Home Slapende personen

Slapende personen

Door Monica Meijsing op 26 november 2021

Slapende personen
Cover van Wijsgerig Perspectief nr 4/2021
Wijsgerig Perspectief nr 4/2021 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

Zijn we verantwoordelijk als we een misdaad begaan terwijl we slapen? Om die vraag te beantwoorden moeten we volgens Monica Meijsing eerst weten wat een persoon is. Het is nog maar de vraag of slapende personen wel zichzelf zijn.

Soms doen mensen vreemde dingen terwijl ze slapen, zoals slaapwandelen. Daarbij kunnen ze zichzelf verwonden of dingen beschadigen. Achteraf kunnen ze zich daar dan niets van herinneren en we houden zulke mensen doorgaans niet verantwoordelijk voor wat ze in hun slaap uitspoken. Maar wat als iemand tijdens zijn slaap een serieuze of zelfs weerzinwekkende misdaad begaat?

In 2008 werd er in België iemand aangeklaagd voor een zwaar misdrijf. De dader beweerde pas achteraf wakker te zijn geworden en zelf diep geschokt te zijn door zijn daad. Hij zou lijden aan een slaapstoornis. In eerste instantie ging de rechtbank mee in zijn verhaal en werd hij vrijgesproken. Maar ofschoon de aandoening echt bestaat en uitvoerig in de literatuur is beschreven, twijfelden experts of de man deze aandoening wel echt heeft. In hoger beroep werd hij alsnog veroordeeld (De Morgen, 11-02-2011). Deze zaak roept een aantal interessante filosofische vragen op. De hoofdvraag is hier: was de man verantwoordelijk voor zijn daad of niet? Om die vraag te kunnen beantwoorden moeten we eerst een aantal andere vragen bespreken. De eerste vraag is: wie is de dader? Omdat deze man zich niet bewust was van wat hij deed, kunnen we hem misschien niet als persoon verantwoordelijk houden. Een tweede vraag die hieruit voortvloeit is: bestaan er slapende personen? We weten natuurlijk dat mensen vaak slapen, maar bij personen is dat problematisch. En de derde vraag is: wat zijn personen eigenlijk precies?

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

De dader

Als we willen weten of de veroordeling van de Belgische man – laten we hem B noemen – terecht was, moeten we allereerst vragen of B werkelijk degene was die de misdaad heeft gepleegd. Daarover lijkt in eerste instantie geen twijfel te bestaan: B geeft dat zelf toe. Maar de slaapstoornis compliceert hier de vraag: B zegt dat alles onbewust gebeurde. In zekere zin deed hij het juist niet zelf.

Wat kan dat betekenen? Wie is B zelf dan? De zeventiende-eeuwse Engelse filosoof John Locke meende dat er een verschil is tussen een man en een persoon. Een man (als zeventiende-eeuwse man gebruikte Locke het woord “man” voor mensen in het algemeen) is, net als een dier, een levend organisme. Maar een persoon valt daar volgens Locke niet mee samen:

Een persoon is een denkend intelligent ding, dat rede en reflectie heeft, en zichzelf kan beschouwen als zichzelf (…) door dat bewustzijn dat (…) essentieel ervoor is (…) Een wezen dat zich bewust is van plezier en pijn, ontvankelijk voor geluk of ellende.’ (Locke 1690).

Volgens Locke is het de persoon waar het om draait in vragen rond daderschap en verantwoordelijkheid. Aangezien Locke de persoon definieert als degene die zich bewust is van zijn daden, heeft wat er gebeurt tijdens de slaap niets van doen met de persoon. Locke zegt bijvoorbeeld expliciet dat de wakende Socrates en de slapende Socrates niet dezelfde persoon zijn. In navolging van Locke kunnen we zeggen dat het niet de persoon B is die een misdrijf heeft gepleegd, maar enkel de man B. En de persoon B is niet dezelfde als de man B. Kortom: B is niet verantwoordelijk voor wat hij tijdens zijn slaap doet, en vrijspraak is de enige juiste beslissing.

Locke geeft toe dat het voor mensen moeilijk uit valt te maken of iemand als B zich echt niets herinnert van wat hij heeft gedaan. Menselijke kennis schiet tekort, maar door de alwetende God zal bij het laatste oordeel niemand gestraft worden voor iets waar hij niets van weet.

Slapende personen

Maar als er duidelijk een dader was, en die dader was niet de persoon B, wie was het dan wel? Als we Lockes onderscheid tussen menselijke organismen en personen aanhouden, dan was het in ieder geval het menselijk organisme B dat de misdaad heeft begaan, maar niet de persoon B. Was het dan misschien een andere persoon? Als de wakende B en de slapende B niet dezelfde persoon zijn, zijn het dan twee verschillende personen? En zou dat betekenen dat er in één menselijk lichaam twee personen kunnen zitten?

Er zijn gevallen waarover we misschien geneigd zijn dat zo te zeggen, namelijk gevallen van dissociatieve identiteitsstoornis (DIS). Bij deze stoornis bestaan er in één lichaam verschillende zogenaamde alters. Iedere alter heeft bewustzijn en zelf bewustzijn van de eigen ervaringen en handelingen, maar niet van die van de andere alter(s). Elke alter heeft dus grote gaten in het geheugen – stukken tijd waar geen enkele herinnering aan is – omdat een andere alter in die periode ‘de baas’ van het lichaam was. Volgens Locke zou hier sprake zijn van meerdere personen in één organisme, omdat alle alters op zich bewust en zelf bewust zijn, al zijn ze zich niet bewust van de andere alter(s).

B claimde echter niet een identiteitsstoornis te hebben, maar te lijden aan een slaapstoornis. Zijn verdediging suggereert dat de handelingen geheel onbewust gebeurden. En dat impliceert
dat ze helemaal niet door een persoon zijn uitgevoerd, maar enkel door een soort automatisch handelend organisme.

Als personen per definitie bewust zijn, en slapende mensen niet bewust, zijn slapende mensen geen personen en bestaan er geen slapende personen. Maar moeten personen wel continu bewust zijn? Niemand verwacht dat filosofen altijd filosoferen, of dat schoenmakers continu schoenen repareren. Ze doen vaak genoeg andere dingen; en ze slapen regelmatig. Naar analogie daarvan moeten we misschien ook zeggen dat personen in het algemeen geregeld slapen. Maar dan kan B niet meer zeggen dat hij het niet zelf heeft gedaan. Het was dan wel degelijk de persoon B die het misdrijf heeft begaan, zelfs als die persoon op dat moment echt in slaap was.

De verdediging kan natuurlijk volhouden dat personen heel anders zijn dan filosofen of schoenmakers en dat personen altijd, continu, bewust zijn. Dat betekent dat gedurende de slaap de persoon B niet bestond, en dat hij pas weer tevoorschijn kwam toen het organisme B wakker werd (bij dromen liggen de zaken nog ingewikkelder dan bij droomloze slaap; het voert hier te ver om deze problematiek ook te bespreken).

Kortom: als slapende personen niet kunnen bestaan, omdat met de slaap precies wegvalt wat de persoon kenmerkt, namelijk bewustzijn, dan heeft de persoon B het niet zelf gedaan. Als personen wel kunnen slapen, heeft de persoon B het wel gedaan, in zijn slaap (als hij daar tenminste niet over liegt). Hij kan dan niet zeggen dat hij het niet zelf was. Om te kunnen beslissen of B schuldig is moeten we nog helderder krijgen wat een persoon precies is.

Definitie van persoon

Gek genoeg geeft Locke geen volledig antwoord op de vraag wat personen precies zijn. Hij noemt wel een aantal definiërende kenmerken en zegt ook heel duidelijk wat personen niet zijn. Een persoon is een wezen met bewustzijn en zelf bewustzijn, en alles wat dat wezen zich van zichzelf kan herinneren behoort tot die persoon. Zo bestaat er een foto van een klein meisje dat duidelijk bang is voor de grote ganzen waar ze vlakbij staat. Mijn ouders hebben mij, lang geleden, die foto laten zien en gezegd dat ik dat was. Ik weet daar niets meer van. Volgens Locke ben ik dus niet dezelfde persoon als dat kleine meisje op de foto (want dat herinner ik me niet), maar wel dezelfde persoon als het meisje dat met haar ouders naar de foto keek (want dat herinner ik me wel). Verder is volgens Locke een persoon niet hetzelfde als een menselijk organisme, maar ook niet hetzelfde als een niet-fysieke geest of ziel. Wat voor entiteit de persoon dan wel is, laat hij in het midden.

De meeste hedendaagse filosofen geloven niet meer, zoals Locke en zijn tijdgenoten dat wel deden, in een dualisme tussen een niet-stoffelijke geest of ziel en een stoffelijk lichaam. Maar velen zijn ook niet helemaal gelukkig met de gedachte dat wij enkel een levend organisme zouden zijn. Het begrip ‘persoon’ wordt gebruikt om aan te geven dat wat wij als mensen belangrijk aan onszelf vinden, iets anders is dan onze biologische kenmerken. Volgens veel filosofen is ons persoon-zijn dan ook fundamenteler dan ons organisme-zijn. Maar wat is een persoon dan precies?

Als je vasthoudt aan Lockes definitie dat een persoon altijd bewustzijn en zelf bewustzijn moet hebben, dan is een persoon een vreemd soort entiteit. Deze entiteit lijdt een steeds onderbroken bestaan: bij waken bestaat de persoon, maar tijdens de slaap bestaat hij niet, en bij het ontwaken is hij er weer wel. Verder behoren alle episoden die iemand ooit bewust beleefde eerst wel, maar zodra ze vergeten worden niet meer tot de persoon. Een dement persoon van negentig die veel van het eigen leven vergeten is, heeft dan een veel korter bestaan dan een persoon van veertig met een uitzonderlijk goed geheugen.

We kunnen veel problemen rond Lockes persoonsbegrip oplossen door te stellen dat een persoon niet continu bewustzijn en zelf bewustzijn hoeft te hebben. Enkel het vermogen daartoe is genoeg. Iemand die slaap is dan nog steeds een persoon: hij heeft op dat moment geen bewustzijn, maar hij heeft wel het vermogen wakker te worden en daarmee weer bij bewustzijn te komen. Dan is het bestaan van een persoon niet meer zo voortdurend onderbroken. En je kunt ook stellen, zoals de Britse filosoof Derek Parfit doet, dat een persoon zich niet het hele leven hoeft te herinneren, maar enkel verbonden moet zijn met het verleden door een overlappende keten van herinneringen. Stel dat ik, als klein meisje, samen met mijn ouders keek naar die foto met die ganzen, en ik me op dat moment wel herinnerde dat ik toen zo bang was. Dan was het foto-kijkende meisje dezelfde persoon als het meisje op de foto. En als ik me nu dat kijken herinner, ben ik dezelfde persoon als het foto-kijkende meisje. Als mijn herinneringen op die manier in elkaar haken, is mijn bestaan als persoon niet meer zo kort.

Het blijft echter problematisch om vast te houden aan Lockes idee dat personen niet identiek zijn met levende organismen. De Belgische persoon B claimt dat er wel een misdaad begaan is, maar niet door hemzelf. Als personen niet dezelfde entiteiten zijn als organismen, dan kan dat waar zijn: het was wel het (slapende) organisme B, maar niet de persoon B. Maar dat zou impliceren dat elke misdaad die niet vanwege een slaapstoornis gepleegd is, in feite door twee entiteiten wordt gepleegd: een persoon en een organisme. Dan zitten er nu twee entiteiten op mijn stoel te typen: de persoon MM en het organisme MM. De claim dat personen niet identiek zijn met organismen leidt tot allerlei problemen.

Je kunt ook zeggen dat personen geen aparte categorie van entiteiten vormen. Personen zijn organismen, en geen andere entiteiten. Op dezelfde manier kun je stellen dat filosofen en schoenmakers organismen zijn, en geen andere entiteiten. Persoon-zijn is dan, net als filosoofzijn en schoenmaker-zijn, een eigenschap die sommige organismen hebben.

Dat lijkt de problemen rond een onderbroken en krimpend bestaan, en rond vragen hoeveel entiteiten er normaliter op één stoel zitten, op te lossen. Maar nu moet er nog worden vastgesteld welke eigenschap persoon-zijn precies is, en daarmee, wie of wat er precies een persoon is en wie of wat niet.

Volgens Locke heeft een persoon bewustzijn en zelf bewustzijn, maar we hebben al gezien dat een persoon niet continu (zelf)bewust hoeft te zijn. Een vermogen tot (zelf)bewustzijn lijkt voldoende. Maar daarmee maken we de klasse van personen veel te groot. Weinig mensen zullen tegenwoordig ontkennen dat veel dieren op zijn minst een vermogen tot bewustzijn hebben; dat ze pijn kunnen hebben en sommige dingen fijn vinden en andere onplezierig. En nog minder mensen zullen denken dat baby’s en pre-talige kinderen geen bewustzijn of zelfbewustzijn hebben. Toch zal men niet gauw een (niet-menselijk) dier of een pasgeboren baby een persoon noemen.

Locke heeft nog iets anders genoemd in verband met zijn begrip van persoon, en dat is dat het een forensisch begrip is. Het heeft te maken met verdienste en schuld. Een persoon is een wezen dat niet alleen bewustzijn en zelf bewustzijn heeft, maar dat je ook ter verantwoording kunt roepen. Tegenover een persoon kun je terecht gevoelens van dankbaarheid en wrok koesteren. We denken tegenwoordig dat varkens heel intelligente dieren zijn, die zeker een vorm van bewustzijn hebben. Maar we zullen niet meer een proces tegen een varken voeren en het ophangen als we het schuldig bevinden, zoals dat in de middeleeuwen wel gebeurde. We voeren enkel processen tegen personen. En als we denken dat de verdachte in een proces niet (meer) kan begrijpen waar het over gaat omdat zijn verstandelijke vermogens te veel aangetast zijn, wordt er geen proces meer gevoerd. Schuldig kan alleen iemand zijn die aanspreekbaar en aansprakelijk is.

Misschien kunnen de ideeën van de Amerikaanse filosoof Harry Frankfurt hier helpen. In zijn artikel ‘Freedom of the will and the concept of a person’ (1971) bespreekt hij wat echte personen
onderscheidt van andere organismen, en van mensen die hij ‘onbeheerst’ (in het Engels: ‘wanton’) noemt. Dieren en onbeheersten geven volgens Frankfurt onbesuisd toe aan hun verlangens. Personen kunnen daarentegen reflecteren op hun eigen verlangens en zelfs willen dat ze bepaalde verlangens niet hadden. Een persoon kan een alcoholverslaving hebben, maar tegelijkertijd willen dat hij dat overweldigende verlangen naar alcohol niet had. Hij kan proberen zijn eigen verlangens te onderdrukken of hulp zoeken. Een onbeheerste heeft geen oordeel over zijn eigen verlangens, en zal dus altijd onbekommerd toegeven aan het sterkste verlangen van een bepaald moment.

In deze definitie van personen is het duidelijk dat (niet-menselijke) dieren, maar ook heel jonge kinderen en mensen in een gevorderd stadium van dementie of met ernstige psychische of neurale stoornissen, geen personen zijn. Mensen met dementie zijn soms letterlijk ontremd, en verzorgenden weten zich vaak geen raad met hun gedrag. Het heeft geen zin onbeheersten, niet-personen, te overtuigen van de ongewenstheid van hun gedrag of hun verlangens. Ze zijn juist onbeheerst omdat ze niet in staat zijn zich een (moreel) oordeel te vormen over hun eigen verlangens en hun eigen gedragingen. Ze zijn daardoor op dat punt niet aanspreekbaar, niet aansprakelijk, niet toerekeningsvatbaar.

Wat Frankfurt probeert te zeggen is dat personen zich willen identificeren met bepaalde verlangens die ze hebben maar niet met andere, die ze net zo goed hebben. ‘Ik was mezelf niet’ zeggen ze als ze iets doen waarmee ze eigenlijk zelf niet kunnen instemmen. En om een coherent persoon te zijn, is het nodig om bepaalde verlangens als niet-eigen af te wijzen.

Helpt Frankfurts notie van persoon-zijn in het geval van B? B zei dat hij het niet zelf had gedaan. Hij wilde zich niet identificeren met enige criminele verlangens, verlangens waaraan het menselijk organisme B wel degelijk had toegegeven. Maar strookt zo’n notie van persoonzijn wel met onze intuïties? We doen allemaal wel eens dingen waar we spijt van hebben, waarvan we zeggen ‘dat is niet hoe ik ben’. Maar kun je je eigen daden wel dusdanig verwerpen dat ze totaal geen deel meer van je uitmaken? In het recht is het een verzachtende omstandigheid als je een daad niet ‘met voorbedachte rade’ hebt begaan. Maar een daad die begaan is in een opwelling, is wel nog steeds begaan door de persoon. De persoon wordt daar dan ook nog steeds aansprakelijk voor gehouden. Ofschoon het recht er dus rekening mee houdt of de verdachte de mogelijkheid had nog even na te denken over wat hij ging doen, en daarmee een verschil maakt tussen bijvoorbeeld moord en doodslag, is het niet onder de indruk van uitspraken als ‘dat is niet hoe ik ben’ of ‘ik ben niet zo iemand’. De verdachte kan zichzelf wel zien als iemand die zoiets nooit zou doen, feit blijft dat hij dat nu juist wel heeft gedaan. En spijt kan wel invloed hebben op de strafmaat, maar niet op het feit dat de verdachte wel degelijk schuldig is.

Frankfurts opvatting van de persoon maakt de persoon dus te klein; in het dagelijks leven accepteren we bij de toewijzing van schuld en verdienste niet dat grote delen van iemands handelingen simpelweg niet tot de persoon gerekend worden. De verdachte kan wel een ideaal zelf beeld hebben waar zijn criminele verlangens en handelingen volstrekt niet bij passen, maar dat maakt hem nog niet tot zo’n ideaal persoon. Volgens de Franse filosoof Jean-Paul Sartre zou een radicaal afwijzen of ontkennen van delen van jezelf zelfs helemaal niet betekenen dat dat ideale zelf beeld het echte of authentieke zelf is; volgens hem is dat ontkennen van delen van jezelf een geval van kwade trouw. Sartre zou juist zeggen dat een echte of authentieke persoon de eigen zwarte kanten erkent en omarmt als deel van de hele persoon. Niemand is tevreden met alle eigen verlangens, daden, eigenschappen, maar dat maakt die ongewenste onderdelen nog niet die van iemand anders.

We zien hier dat verschillende filosofen heel verschillende noties van persoon-zijn hanteren. Volgens Frankfurt kan B zijn eigen handeling en (mogelijke) criminele verlangens afwijzen en zeggen dat zijn echte zelf niet de misdadiger was. Voor Sartre is dat gewoon kwade trouw, een goedpraten van een publiek gepresenteerd ideaalbeeld.

Reactieve attitudes

Niet alleen filosofen hanteren verschillende opvattingen over wat een persoon precies is; in het dagelijks leven gebeurt dat ook. In onze eigentijdse ogen is het verschrikkelijk dat slaafgemaakten in het verleden kennelijk niet als personen werden gezien. Maar ook dat getrouwde vrouwen in Nederland tot 1956 en in België tot 1958 officieel handelingsonbekwaam waren, en dus geen volledige personen. Daarentegen gaan er tegenwoordig stemmen op die verdedigen dat ook bepaalde (andere) diersoorten personen kunnen zijn. Zo oordeelde een Argentijnse rechter in 2015 dat een orang-oetan genaamd Sandra een niet-menselijke persoon is.

Kennelijk verandert onze opvatting van wat personen zijn en wie tot de verzameling personen behoort met de tijd en cultuur. Nu vinden we veel opvattingen uit het verleden of sommige andere culturen fout. Maar hoe zullen toekomstige generaties over onze opvattingen van wat een persoon is oordelen?

Ik denk dat er een reden is waarom de opvattingen over persoon-zijn zo veranderen met de tijd, en waarom ook filosofen uit eenzelfde tijdsperiode en vrijwel dezelfde cultuur het ook radicaal oneens kunnen zijn over het begrip persoon. Die reden is dat er helemaal geen fact of the matter is wie tot de verzameling personen behoort en wie niet. Het is wel een feit dat Sandra behoort tot de verzameling orang-oetans, maar het is geen feit dat ze ook een persoon is. Als je de wereld wilt beschrijven zoals ze in zichzelf is, los van wat mensen uit een bepaald tijdperk of een bepaalde cultuur erover denken, dan zul je allerlei verschillende diersoorten in die beschrijving moeten opnemen. Het onderscheid tussen gorilla’s en orang-oetans is niet een kwestie van smaak of ideologie. Maar het onderscheid tussen personen en niet-personen hangt juist wel samen met smaak, ideologie, of tijdgeest. Persoon-zijn is immens belangrijk voor ons mensen, maar de rest van de wereld, zoals die in zichzelf is, heeft daar geen boodschap aan. Het zijn precies mensen die uitmaken wie personen zijn en wie niet. Of, nog preciezer: het zijn precies personen die uitmaken wie er tot de verzameling personen behoren en wie niet.

De Britse filosoof Peter Strawson spreekt van de reactieve attitudes die we tegenover andere personen hebben: we zijn ze bijvoorbeeld dankbaar of nemen ze iets kwalijk. Die gevoelens hebben we niet tegenover alle mensen. We nemen baby’s nog niets kwalijk; en als mensen gaan dementeren, moeten we leren ze steeds minder kwalijk te nemen. Als mensen aantoonbaar slapen, nemen we ze hun gedragingen evenmin kwalijk. Die overgang is vaak moeilijk. Wanneer begin je te redeneren met een klein kind, in plaats van haar gedrag op een meer instrumentele manier te sturen? Wanneer komt het punt dat je iemand niet alleen kan belonen voor goed gedrag, maar ook kan uitleggen waarom dat gedrag goed is? En bij slaap: heeft wat de slapende doet of zegt helemaal niets met de persoon te maken? Is dat misschien niet toch een soort uitdrukking van wat voor persoon de slapende overdag is?

Ik meen dat persoon-zijn alles te maken heeft met die reactieve attitudes. Niets of niemand anders dan wij mensen zelf bepaalt dat iemand een persoon is, en niets of niemand anders dan wijzelf maakt uit of iemand een persoon is. Persoon-zijn wordt geconstitueerd door onze reactieve houdingen ten opzichte van anderen en vooral ook, daaraan voorafgaand, door de reactieve houdingen van anderen tegenover ons. We worden personen doordat anderen ons als personen behandelen, ons opnemen in de gemeenschap van personen. Dat doen we in de opvoeding met kinderen: we leiden ze geleidelijk binnen in de gemeenschap van personen.

Als personen precies diegenen zijn die door andere personen als zodanig benoemd en bejegend worden, gaat dat dan per definitie goed? Niet per se. Het is moreel verwerpelijk als we op voorhand weigeren bepaalde menselijke organismen op te nemen in de menselijke gemeenschap, zoals dat gebeurt in extreme gevallen van racisme en andere vormen van discriminatie. In grensgevallen weten we niet wat onze verwachtingen zouden moeten zijn; we weten niet of we zo iemand nu wel of niet een (volledig) persoon moeten noemen, of zo iemand toerekeningsvatbaar is. We hebben vaak moeite om onze reactieve attitudes te veranderen, om ze naar beneden bij te stellen. In zulke gevallen is er inderdaad geen eenduidig goed of fout in onze toekenning van het persoon-zijn.

Wat houdt dit nu in voor de vraag of de veroordeling van B, die leed aan een slaapstoornis, terecht was? Het betekent dat we in dit grensgeval niet goed weten wat te zeggen. Als we horen wat B heeft gedaan, voelen we woede en walging. Als we horen dat hij dat onbewust in zijn slaap heeft gedaan, worden die reactieve attitudes afgezwakt. We nemen het hem minder, of helemaal niet meer kwalijk. Afgezien van empirische vragen of hij zich echt nergens van bewust was en of hij wel echt aan die slaapstoornis lijdt, zijn er geen verdere feiten die de rechter, of ons, kunnen helpen bij ons oordeel. Onze reactieve attitudes volgen niet uit het al dan niet persoon-zijn van B tijdens zijn daad; het zijn juist die onmiddellijke reactieve attitudes die uitmaken of we B wel of niet als aansprakelijke persoon zien.

Kortom: onze reactieve attitudes tegenover slapende mensen zijn niet eenduidig; we houden hen niet volledig verantwoordelijk voor hun gedrag, maar blijven ze toch soms ook wel iets kwalijk nemen. En daarmee zijn we er niet zeker van of slapen hun persoon-zijn volledig uitschakelt.