Home Identiteit Rousseaus verlangen naar oprechtheid
Het kwaad Identiteit

Rousseaus verlangen naar oprechtheid

Maarten Doorman schetst het portret van een denker die zocht naar natuurlijkheid – en die zelfs aan potloodventen deed.

Door Maarten Doorman op 25 oktober 2011

Jean-Jacques Rousseau illustratie
Cover van 09-2011
09-2011 Filosofie magazine Lees het magazine

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Niet lang nadat de jonge Rousseau zich tijdelijk tot het katholicisme had bekeerd, en als lakei aan de kost probeerde te komen, gaf hij zich over aan een wat ongebruikelijk verlangen. Steeds vaker begon hij zich in donkere lanen en verborgen hoekjes in het zicht van vrouwen te ontbloten. Op een dag vond hij een binnenplaats met een put, waar jonge meisjes water kwamen halen. Daarachter leidde een trap naar een stelsel van duistere kelders, waarin hij zich in geval nood zou kunnen verstoppen. Op dit strategisch gekozen punt bracht Rousseau het potloodventen in praktijk. Sommige meisjes negeerden de aanblik, anderen moesten lachen en weer anderen waren geschokt. Algauw werd de exhibitionist opgejaagd en in een van de kelders in zijn kraag gegrepen. Uiteindelijk wist hij zich uit zijn penibele situatie te redden door te suggereren dat hij niet goed bij zijn hoofd was, en van hoge komaf bovendien.

Het zou voor de hand liggen dat we deze geschiedenis uit de stukken van een proces-verbaal hadden leren kennen, maar dat is niet zo. Het verhaal stamt van de dader zelf. Jean-Jacques Rousseau vertelt het in geuren en kleuren in het derde boek van zijn Bekentenissen, dat pas vier jaar na zijn dood verscheen, in 1782, maar wel degelijk voor publicatie was bedoeld. Zoals hij ook laat weten hoe hij als jongen in de kookketel plaste van Mme Clot, en als leerjongen bij een graveur appels, asperges en gereedschap stal. En hoe hij later, toen hij de jaren des onderscheids had bereikt, witte wijn achteroverdrukte bij de familie waar hij als huisleraar inwoonde. Het waren dus niet louter jeugdzonden, en het wordt verderop in zijn boek soms nog erger.

Een weinig gebruikelijk boek is het zeker, en uit deze woorden spreekt een bravoure en een schaamteloos met de deur in huis vallen dat in de achttiende eeuw bepaald geen schering en inslag was. Het is exhibitionisme zonder enige ironie of retorische reserve: hier staat Rousseau, en we zullen het weten. Hij kan niet anders.

Nu kun je deze onthullingen schouderophalend afdoen als de uitingen van een wonderlijk karakter, dat in een mengsel van masochisme, buitensporig schuldgevoel en exhibitionisme zijn hart uitstort. Dat lijkt verstandig, want een filosoof hoor je op zijn werk te beoordelen, niet op zijn leven. Bij Rousseau ligt dat echter iets ingewikkelder. Niet omdat het overigens allerminst saaie leven op vele plaatsen van zijn werk door de zinnen heen schemert, en misschien ook niet omdat in zijn geval dat leven wel degelijk iets van zijn werk kan verduidelijken. Eerder omdat het tonen van wie je werkelijk bent tot het hart van Rousseaus filosofie behoort, filosofie die een radicale eerlijkheid en echtheid nastreeft. Dat verlangen naar oprechtheid leidt tot allerlei paradoxen. Het exhibitionisme van de jonge Rousseau, het ontbloten van het meest kwetsbare en tegelijk meest aanstootgevende, is daarom een treffend beeld voor zijn denken. Juist omdat het zo verontrustend balanceert tussen masochisme en agressie, tussen schuldbesef en narcistische arrogantie, tussen oprechtheid en schaamteloosheid, tussen een naïef verlangen naar natuurlijkheid en ridicuul, berekenend gedrag.
Neem ook de meesterlijke opening van de Bekentenissen:

Of is het een pose? Wie het boek uit heeft en zich iets meer in Rousseau verdiept, weet wel beter. Hij was ondanks zijn nederigheid een haan, die meent dat de zon opkomt om hem te horen kraaien, zoals George Eliot een keer zo mooi over iemand anders schreef. Van relativering was zelden sprake. Hij besloot bijvoorbeeld het manuscript van de opvolger van dit boek, Dialogen van Rousseau, rechter van Jean-Jacques, maar aan God zelf toe te vertrouwen, omdat op aarde toch geen hond naar hem wilde luisteren. Op 24 februari 1776 probeerde hij het in Parijs op het hoogaltaar van de Notre-Dame te leggen. Zoals wel meer gebeurt bij grote gebaren liep deze theatrale actie spaak op een knullig detail uit de werkelijkheid. Het koorhek zat op slot.

Authenticiteit

Waarom zijn de Bekentenissen belangrijk? Omdat ze op de meest concrete manier een ideaal belichamen dat in veel ander werk van Rousseau al schittert en dat de voedingsbodem zal zijn voor de romantiek en alles wat daarna komt. Het is het ideaal van authenticiteit, van het natuurlijke, het echte. Het moment waarop hem dit idee te binnen schiet is vaker beschreven. Rousseau ging in oktober 1749 te voet naar de gevangenis in het kasteel van Vincennes, toen nog even buiten Parijs gelegen (en nu het oostelijke eindpunt van metrolijn 1), om zijn vriend Diderot te bezoeken. Die zat daar vast vanwege enkele toespelingen op voorname personen in zijn Lettre sur les aveugles. Onderweg bladerde Rousseau in de Mercure de France en viel zijn oog op een prijsvraag van de Academie van Wetenschappen in Dijon, een uitnodiging om te schrijven over de vraag ‘of de opbloei van kunsten en wetenschappen ertoe bijgedragen heeft de zeden te verheffen’.

Dat was een vraag die in verlichte kringen misschien anders geformuleerd had moeten worden, namelijk niet of die opbloei van kunsten en wetenschappen aan een betere moraal bijdroeg, maar hoe, op welke manier. Want de optimisten van de Verlichting geloofden heilig in vooruitgang en emancipatie, en twijfelden helemaal niet aan het antwoord. Ging niet alles beter door de zich voortvarend ontwikkelende kennis, techniek en kunst? Rousseau daarentegen nam de vraag serieuzer dan zijn tijdgenoten en kwam tot een radicale ontkenning. Hier bloeide de scepsis tegenover zijn eigen tijd op, scepsis niet alleen jegens kunsten en wetenschappen, maar jegens de hele cultuur, een samenleving die door talloze voorschriften en regels werd beheerst en het leven verstikte en onmogelijk maakte. Zo wordt het idee geboren van het natuurlijke als oorspronkelijk en goed en echt. De filosoof schetst – en het is Rousseau ten voeten uit – hoe hij door dit inzicht overrompeld wordt en in katzwijm valt bij de stam van een eik.

Ik ga iets ondernemen, wat nooit eerder is gedaan en dat, als het eenmaal is uitgevoerd, niet zal worden nagevolgd. Ik wil aan mijn medemensen een mens laten zien zoals hij werkelijk is en die mens, dat ben ik zelf.

Het aldus beschreven ogenblik is niet helemaal vrij van religieuze dweperij: er klinkt in elk geval iets in door van de bekering van Paulus op weg naar Damascus. Het vestigt de aandacht op het radicale van Rousseaus inzicht, het inzicht dat de vooruitgang onze omgangsvormen kunstmatig heeft gemaakt en de oorspronkelijke goedheid van de mens corrumpeert. Onder aanmoediging van Diderot schrijft hij zijn Vertoog over kunsten en wetenschappen (1750) en wint de eerste prijs. Vanaf dan is hij beroemd. Tot zijn schrik. Tot zijn schrik, omdat die roem niet paste in zijn kritiek op een samenleving die meer in reputatie was geïnteresseerd dan in werkelijke verdiensten. Voor Rousseau was roem op zich al verdacht. Bovendien was hij overgevoelig voor de mening van anderen.  

Schilderij

Rousseau was ondanks zijn verlangen naar onbevangenheid zelf ook niet helemaal onverschillig voor zijn eigen imago. Neem een van de meest geslaagde portretten van Rousseau, het schilderij dat Allan Ramsay in 1766 van hem maakte. Hume had zijn vriend Ramsay gevraagd hen beiden te schilderen, en anders dan veel tijdgenoten streefde Ramsay, geheel in de geest van Rousseau, naar een eenvoudige en natuurlijke weergave van de geportretteerden. Niettemin vroeg hij Rousseau wel een specifieke houding aan te nemen: we zien de filosoof half naar ons toe gedraaid, terwijl het licht op zijn levendige gezicht valt en hij op verzoek van Ramsay met zijn rechterhand naar zichzelf wijst. Dat is een mooi gebaar voor de man die net aan zijn Bekentenissen zou beginnen, maar nog toepasselijker wordt het wanneer we beter kijken, want Rousseau wijst op zijn hart. Daarmee wordt dit schilderij behalve een intrigerend portret ook een statement.

Want Rousseau mocht dan als filosoof bekendstaan, het ging uiteindelijk niet om het denken, maar om het gevoel. Schuilt niet daarin iemands oprechtheid, leren we niet pas in de emotie iemands ware zelf kennen? En misschien beter dan het belang van gevoelens filosofisch te onderbouwen, wat als methode paradoxaal zou zijn, kon je het tonen. Door een sentimentele roman te schrijven als Julie ou la Nouvelle Héloïse, of op een schilderij. Minstens even paradoxaal echter is dat Rousseau om natuurlijk over te komen een aantal keer voor het schilderij moest poseren. Eigenlijk zien we hier in een notendop de paradox van de authenticiteit: wie echt wil zijn is het per definitie niet, want met het bewustzijn van dat verlangen is de onechtheid er ook.

Het is als bij de noodlottige gebeurtenissen in het Bijbelverhaal van Genesis. Op het moment dat Adam en Eva van de boom van kennis van goed en kwaad hebben gegeten is er kennis van het kwade, en daarmee is het kwaad in de wereld en is een paradijselijk leven voorgoed onmogelijk geworden. Het eerste teken daarvan is het besef dat ze naakt zijn: ze schamen zich en maken van vijgenbladeren ‘lendenschorten’, zoals de nieuwe Bijbelvertaling ze noemt.

Welnu, zoals de mens in deze theologische visie nooit meer op aarde zonder het kwaad zal zijn, zo zijn we sinds Rousseau nooit meer zonder onszelf. Voortaan dragen we onszelf altijd met ons mee, schrijft hij wanneer hij de natuurmens (l’homme sauvage) in zijn Vertoog over de ongelijkheid met de mens van zijn tijd (l’homme civilisé) vergelijkt. Tegelijk met de beschaafde mens komt de vervreemding in de wereld. Waar oprechtheid, eerlijkheid of authenticiteit verlangd wordt, zijn van nu af aan altijd tegelijk onoprechtheid, oneerlijkheid en inauthenticiteit in het spel. Zo weet je bijvoorbeeld nooit zeker of de oprechtheid waarmee Rousseau zijn exhibitionisme bij de waterput bekende uit nederigheid en boetvaardigheid voortkomt of uit koketterie en behaagzucht. Een tijger in de savanne, die is zonder twijfel oprecht, en een baby ook nog wel. Maar voorbij het dierlijke stadium en het eerste levensjaar worden onbevangen eerlijkheid en volstrekt natuurlijk gedrag algauw allerminst vanzelfsprekend.

Rousseau mag in het derde boek van Émile de hele gedachte van de erfzonde verwerpen, omdat hij gelooft in de wezenlijke goedheid van de mens, toch introduceert hij met die veronderstelde goedheid de verwording van die oorspronkelijk zo goede natuurmens. In het besef dat we van nature goed zijn, zijn we omdat we nu eenmaal met anderen samenleven tegelijk slecht, of op z’n minst onnatuurlijk, onoprecht en van onszelf vervreemd. Zo bekeken snijdt Rousseaus ontkenning van de val van Adam en Eva weinig hout, want ook zij waren ooit goed en onschuldig en zonder schaamte, zodat zij zich naakt aan elkaar en aan God konden vertonen – zonder dat iemand hen voor potloodventer aanzag.

Rousseau was aanvankelijk over het portret van Ramsay te spreken, maar algauw verafschuwde hij het. De schilder had hem gevraagd licht voorovergebogen te poseren, volgens Rousseau om zijn gezicht te vervormen, zodat hij eruit zou zien als een monster, een cycloop. Hier zien we nog eens hoe dicht het verlangen naar echtheid bij ijdelheid ligt, dus bij de wens de zaken juist mooier voor te stellen dan ze zijn.

Het gevoel dat de buitenwereld je niet ziet zoals je bent is misschien niet helemaal nieuw. Ook lang voor Rousseau achtten mensen zich niet altijd goed begrepen. De stukken van Shakespeare staan er vol van, en Don Quichotte moet de rest van de wereld telkens maar weer uitleggen wat in de ogen van anderen slechts een verzinsel is. En dat iets niet is wat het lijkt, is een probleem waarover filosofen sinds de Oudheid hebben getobd, vanaf Plato tot Descartes en Hume. Maar wat nieuw is, is het besef dat schijn en wezen zich op ons eigen zelf betrekken. Dat is de ontdekking, of uitvinding, waarmee Rousseau ons voortaan opzadelt. Wie zijn wij werkelijk?