Log in

Wachtwoord vergeten?

Word lid Log in Contact

Filosofie.nl

WP nr. 1/2020

Ten geleide: Donna Haraway

Cris van der Hoek en Ineke van der Burg

De Amerikaanse bioloog, wetenschapsfilosoof en feminist Donna Haraway (1944), emeritus hoogleraar aan Santa Cruz, geniet in Nederland vooral bekendheid vanwege haar Manifesto for Cyborgs (1991) dat in 1994 in het Nederlands verscheen. Het begrip cyborg, een samentrekking van cybernetica en organisme, is sindsdien zowel in de populaire cultuur als in de academische wereld sterk ingeburgerd. Denk aan sciencefictionfilms waarin de protagonisten een versmelting van mens en machine zijn. In de hedendaagse techniekfilosofie komen we het begrip cyborg geregeld tegen wanneer gesproken wordt over de steeds verder toenemende verwevenheid van het menselijk lichaam en micro-elektronische implantaten.

Nu, bijna 30 jaar later, is de tekst van Haraway nog altijd inspirerend door de wijze waarop zij met haar figuur van de cyborg dominante manieren van denken en kijken ontregelt. Een ontregeling, zowel door de inhoud als door de stijl van het manifest, die niet alleen de grenzen tussen mens, natuur en technologie ondermijnt, maar ook de grenzen tussen subject en object. Deze Harawayaanse ontregeling leidt – ook in haar andere werk – tot een nieuwe opvatting van kennis en zet aan tot nieuwe vormen van politiek engagement. De hoogste tijd dus voor Wijsgerig Perspectief om een themanummer aan haar oeuvre te wijden!

Het themanummer opent met een bijdrage van Ingrid Hoofd over het hierboven genoemde Cyborgmanifest. Zij beargumenteert hoe de aanvankelijke optimistische en utopische inter-pretatie van dit manifest de eigenlijke tekst van Haraway tekort doet. Haraway staat namelijk veel ambivalenter tegenover nieuwe technologie dan in deze interpretaties doorgaans werd verondersteld. De cyborg belichaamt zowel het utopische als het dystopische. Hoofd zet uiteen hoe haar ambivalente visie des te relevanter is geworden gegeven de recente technologische ontwikkelingen in de context van de neoliberale cultuur, zoals big data en biotechnologische experimenten. Zij laat deze complexe ambivalentie vervolgens zien aan de hand van het actuele transgenderdebat – de transgender als cyborg – en het xenofeminisme. Volgens Hoofd was Haraway, vanuit nu bezien, wellicht iets te optimistisch.

Baukje Prins gaat in haar bijdrage in op Haraways begrip van gesitueerde kennis in relatie tot identiteit. Ze laat zien hoe Haraway met behulp van de metafoor van het zicht de stelling verdedigt dat werkelijk objectieve kennis altijd vanuit een partieel perspectief tot stand komt en dus altijd gesitueerde kennis is. Haraway onderbouwt deze stelling met een kennistheorie waarbij het ‘object’ net zoveel zeggenschap heeft in de productie van kennis als het ‘subject’. Vervolgens bespreekt Prins de relatie tussen Haraway’s notie van gesitueerde kennis en de kennisopvatting van feministische en/of Zwarte standpuntdenkers. Hoewel ook Haraway meent dat ‘betere’ kennis vertrekt vanuit de positie van wie of wat zich in de marge bevindt, distantieert ze zich van de identiteitspolitieke invulling die standpuntdenkers aan dit inzicht geven.

In 2003 verscheen een tweede manifest van Haraway: The Companion Species Manifesto, waarin de figuur van de cyborg is vervangen door die van companion species; een manifest dat, aldus de ondertitel, gaat over ‘honden, mensen en significant otherness’. Cris van der Hoek laat zien waartoe dit manifest ons wil aansporen. Daartoe bespreekt ze Haraway’s denken over hoe wij met niet-menselijke dieren leven en werken. Ondanks hun gedeelde kritiek op antropocentrisme verschilt Haraway op dit punt van filosofen als Deleuze en Derrida. Haar denken over verantwoordelijkheid (response ability) in relatie tot niet-menselijke dieren verschilt ook van dat van menig dierenactivist, voor zover deze handelt vanuit een ideologisch standpunt dat de menselijke uitzonderingspositie bevestigt.

Tot slot gaat Lydia Baan Hofman in op het meest recente werk van Haraway: Staying with the Trouble, Making Kin in the Chthulucene (2016). Hierin kiest Haraway positie tegenover zowel de eco-optimisten als de eco-pessimisten waar het gaat om de vraag hoe om te gaan met ecologische crises. Baan Hofman schetst Haraway’s alternatieve mens- en wereldbeeld. Zij laat zien hoe zij in plaats van een antropocentrisch denken een zogeheten tentaculair denken uitwerkt. De ecologische crises blijken dan niet slechts in handen van een beperkt aantal geopolitieke spelers te liggen, maar in de talloze tentakels van vele, zeer diverse menselijke en niet-menselijke wezens. Baan Hoffman laat – in discussie met Latour – zien hoe vanuit dit andere denken een ander soort handelingsvermogen kan worden aangesproken.

En vergeet ook niet de rubriek ‘Filosofie en beeld’ te lezen. Deze is gewijd aan de documentaire Donna Haraway: Story Telling for Earthly Survival. En de boekenrubriek gaat heel toepasselijk over niet-menselijke dieren, namelijk katten.