Home Uitgelezen: Verlangen en vertwijfeling

Uitgelezen: Verlangen en vertwijfeling

Door Gert-Jan van der Heijden op 23 maart 2015

Cover van 01-2015
01-2015 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

Veel auteurs zijn het er over eens dat er aan het begin van de moderne tijd in het Westen een grondige verandering heeft plaatsgevonden in de wijze waarop de mens de werkelijkheid ervaart. De betoverde werkelijkheid waarin God, wereld en mens samen in een betekenisvolle orde opgenomen waren, heeft plaatsgemaakt voor een werkelijkheid waaruit God zich teruggetrokken heeft en waarin de plaats van de mens onduidelijk is geworden. In Verlangen en vertwijfeling geeft Herman Westerink een fijnzinnige analyse van deze nieuwe ervaring van de werkelijkheid. Door filosofische, godsdienstwijsgerige en psychoanalytische perspectieven te combineren, weet hij deze nieuwe ervaring te duiden aan de hand van de begrippen melancholie en predestinatie. In het bijzonder laat hij zien hoe deze twee begrippen ons kunnen helpen om de vorm van subjectiviteit die in de vroege moderniteit ontstaat binnen bepaalde religieuze kringen te karakteriseren en te interpreteren.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

 Om meteen duidelijk te maken om welke vorm van subjectiviteit het de auteur te doen is, opent het boek met de geschiedenis van de zestiende-eeuwse Franciscus Spira. Deze advocaat raakt vertwijfeld over zijn zielenheil nadat hij zijn protestantse overtuigingen publiekelijk heeft moeten herroepen: na deze daad meldt de stem van zijn geweten onophoudelijk dat hij Christus verloochend heeft. Intrigerend is dat deze geschiedenis op schrift gesteld is en door vele theologen wordt becommentarieerd en geïnterpreteerd: de wanhoop van Spira is om verworpen te zijn, maar deze wanhoop gaat hand in hand met een ambigue ervaring waarin de mens zich verlaten weet door God als verlangt naar (het verlangen naar) God. Deze geschiedenis trekt zo veel aandacht bij zijn tijdgenoten omdat  de ervaring van wanhoop, zoals de auteur schrijft, ‘een tot dan toe onbekommerd leven verandert in een meeslepend drama op leven en dood’: de God die zich aan het begin van de moderniteit uit de werkelijkheid lijkt te hebben teruggetrokken, geeft op een of andere manier toch nog van zichzelf blijk in deze wanhoop. De verhouding tot het hoogste zijnde is niet langer met de werkelijkheid en zijn ordelijke samenhang meegegeven, maar moet in de vroege moderne tijd worden teruggewonnen in en door de menselijke subjectiviteit en dan in het bijzonder in het verlangen dat met vertwijfeling gepaard gaat omdat het gefrustreerd en onvervuld blijft. 

De cultuurhistorische en -filosofische betekenis van deze casus wordt door de auteur in het tweede hoofdstuk uitgelegd. Dikwijls begrijpt men de wending naar het subject in de vroege moderne tijd als een gevolg van een kentheoretische interesse, zoals bijvoorbeeld dikwijls aan de hand van Descartes’ Meditaties wordt aangetoond. In de wending naar het subject blijkt echter nog iets anders aan de hand te zijn en daarom laat Westerink de geschiedenis van deze moderne opvatting van het subject beginnen in het nominalisme van Ockham. In dit nominalisme verschijnt God als ‘onafhankelijk en vrij … ten opzichte van een vaste scheppingsorde met een eenduidige bestemming’. God wordt daarmee niet de naam die de orde van de werkelijkheid bekroont, maar de naam die staat voor de fundamentele contingentie van die werkelijkheid: God staat voor het absolute vermogen (potentia absoluta) dat om het even wat in de werkelijkheid kan laten geschieden. Het is dit Godsbegrip dat leidend wordt in de moderniteit en aanleiding geeft tot een ervaring van contingentie die elke vaste orde aan de werkelijkheid ontzegt. Daarom wordt God in dit begrip begrepen als teruggetrokken uit de cheppingsorde die voorheen maatgevend was voor de ervaring van de werkelijkheid. De werkelijkheid verliest zijn vaste betekenissamenhang en vindt zijn geheim precies in de contingentie die dit verlies veroorzaakt. De levensvorm of subjectiviteit die hierdoor in het leven wordt geroepen is er een van verlangen, zo betoogt Westerink. Omdat dit verlangen uitgaat naar een verloren betekenissamenhang die niet teruggevonden kan worden, is het fundamenteel melancholisch van aard. 

In het derde en vierde hoofdstuk laat Westerink zien hoe deze ervaring in de theologie wordt uitgewerkt in het theorema van de predestinatie. Vooral in Luthers versie wordt duidelijk dat in dit theorema de gedachte van Gods almacht niet in de vorm van een hoogste of eerste oorzaak wordt gevonden, maar eerder in het voortdurende actieve handelen van God in de levens van individuen – een handelen dat op zijn beurt gefundeerd is in Gods wil die absoluut vrij is: deze wil heeft geen ander motief of andere grond buiten zichzelf om. Het is pas later, zoals de auteur betoogt, bij theologen als Calvijn dat dit theorema wordt ingezet om een zekere orde in de werkelijkheid te herwinnen en aan God dit ordenende vermogen toe te kennen.

Ten slotte werkt de auteur in het laatste hoofdstuk toe naar zijn centrale these, namelijk dat de subjectiviteit die in de religieuze context van de moderniteit is ontstaan goed begrepen kan worden met psychoanalytische middelen. Tegelijkertijd betoogt Westerink dat de psychoanalyse zelf ook als een historisch fenomeen begrepen moet worden en dat de interpretatieschema’s van de psychoanalyse geboren zijn uit de zelf-ervaringen en zelfduidingendie we aantreffen in de religieuze ervaringen en de ermee gepaarde levenshouding van de vroege moderniteit. De melancholie en haar verwijzing naar een verloren object dat nooit volledig teruggewonnen kan worden maar waarnaar het subject niettemin verlangt, biedt hiervan een overtuigend voorbeeld.

Met Verlangen en vertwijfeling heeft Westerink een zeer helder en toegankelijk boek geschreven. Hij weet de lezer steeds mee te voeren door het eigenzinnige, desolate en melancholische landschap van de protestantse vroomheid uit de vroege moderniteit. Door het scherpe beeld dat hij tekent van de religieuze ervaring en levenshouding uit die tijd weet hij tevens helder te maken welke specifieke subjectiviteit hierin tot uitdrukking komt en hoezeer deze vorm van subjectiviteit onze cultuur heeft beïnvloed –bijvoorbeeld in de vorm van de psychoanalyse.