessant, zoals het eraan toeging bij bijvoorbeeld de Kwakiutl-indianen in Noordwest-Amerika, maar Mauss’ ambitie reikt verder. Want hij ziet sporen van dit archaïsche verleden in het heden: ‘We zullen vaststellen dat deze moraal en deze economie in onze samenleving nog steeds van kracht zijn en er in zekere zin ondergronds functioneren.’ Er zit dus smokkelwaar in onze moderne economieën: restanten die we niet kunnen begrijpen wanneer we ze alleen maar duiden in termen van nut en utiliteit.
 
Een van de duidelijkste voorbeelden van zo’n overblijfsel is het fenomeen van de ‘potlatch’ – een feestelijk ritueel dat indianenstammen in Noordwest-Amerika gewoon waren op te voeren. Het woord zelf is ook tegenwoordig nog steeds in zwang: jaren geleden gaf ik les aan een universiteit in Minneapolis, de stad in Amerika met het hoogste percentage Native Americans, en inderdaad, daar werd ik voor een ‘potlatch’ uitgenodigd. Dat klonk exotisch, maar bleek in de praktijk gewoon een partijtje in de openlucht waarbij iedereen werd geacht zelf eten en drank mee te nemen. En er waren de onvermijdelijke gitaren en liedjes van Jim Croce.
 
Een heel verschil met de traditionele potlatch, zoals die gewoon was tot aan het einde van de negentiende eeuw: vergeet de hippie-achtige vredigheid en stel je een bijeenkomst voor van rivaliserende stamleiders, waarbij het feest dat door de uitnodigende leider wordt gegeven tegelijkertijd een gift is en een wapen. Een gift; de tegenpartij wordt gefêteerd op grote hoeveelheden voedsel, er wachten hem uitzinnige geschenken en de bedoeling is door middel van overvloed de rivaal te intimideren en te bedwelmen. 
 

Giftige gift

Verkwisting is daarbij een essentieel onderdeel; veel van het voedsel en de goederen wordt na afloop vernietigd, om maar duidelijk te maken dat de uitnodigende partij het zich kan permitteren de schaarste en de zuinigheid achter zich te laten. Het was ook niet ongewoon dat er slaven werden doodgeknuppeld en dat stamleiders de confrontatie zochten en elkaar doodden, want juist de vernietiging van het eigen ‘bezit’ gaf des te scherper de superieure positie van de gastheer aan. De bedoeling van dit alles was om de rivaliserende stam tot een gelijksoortig feest te verplichten, op straffe van prestigeverlies. Hier zien we de oorlogsstrategie achter het feest, het geschenk als wapen. Bondig gesteld: de gift is giftig. Het geschenk gaat zwanger van het eigenbelang. 
 
Mauss legt zo bloot dat er ook in onze economie niet alleen sprake is van een handelswaarde, maar ook van een gevoelswaarde. Hij herinnert zich een dorpsfamilie uit zijn eigen jeugd in het Franse Lotharingen, arme lui die in het dagelijks leven zo zuinig mogelijk waren, maar die ‘zich voor haar gasten ruïneerden bij een hoogfeest, een bruiloft, een eerste communie of een begrafenis. Bij zulke gelegenheden hoort men de grote meneer uit te hangen. We kunnen rustig beweren dat dit de houding is van een deel van ons volk, dat handenvol geld uitgeeft voor gasten, feesten, kerstgeschenken.’
 

Röntgenfoto

En zo komen ook mijn eigen herinneringen weer in beeld: de vuurwerk-orgieën in het minst welvarende deel van het dorp; de arme, Amerikaanse monsterbruiden die eindeloos sparen en sappelen om het surplus op een dag erdoorheen te jagen. Ook bij dergelijke gelegenheden is het niet ongewoon dat de feestelijkheden uitlopen op een handgemeen, al is het mensenoffer als geschenk inmiddels afgevoerd van het repertoire.
 
Mauss schetst de grote, historische ontwikkeling: ‘Zo hebben de clans, de stammen en de volken geleerd tegenover elkaar te staan zonder elkaar af te slachten, zich aan elkaar te geven zonder zich aan elkaar op te offeren.’
 
En wie deze zin leest, moet ogenblikkelijk denken aan Norbert Elias, de grote generalist onder de sociologen, die later in de voetsporen van Mauss zijn standaardwerk schreef over het civilisatieproces. Mauss heeft laten zien dat er onder de nuffige noemer van wat tegenwoordig ‘etiquette’ heet een poel aan onstuimigheden schuilgaat, waarbij het gevecht op leven en dood vervangen is door uitwisselingen van beleefdheden over en weer. Hij heeft de betekenislaag aangeboord die nog steeds doorklinkt zodra we het over ‘sociale verplichtingen’ hebben: het geschenk is nooit geheel vrij, maar ook een plicht, een offer zo je wilt ten dienste van de gemeenschap, die zodoende in staat is haar hiërarchieën te bepalen en de lieve vrede te bewaren.
 
Dat is het kleinood dat Mauss ons schenkt: via een afgebakend onderwerp als ‘de gift’ was hij in staat het totale menselijke gedrag en ons complete sociale leven te doorgronden. Hij maakte er in zijn tijd al een röntgenfoto van.