Home Schijnoverwinning

Schijnoverwinning

Door rené boomkens op 24 september 2014

10-2014 Wijsgerig Perspectief Lees het magazine

Vijftig jaar geleden verscheen De eendimensionale mens van Herbert Marcuse, de bijbel van de alternatieve beweging. Veel waarden van de hippies, bohemiens en studenten uit die tijd zijn inmiddels overgenomen door het bedrijfsleven. Dat was precies wat Marcuse voorspelde en wat hij niet wilde.

Het is opvallend dat De eendimensionale mens, dat een ware cultstatus verwierf in de jaren zestig, tot nog toe geen feestelijke herdruk beleefde en vrijwel nergens in de pers is ‘herdacht’. Het lijkt erop dat het charisma en de impact van het boek tegelijk met de rebellie en verbeeldingskracht van ‘mei ’68’ zijn vervluchtigd, net als het existentialisme van Sartre en Beauvoir. Toch heeft Herbert Marcuse richting en motivatie gegeven aan de culturele rebellie van de late jaren zestig. Dat is zijn filosofische en activistische verdienste. Die zou je samen met de gevolgen van de rebellie inmiddels kunnen bijzetten in het archief van de moderne geschiedenis. Maar dat zou weinig recht doen aan die uiterst cruciale periode, die haar stempel heeft gedrukt op de westerse cultuur en het westerse zelfbewustzijn, en vervolgens ook op de mondiale cultuur. Juist daarin kunnen we een verklaring vinden waarom Marcuses boek is vergeten. Immers, door de culturele rebellie van de jaren zestig is alles radicaal veranderd, zonder dat er iets is veranderd.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Even naar het heden: we leven momenteel in radicaal sociaal-darwinistische tijden. Het is eten of gegeten worden. Arnon Grunberg portretteert de mens in zijn dagelijkse column in de Volkskrant als een tragisch geïsoleerd individu dat zich ten koste van alles en van alle anderen tracht te handhaven in een verder vooral vijandige wereld. Volgens Dick Swaab zijn wij ons brein: we denken dat we ons leven zelf regelen, maar in feite is dit het werk van onze hersenen, die met ieder individu hetzelfde doen. Identiteit, wat is dat? Weer andere wetenschappers verklaren dat wij onze genen zijn: wat wij doen, denken en voelen ligt allemaal besloten in onze genetische make-up – geen ontsnapping mogelijk. Begrippen als ‘geest’ en ‘bewustzijn’ horen thuis in het museum van premoderne culturen.

Tegenover dit uiterst deterministische universum duikt een andere wereld op, die van de rationele-keuzetheorie en de speltheorie. Deze theorieën suggereren dat mensen middels rationele overwegingen cruciale beslissingen nemen en dat op grond daarvan modellen kunnen worden ontwikkeld van een rechtvaardige samenleving. Dit idee van rationele keuzes is uiteindelijk gebaseerd op eenzelfde sociaal-darwinisme, waarin ‘rationele keuzes’ begrepen worden als keuzes die alleen in het teken van het eigen, individuele ‘overleven’ staan. In een sociaal-darwinistische samenleving staat alles in het teken van wantrouwen, heeft niemand een werkelijk betrouwbaar verhaal en vecht ieder individu om overeind te blijven in een nooit eindigende strijd om ‘de eerste plaats’.

Het is niet zo moeilijk om bovenstaande uitspraken over onze huidige maatschappelijke en culturele conditie te doen – de bewijslast is overstelpend – maar om de een of andere reden lijken ze snel te worden opgeslokt in een zwart gat van complete onverschilligheid. In dezelfde sfeer werd in 1964 De eendimensionale mens geschreven. Alles is sindsdien veranderd – en tegelijk is alles precies hetzelfde gebleven.
 

Mediasprookjes

Wat zo intrigerend is aan Marcuses boek is dat het een grote inspiratiebron was voor de studenten, jongeren en anderen die de culturele rebellie eind jaren zestig op gang brachten. Een rebellie die zich aanvankelijk richtte tegen het autoritaire karakter van de heersende cultuur, tegen de verstikkende invloed van de christelijk-patriarchale moraal en tegen het regenteske karakter van de politieke verhoudingen. Later mondde die uit in een brede emancipatiebeweging: van het feminisme en de homobeweging, de milieu- en antikernenergiebeweging, tot de protesten van etnische minderheden en uiteenlopende belangengroepen. Intrigerend, omdat de kern van Marcuses argumentatie nu juist luidt dat de toenmalige technologisch gestuurde samenleving en cultuur  elke vorm van kritiek of verzet bij voorbaat smoren. Een belangrijke vraag is dus hoe een boek dat het einde van de kritiek en het vermogen tot kritisch denken afkondigt, zovelen kon inspireren tot kritiek en verzet tegen de dominante orde.

De kritiek van Marcuse is opgezadeld met een dubbele bewijslast. Hij betoogt dat de naoorlogse welvaartsstaat, die in 1964 net in de steigers stond, geen werkelijk afscheid betekende van de uitbuiting, repressie en vervreemding van het vooroorlogse kapitalisme. Tegelijkertijd onderzoekt hij waarom verreweg de meeste burgers zich desondanks vrijwillig onderwerpen aan deze repressie. Marcuse stelt terecht dat het uiteindelijk aan individuen zelf is om keuzes te maken, als zij tenminste vrij zijn om dat te doen. En dat nu lijkt bij uitstek het geval in het vrije en democratische Westen, waar ieder kan gaan en staan waar hij wil en waar aan de ergste armoede een einde is gemaakt. Het antwoord van Marcuse is dat juist vrijheid een krachtig middel kan zijn om te onderdrukken. Mensen – consumenten – hechten geloof aan de valse behoeften die hun door ‘het systeem’ worden opgedrongen. In het kort: is de nieuwe iPhone 6, die we straks massaal gaan aanschaffen, onze eigen, vrije keuze?

Dat vrijheid een dwingend systeem van overheersing kan worden worden, doet denken aan romans als Brave New World van Aldous Huxley en 1984 van George Orwell. Deze boeken vertellen hetzelfde verhaal van een mensheid die zich vrijwillig onderwerpt aan een beperkt en eenzijdig regime en aan een leefwijze van directe behoeftebevrediging in een spiegelpaleis van paradijsverhalen en mediasprookjes.

Bovendien is kritiek op het ‘systeem’ zinloos. De onderbouwing van dit systeem leunt namelijk op argumenten ontleend aan wetenschap en techniek. Een financiële crisis is geen crisis van moraal of politiek, maar een economisch probleem. Bezuinigen is geen politieke keuze, maar een noodzakelijke techniek – de wetten van de economie, die net zo ‘hard’ worden geacht is als de natuurwetenschappen, dicteren het. Het is de ‘objectieve orde van de dingen’. Kritiek hierop is niets minder dan een afwijzing van de wetenschappelijke waarheid. Verzet tegen ‘de orde der dingen’ is op z’n minst een beetje romantisch, en op z’n slechtst pure metafysica – en dus niet aanvaardbaar voor de wetenschap en het wetenschappelijke denken.
 

De grote weigering

De eendimensionale mens verscheen in een periode waarin het geloof in de meetbaarheid en maakbaarheid van samenleving en individu zich op zijn hoogtepunt bevond. Wetenschappen als sociologie, pedagogie, criminologie, psychologie en de medische wetenschap werden succesvol ingezet in wat Michel Foucault niet veel later een politiek van disciplinering en ‘normalisering’ zou noemen. Het is allesbehalve vreemd dat vooral jongeren, en in het bijzonder hoogopgeleide jongeren, in Marcuses boek een aansporing vonden zich af te keren van de al te beperkte wereld van hun hardwerkende, ‘genormaliseerde’ ouders, die zich bovendien ook nog eens gedroegen als gedweeë consumenten en zich tevredenstelden met een nieuwe televisie en wasmachine.

De eendimensionale mens van Marcuse was de ‘well respected man’ van The Kinks en de ‘nowhere man’ van The Beatles. Of het ‘klootjesvolk’ van de Nederlandse provo’s. De vrijheid van al die gehoorzame klerken kon op de jongste generatie bijna niet anders overkomen dan als een vorm van onvrijheid – zeker in het licht van historische ontwikkelingen als de Vietnam-oorlog, de nucleaire wapenwedloop en de Noord-Zuidtegenstelling. Marcuses term ‘grote weigering’ werd enkele jaren later werkelijkheid in de vorm van de hippieslogan ‘Tune in, drop out!’. Maar de weigering was van zeer korte duur. ‘Het systeem’ stortte niet in, maar paste zich aan – en gek genoeg was dat precies wat er volgens Marcuses eigen logica moest gebeuren.

Marcuse schrijft dat ‘de eendimensionale samenleving niet zozeer ontstaat door de ontkenning en afwijzing van rijkere culturele waarden’ als wel door de incorporatie daarvan door de gevestigde orde. De mogelijkheid van een andere wereld, die bijvoorbeeld morele of culturele waarden stelt tegenover een louter technisch-economische beheersing van de werkelijkheid, wordt eenvoudigweg geïncorporeerd in het systeem – als product. Cultuur of moraal roept niet langer een andere wereld of dimensie op; zij zijn te koop op de markt. Koop slowfood, gebruik authentieke olijfolie van Bertolli, leer het echte Thailand kennen. Het lijkt alsof we ons daadwerkelijk verzetten tegen mondiale machtsverhoudingen en een ‘authentiek’ leven leiden. Maar uiteraard volgt alles nog steeds de wetten van dezelfde markt, waarbinnen cultuur en ethiek ‘producten’ zijn – de creatie van valse behoeften. Alles is anders en alles is hetzelfde.
 

Werk is plezier

In hun invloedrijke studie The New Spirit of Capitalism lieten de Franse sociologen Luc Boltanski en Eve Chiapello een decennium geleden zien hoe het het kritische denken sinds de jaren zestig van Marcuse is vergaan. Hun analyse laat zich lezen als een ontkenning én een bevestiging van Marcuses betoog in De eendimensionale mens. Boltanksi en Chiapello onderscheiden twee soorten kritiek: sociale kritiek, die zich richt op sociale ongelijkheid, uitbuiting en armoede; en artistieke kritiek, die zich juist richt op vervreemding, uitsluiting en normalisering. Zij wijzen erop dat de sociale kritiek de wind uit de zeilen is genomen doordat in belangrijke mate tegemoet is gekomen aan de eisen van de arbeidersbeweging, door de opbouw van een verzorgingsstaat en een meer gelijke distributie van de rijkdom. Tegelijkertijd bleef het kapitalisme in stand en verplaatste het de ergste vormen van uitbuiting naar de ‘periferie’. Ook incorporeerde het de artistieke kritiek door de waarden van de hippies, bohemiens en studenten ‘toe te passen’ in de wereld van het management en organisatie van de arbeid. De hiërarchische organisatie van het arbeidsproces werd ingeruild voor relatief autonome werkteams, flexibele arbeidsomstandigheden, een hoge waardering voor eigen initiatief en creativiteit op de werkvloer en informele gezagsrelaties. Met name nieuwe bedrijven in de wereld van internet, digitale technologie en nieuwe media (Silicon Valley) zetten op dit punt de toon. Werk was plezier geworden. Creativiteit was de drijfveer bij het leiden en sturen van bedrijven, net als in de wereld van de politiek en de wetenschap. Is alles nu anders of is alles hetzelfde gebleven? Bevestigt de analyse van Boltanski en Chiapello de diagnose van Marcuse, of moeten we stellen dat hier sprake is van een serieuze transformatie van wat Marcuse de ‘hoogindustriële beschaving’ noemde?
 

Mensen dresseren

In Marcuses diagnose krijgen ‘systemen’ of ‘beschavingen’ bijna automatisch een totalitair karakter. Hij laat geen ruimte om binnen één systeem meerdere opties of waarderingen te onderscheiden. Zo is de keuze bij voorbaat simpel: aanpassing of grote weigering. Het systeem wordt niet begrepen als resultaat van een veelheid van gecombineerde en soms ook tegengestelde praktijken, maar als de vooraf gegeven eenheid die alle praktijken dirigeert en aanstuurt. Onduidelijk blijft wat dan de drijvende kracht achter dat systeem is.

Marcuse stelt dat iedereen zelf moet bepalen wat waar en onwaar is en wat ware en valse behoeften zijn. De voorwaarde die hij daar vervolgens aan verbond, namelijk de vraag of individuen vrij zijn om tot zo’n bepaling te komen, is volkomen misplaatst, omdat het nu juist tot de essentie van vrijheid behoort dat het individu zelf beslist of ondergaat dat het ‘vrij’ is. Vrijheid is tot op zekere hoogte ‘objectiveerbaar’ en mogelijk ook ‘meetbaar’, maar hangt vooral af van de manier waarop en de mate waarin individuen van die vrijheid gebruikmaken. En dat laatste is aan die individuen zelf.

Wat een kritische filosofie wel zichtbaar kan maken zijn al de bedreigingen en beperkingen van de mogelijkheden die individuen hebben om vrij te handelen. En op dat punt is De eendimensionale mens een cruciaal boek gebleken. De reductie met wetenschappelijke of technische argumenten vertegenwoordigt niet ‘de onwaarheid’ van ‘het systeem’, maar wordt wel bij voortduring ingezet om mensen te dresseren, afwijkend gedrag te normaliseren, vrijheden in te perken en de efficiency van het kapitalistische bedrijfsleven te bevorderen door uiteenlopende ‘waardeoordelen’ of ‘ethische oordelen’ te diskwalificeren. En nu druk ik me zeer voorzichtig uit. Werp ik een blik op de hedendaagse kritische sociologische, psychologische, politicologische of filosofische literatuur, dan kan ik moeilijk tot een ander oordeel komen dan dat Marcuses diagnose van de eendimensionale mens en samenleving bevestigd wordt. Dat het kritische denken daarin stelselmatig wordt ondermijnd, kan ik bevestigen – niet echter dat kritiek onmogelijk is geworden. Net als Marcuse behoor ik tot de individuen van wie hij zelf vond dat zij uiteindelijk het laatste woord hadden. Dat laatste woord vulde hij in De eendimensionale mens voor al die individuen in – en dat vertegenwoordigt tegelijkertijd de kracht en de onwaarheid van zijn betoog.

Dit artikel is een bewerkte versie van het artikel uit Wijsgerig Perspectief.