Home Vrijheid Spoedcursus: Vrijheid
Vrijheid

Spoedcursus: Vrijheid

Van vrije wil tot karma: ideeën over vrijheid vertonen in Oost en West opmerkelijke parallellen.

Door Michel Dijkstra en Simone Bassie, Michel Dijkstra en Simone Bassie op 26 februari 2021

Spoedcursus: Vrijheid Beeld Aron Vellekoop León
Cover van 03-2021
03-2021 Filosofie magazine Lees het magazine

Determinisme en indeterminisme

Ben jij zelf de ultieme oorzaak van je handelingen? Of word je gestuurd door allerlei externe oorzaken zoals de omgeving, genen of God? Deze kwestie staat bekend als het probleem van de vrije wil. Aanhangers van de vrije wil worden indeterministen genoemd. Een moderne aanhanger van deze richting is John Searle (1932), die met een praktisch voorbeeld aangeeft dat we onze acties in vrijheid bepalen. Tijdens lezingen steekt hij namelijk plotseling zijn hand omhoog en roept: ‘Ik ben zelf de oorzaak van deze handeling, dus heb ik een vrije wil!’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

De Amerikaanse filosoof Derek Peereboom (1957) is het niet met Searle eens. Hij is een aanhanger van het deter­minisme. Volgens Peereboom hebben we geen vrije wil en zijn we dan ook niet verantwoordelijk voor de gevolgen van onze acties. Deze opvatting wordt door zijn tegenstanders als immoreel gezien, omdat je misdadigers dan niet meer kunt bestraffen. Peereboom stelt echter dat je criminelen kunt vergelijken met zieken. Ze hebben geen schuld aan hun ziekte, maar kunnen wel anderen besmetten. Daarom mag je misdadigers wel ‘in quarantaine plaatsen’ – lees: in de gevangenis opsluiten.

Naast het Westen kent ook de Indiase filosofie het probleem van de vrije wil. Opvallend genoeg zijn de deterministische richtingen in de minderheid. Het hindoeïsme en het boeddhisme, de belangrijkste Indiase richtingen, gaan namelijk uit van de leer van karma. Dit concept kun je opvatten als oorzaak en gevolg. Als je momenteel last hebt van criminele neigingen, kan dit veroorzaakt zijn door handelingen in vorige levens. De mens heeft echter altijd de mogelijkheid om tegen deze karmische uitgangsposities in te gaan. Op die manier wordt de vrije wil stilzwijgend voorondersteld.

Het panopticum

Een koepelgevangenis of panopticum – Daarmee vergelijkt de Franse filosoof Michel Foucault (1926-1984) de machtsstructuren in de moderne westerse maatschappij. Dit panopticum is bedacht door de Engelse denker Jeremy Bentham, die het wilde gebruiken om groepen te disciplineren of verbeteren, bijvoorbeeld binnen een schoolgebouw of ziekenhuis. Later werd de term bijna uitsluitend geassocieerd met een koepelgevangenis. De cellen van dit gebouw bevinden zich aan de buitenrand van de ring. Ze
kijken allemaal uit op het centrum, waar zich een zuil van matglas bevindt. Binnen deze pilaar bevinden zich een of meer bewakers. Misschien zit er ook niemand, maar dat maakt niet uit. De gevangenen hebben namelijk het gevoel dat ze voortdurend in de gaten worden gehouden. Zij leven in volstrekte onvrijheid.

Foucault stelt dat er in de moderne maatschappij veel panoptica naast elkaar werkzaam zijn, zoals het schoolsysteem, het wetssysteem of de gezondheidszorg. Al deze instellingen hebben een vertoog of discours dat bepaalt wanneer iemand ‘geslaagd of gezakt’, ‘crimineel of rechtschapen’, ‘krankzinnig of normaal’ is. Op die manier wordt het individu op veel manieren gedisciplineerd, in de gaten gehouden en bestraft als hij zich niet aan de norm conformeert. De burger vraagt zich trouwens niet af of deze norm zelf wel valide is, omdat hij in een voortdurend proces van disciplinering en normalisering meedraait.

Foucault waarschuwt er echter voor om macht alleen te zien als een fenomeen dat de mens onderdrukt. Het discours van het panopticum zorgt er namelijk ook voor dat de mens zich kan uitdrukken en over zichzelf kan nadenken. Zo brengen machtsstructuren het individu voort. Dit neemt echter niet weg dat de individuele burger geen macht heeft om de structuur te veranderen. Aan het panopticum is geen ontsnappen mogelijk.

De mens bloeit binnen de regels

‘De menselijke natuur is slecht; wat er goed aan is, is aangeleerd.’ Met deze woorden beschrijft de klassieke Chinese filosoof Xun Zi (298-238 v.Chr.) zijn mensbeeld. Deze volgeling van Confucius stelt dat de mens van nature tot egoïsme is geneigd, waardoor er geen orde in de maatschappij heerst. Het is dan ook nodig dat de menselijke vrijheid wordt beperkt. In plaats van alles te doen wat hij wil, moet het individu in de leer gaan bij een meester die hem deugden als plichtsbesef en rechtvaardigheid bijbrengt. Regel­geving is in dit beschavingsproces van cruciaal belang. Met een van zijn treffende metaforen stelt de filosoof: ‘Ook krom hout moet immers wachten op het klemraam en de inwerking van stoom, en pas daarna wordt het recht. Welnu, de menselijke natuur is slecht en moet wachten op leraar en voorbeeld, en wordt pas daarna rechtschapen.’

Xun Zi’s opvattingen over de menselijke natuur en de vrijheid lijken op het eerste gezicht pessimistisch: we zijn van nature verdorven. Bij nader inzien is de confucianist echter eerder realistisch. De mens is niet uit zichzelf deugdzaam, maar kan wel verbeterd worden als hij zijn ongebreidelde vrijheid inlevert.
Deze visie van Xun Zi doet denken aan de begrippen ‘positieve’ en ‘negatieve’ vrijheid van Isaiah Berlin (1909-1997). Als de mens alleen negatieve vrijheid of afwezigheid van dwang heeft, kan hij zich nooit ontplooien. Daarom is het nodig dat hij zich con­formeert aan de ruimte die hij binnen de regels krijgt, oftewel positieve vrijheid. Bij Xun Zi heeft dit begrip een sterke ethische dimensie. Volgens hem stelden de wijze koningen van vroeger namelijk ‘regels en wetten in om het gemoed en de natuur van de mens te reguleren en te verfraaien en die aldus tot rechtvaardigheid te brengen’.

De hel, dat zijn de anderen

Op het eerste gezicht lijkt het alsof de gevleugelde uitspraak ‘De hel, dat zijn de anderen’ van Jean-Paul Sartre (1905-1980) een negatief oordeel over de menselijke vrijheid impliceert. De existentialistische filosoof laat deze woorden uitspreken door een personage in zijn toneelstuk Met gesloten deuren (1944), waarin drie mensen elkaars leven ondraaglijk maken. Zij beperken elkaars vrijheid op gruwelijke wijze.
Sartres denken over vrijheid en de ander is gefundeerd in zijn wereldbeeld. Hij maakt een onderscheid tussen twee vormen van bestaan: zijn ‘op zichzelf’ (en soi) en zijn ‘voor zichzelf’ (pour soi). Het eerste begrip slaat op de bestaanswijze van dingen, dieren en planten. Zij vallen samen met zichzelf en hoeven hun leven geen invulling te geven. Het ‘zijn voor zichzelf’ of de mens moet echter zijn bestaan in volstrekte vrijheid zin verschaffen: ‘De mens is tot vrijheid veroordeeld!’ Doe je dit niet, dan leef je ‘te kwader trouw’.

De hoofdpersonen uit Met gesloten deuren zijn stuk voor stuk voorbeelden van deze oneigenlijke levenswijze. Zij laten hun gedrag namelijk van de ander afhangen en proberen zichzelf in de blik van de ander te spiegelen. Het oog van de ander vormt echter een buitengewoon onheldere spiegel, omdat je voor de ander altijd een object bent. Wie zich tot de ander richt bij het vormgeven van zijn bestaan kan dan ook onmogelijk trouw aan zichzelf blijven. Vandaar: ‘De hel, dat zijn de anderen.’ Het individu, zo lijkt Sartre te suggereren, doet deze hel in de eerste plaats zichzelf aan. Hij kan er ook voor kiezen om de volle verantwoordelijkheid voor zijn eigen bestaan te nemen. Wie weet wordt de relatie met de ander dan ook beter.

Indra’s Net

Het idee van een wereldwijd web is niet modern. In Chinese boeddhistische teksten van de Bloemenkransschool uit de vroege Middeleeuwen is namelijk sprake van het ‘Net van Indra’. Deze metafoor duidt de bevrijde of verlichte visie op de wereld aan. Wie deze blik ontdekt, ziet de dingen om hem heen niet langer als geïsoleerd, maar in één grote samenhang: ‘Indra’s Net bestaat uit edelstenen. Deze juwelen schitteren en reflecteren elkaar, hun spiegelbeelden doordringen elkaar over en weer. In een enkel juweel verschijnen ze allemaal tegelijkertijd en je kunt dit waarnemen in elk juweel. Binnen de grenzen van een enkele edelsteen bevinden zich de grenzeloze herhaling en weerspiegeling van alle juwelen. Deze weerspiegelingen zijn helder en totaal ongehinderd.’ Volgens de Bloemenkransschool vormt het inzicht in Indra’s Net de hoogste vrijheid.

Opvallend genoeg impliceert deze metafoor dat de individuele mens vrij is door erkenning van de ander. Jij bent degene die je bent door het netwerk van relaties waarin jij je bevindt. Deze connecties worden verzinnebeeld door de heldere spiegels die het licht eindeloos naar elkaar weerkaatsen. Kenmerkend voor de eenheidsvisie van Indra’s Net is dat de juwelen niet alleen alle mensen, maar ook de dieren, dingen en planten symboliseren. Alle dingen zijn op een grenzeloze wijze met alle dingen verbonden. Wie dit inziet, staat als vanzelf klaar voor de ander. Niet omdat het moet, maar omdat de realiteit zo in elkaar zit.